1 Samuël 11:5-11
Wat hier verhaald wordt is zeer ter ere van Saul en toont de gelukkige uitwerking van die anderen geest, met welke hij begiftigd was.
Merk op:
I. Zijn nederigheid. Hoewel hij tot koning was aangesteld en door het volk als zodanig was aangenomen, heeft hij het toch niet beneden zich geacht om de staat van zijn kudden te kennen, maar ging zelf uit om ze te bezien, en des avonds kwam hij met de dienstknechten achter de runderen uit het veld, vers 5.
Dat was een blijk dat hij door zijn verhoging niet was opgeblazen, zoals degenen maar al licht zijn, die van een geringer staat tot aanzien komen.
Gods voorzienigheid had hem nog geen koningswerk aangewezen, en hij liet alles over aan Samuël, veeleer dus dan lui en ledig te zijn, wilde hij zich voor het ogenblik nog met het landmansbedrijf bezighouden, ofschoon de kinderen Belials er hem misschien nog meer om zullen verachten, zullen zij die deugdzaam en verstandig zijn en zelf de arbeid beminnen er volstrekt niet te minder om denken van hem.
Er waren geen inkomsten voor hem vastgesteld om zijn waardigheid als koning op te houden, en hij wenste geen last te zijn voor het volk, weshalve hij, evenals Paulus' met zijn eigen handen arbeidde, want zo hij zijn huiselijke aangelegenheden veronachtzaamde, hoe zou hij zich en zijn gezin dan kunnen onderhouden?
Salomo geeft als reden op, waarom de mensen wel acht moet geven op hun kudden, dat "de kroon niet van geslacht tot geslacht zal zijn" Spreuken 27:23, 24.
Sauls kroon was het niet en daarom moet hij zich van iets duurzamere voorzien.
II. Zijn belangstelling in zijn naburen. Toen hij hen in tranen zag, vroeg hij: Wat is den volke, dat zij wenen? Laat het mij weten opdat, zo het een grief is, die hersteld kan worden, ik hen kunne helpen, en zo niet, opdat ik met hen wene". Goede magistraten gevoelen pijn als hun onderdanen wenen.
III. Zijn ijver voor de veiligheid en eer van Israël. Toen hij van de onbeschaamdheid van de Ammonieten hoorde en van het leed van een staaf, van een moeder in Israël, werd de Geest Gods vaardig over hem, en bezielde hem met grote gedachten, zijn toorn ontstak zeer.
Hij was vertoornd over de onbeschaamdheid van de Ammonieten, vertoornd, omdat zij hem niet eerder bericht hebben gezonden van de inval van de Ammonieten, en van de nood waarin zij gebracht stonden te worden.
Het vertoornde hem zijn naburen te zien wenen, als het hun beter voegde om zich ten krijg te rusten. Het was een kloekmoedig, edelaardig vuur, dat nu in het hart van Saul was ontstoken, en dat zijn hogen rang betaamde.
IV. Het gezag en de macht, die hij bij deze gewichtige gelegenheid uitoefende.
Spoedig liet hij Israël weten, dat hij, hoewel hij zich voor het ogenblik in het private leven had teruggetrokken, zorg had voor het publiek, en over mannen wist te bevelen in het veld, evengoed als hij vee uit het veld wist te drijven vers 5, 7.
Hij zond een oproep in al de landpalen Israëls, om de uitgestrektheid te tonen van zijn macht buiten zijn eigen stam, namelijk over al de stammen, en gebood dat alle krijgslieden terstond gewapend op de algemene verzamelplaats te Bezek zouden verschijnen.
Merk op:
1. Zijn bescheidenheid, door Samuëls naam bij de zijnen te voegen voor de opdracht. Hij wilde het koningsambt niet uitoefenen zonder behoorlijk acht te slaan op dat van een profeet.
2. Zijn zachtmoedigheid in de strafbedreiging tegen hen, die zijn bevelen niet zouden gehoorzamen.
Hij houwt een juk ossen in stukken, en zendt de stukken naar de onderscheiden steden Israëls met de bedreiging aan hen, die zouden weigeren het openbaar belang te dienen, niet: "Alzo zal men hem doen", maar: "Alzo zal men zijn runderen doen".
God had dit als een groot oordeel bedreigd, Deuteronomium 28:31.
Uw os zal voor uw ogen geslacht worden, maar gij zult daarvan niet eten.
Het was nodig dat aan het bevel kracht zou worden bijgezet door een strafbedreiging, maar zij was bij lange na niet zo streng als die, waarvan een gelijk bevel vergezeld ging uitgaande van de gehele vergadering, Richteren 21:5.
Saul wenste te tonen dat zijn regering zachter was dan die zij gehad hebben. De uitwerking van die oproep was dat de staande krijgsmacht van de natie uitging als een enig man, en de reden, die er voor aangeduid is, dat de vreze des HEEREN op het volk viel.
Saul heeft er niet naar gestreefd dat het volk hem zou vrezen, maar onder de invloed van de vreze Gods en uit eerbied voor Hem, die Saul tot hun koning en hen tot elkanders leden had gemaakt, hebben zij zijn orders opgevolgd.
