Filippenzen 1:9-11
Deze verzen bevatten den inhoud zijner ge- beden voor hen. Paulus liet zijn vrienden dikwijls weten wat hij van God voor hen afsmeekte, opdat zij mochten weten wat zij voor zich zelven bidden moesten en een leidraad voor hun gebed verkrijgen, en opdat de hoop bij hen verlevendigd zou worden dat zij van God de levenwekkende, versterkende, altijddurende, vertroostende genade zouden ontvangen, welke zulk een machtig voorbidder als Paulus van God voor hen vroeg. Het is bemoedigend voor ons te weten, dat onze vrienden voor ons bidden, die wij met reden mogen veronderstellen dat gehoor vinden voor den troon der genade. Ook deelde hij het hun mede als een richtsnoer voor hun wandel, opdat zij trachten zouden zijne gebeden voor hen te beantwoorden door zo te wandelen, want dat zou hem het teken zijn dat God hem geantwoord had. Paulus, aldus voor hen biddende, had goede verwachting van hen. Dat is een aanwijzing voor ons, dat wij onzen plicht moeten doen en onze voor ons biddende vrienden en dienaren niet teleurstellen. Hij bad:
1. Dat zij liefhebbende mensen mochten zijn, en dat goede gevoelens onder hen meer en meer overvloedig mochten zijn. Dat uwe liefde nog meer en meer overvloedig worde. Hij bedoelt hun liefde voor God, voor elkaar, voor alle mensen. Liefde is de vervulling beide van de wet en van het Evangelie. Merk op: Zij, die in enige genade overvloedig zijn, hebben toch nodig meer en meer overvloedig te worden, want er is altijd enig gebrek in en wij zijn onvolkomen ook in onze beste daden.
2. Dat zij mensen vol erkentenis en gevoelen mochten worden, dat zij meer en meer overvloedig mochten zijn in erkentenis en alle gevoelen. Het is geen blinde liefde, die ons bij God zal aanbevelen, maar een liefde gegrond op kennis en oordeel. Wij moeten God liefhebben om Zijn oneindige uitnemendheid en beminnelijkheid, en onze broederen omdat wij in hen het beeld Gods zien. Sterke hartstocht, zonder kennis en een gevestigd oordeel, zal ons niet volmaken in den wil van God, en soms meer kwaad dan goed doen. De Joden hadden een ijver voor God, maar zonder verstand, en werden er door vervoerd tot geweld en woede. Romeinen 10:2, Johannes 16:2.
3. Dat zij mochten worden onderscheidende mensen. Dat zou de uitwerking van hun kennis en oordeel zijn. Dat gij moogt beproeven de dingen, die daarvan verschillen (of de dingen, die uitnemend zijn) eis to dokimazein humaas ta diapherontas, de dingen, die op de proef blijken uitnemend te zijn en te verschillen van andere dingen. De waarheden en wetten van Christus zijn uitnemende dingen, en het is nodig, dat we elk harer beproeven en als zodanig achten. Wij behoeven ze alleen te beproeven om dat te bemerken, en zij zullen zich gemakkelijk aanbevelen aan iedere zoekende en onderscheidende ziel.
4. Dat zij mochten zijn eerlijke mensen met oprechte harten. Opdat gij oprecht zijt. Oprechtheid is onze evangelische volmaaktheid, zij moet onzen wandel in de wereld kenmerken en is de heerlijkheid van al onze genaden. Indien het oog eenvoudig is, wanneer wij met al wat wij doen tot God inkeren, waarlijk zijn wat wij schijnen en het eerlijk bedoelen, dan zijn wij oprecht.
5. Dat zij mensen mochten zijn die geen aanstoot gaven. Opdat ge moogt zijn zonder aanstoot te geven tot den dag van Christus, niet spoedig zich beledigd gevoelen, en zorg dragen dat wij God of onze broederen niet beledigen, maar leven in een goed geweten voor God, Handelingen 23:1, en ons zelven oefenen om altijd een onergerlijk geweten te hebben bij God en de mensen, Handelingen 24:16. En wij moeten tot het einde voortgaan onberispelijk, om op den dag van Christus te kunnen bestaan. Hij wil zich voorstellen een gemeente zonder vlek of rimpel, Efeze 5:27, en gelovigen, onstraffelijk voor zijne heerlijkheid in vreugde, Judas 24.
6. Dat zij mochten zijn vruchtdragende mensen, vers 11. Vervuld met vruchten der gerechtigheid enz. Onze vrucht moet van God komen, en daarom moet ze van Hem gevraagd worden. De vruchten der gerechtigheid zijn de kentekenen en voortbrengselen van onze heiligmaking, de plichten der heiligheid, voortspruitende uit een vernieuwd hart, omdat de wortel der zaak in ons is. Zijnde daarmee vervuld. Zij, die goed doen, moeten zich benaarstigen steeds meer goed te doen. De vruchten der gerechtigheid, voortgebracht ter verheerlijking van God en ter stichting van onze broederen, moeten ons vervullen en geheel innemen. Vreest niet dat ge ontledigd zult worden door vruchten der gerechtigheid voort te brengen, want ge zult er mede vervuld worden. Deze vruchten zijn door Jezus Christus, door Zijn kracht en genade, want zonder Hem kunnen wij niets doen. Hij is de wortel van den goeden olijfboom, waaruit die zijn krachten trekt. Wij zijn sterk in de genade, welke is in Christus Jezus, 2 Timotheus 2:1, en met kracht versterkt door den Geest, Efeze 3:16, en zij zijn tot heerlijkheid en prijs van God. Ons doel met het vruchten voortbrengen moet niet zijn onze eigen verheerlijking, maar de heerlijkheid en prijs van God, opdat God in alles verheerlijkt moge worden, 1 Petrus 4:11, en wat we doen, we moeten alles doen ter heerlijkheid Gods, 1 Corinthiërs 10:31. Het strekt zeer ter ere Gods, wanneer Christenen niet alleen goed zijn, of goed doen, maar overvloedig zijn in goede werken.