De vreze Gods zal de mensen tot goede onderdanen maken, tot goede krijgslieden en goede vrienden van de belangen van hun land. Zij, die God vrezen, zullen er een gewetenszaak van maken om hun plicht te doen jegens alle mensen, en inzonderheid jegens hun overheid. V. Zijn gedrag en zijn wijze maatregelen voor deze grote zaak, vers 8. Hij telde hen, die zich tot hem verzamelden, ten einde zijn kracht te kennen, en te weten hoe zijn krijgsmacht het best te verdelen naar hun getallen.
Het is de eer van vorsten om het getal hunner mannen te kennen, maar het is de eer van de Koning van de koningen, "dat er geen getal is van Zijn benden", Job 25:3.
Bij deze monstering schijnt Juda, hoewel op zichzelf geteld, geen groot figuur te hebben gemaakt, want daar hij een was van twaalf stammen bedroeg zijn getal toch slechts het elfde deel van het gehele aantal, dertig duizend drie honderd en dertig, hoewel Bezek, de algemene verzamelplaats, in die stam was, ontbrak hun echter het aantal of de moed, of de ijver, waarvoor die stam vermaard placht te zijn, zó min was hij even vóór dat in David de scepter er in kwam.
Vl. Zijn geloof en vertrouwen, en (daarop gegrond) zijn moed en vastberadenheid in deze onderneming. Het schijnt dat dezelfde boden, die de tijding van Jabes in Gilead hadden gebracht, door Saul het land ingezonden werden om het krijgsvolk op te roepen, daar deze voorzeker trouw en ijverig zouden zijn ter bevordering hunner eigen zaak, en deze worden nu door hem teruggezonden naar hun in nood verkerende medeburgers, met de verzekering (waartoe Samuël hem waarschijnlijk heeft aangemoedigd) Morgen, op dat en dat uur, voordat de vijand kan zeggen dat de zeven dagen om zijn, zal u verlossing geschieden, vers 9.
Houdt u gereed om het uw te doen, en wij zullen niet in gebreke blijven om te doen wat het onze is. Doet gij een uitval op de belegeraars, terwijl wij hen omsingelen." Saul wist dat zijn zaak rechtvaardig was, dat hij een duidelijke roeping had, en dat God op zijn zijde was, en daarom twijfelde hij niet aan de goeden uitslag. Dit was een goede tijding voor de belegerde Gileadieten wier rechterogen zich droog geweend hadden om hun rampen, en hun nu begonnen te falen in het uitzien naar hulp, en pijn te doen in de verwachting van het oordeel, dat hun de volgenden dag wachtte, wanneer zij voor het laatst zien zouden, hoe groter de nood, hoe welkomer de uitredding.
Toen zij de tijding hoorden, werden zij verblijd, vertrouwende op de verzekering, die hun was gezonden. En zij zonden naar het kamp des vijands, vers 10, om hun te zeggen dat zij de volgende dag gereed zouden zijn hen te ontmoeten, wat de vijanden opnamen als een aanduiding, dat zij er aan wanhoopten hulp te verkrijgen, en er dus nog geruster door werden. Indien zij geen zorg droegen om door verkenners uit te zenden, hun vergissing te herstellen, dan zullen zij het zichzelf te danken hebben als zij overvallen worden, de belegerden waren niet verplicht hun kennis te geven van de hulp, die hun verzekerd was.
VII. Zijn naarstigheid en ijver in deze zaak, Indien hij van zijn jeugd af voor de krijg was opgeleid, en even dikwijls regimenten had aangevoerd als hij kudden van vee heeft gevolgd, hij zou in een zaak van die aard niet met meer bekwaamheid en naarstigheid hebben kunnen handelen. Als de Geest des Heeren vaardig wordt over de mensen, dan maakt dit hen bedreven ook zonder ervaring.
Een groot heir in vergelijking met de hedendaagse legers had Saul nu onder zijn bevelen. Hij had een langen mars af te leggen, bijna twintig uren ver, en daarbij de Jordaan over te trekken. Er was geen ruiterij in zijn leger, het bestond geheel uit voetvolk, dat hij verdeeltin drie bataljons, vers 11. Merk nu op: 1. Met welk een ongelooflijke snelheid hij op de vijand afging, in een dag en nacht kwam hij op het toneel des oorlogs, waar zijn eigen lot en dat van Israël beslist moest worden.
Hij had zijn woord gegeven, en wilde het niet breken, ja hij deed meer dan hij beloofd had, want hij had hulp toegezegd vóór de volgende dag, als de zon heet worden zal, vers 9, maar hij bracht die hulp al vóór het aanbreken van de dag, in de morgenwake, vers 11.
Wien God helpt, helpt Hij vroeg, in het aanbreken van de morgenstond Psalm 46:6.
Met welk een ongelooflijke dapperheid hij de vijand aanviel, vroeg in de morgen, toen zij lagen te dromen van de overwinning en zegepraal, die zij die dag over de ongelukkige inwoners van Jabes in Gilead zouden behalen, eer zij het wisten was hij in het midden van hun leger, en zijn mannen, die in driekolommen tegen hen optrokken, omsingelden hen van alle kanten, zodat zij noch de moed, noch de tijd hadden om hun het hoofd te bieden.
Eindelijk. Om zijn roem te voltooien heeft God al deze hoedanigheden met voorspoed gekroond. Jabes in Gilead was ontzet, en de Ammonieten volkomen verslagen en op de vlucht gedreven. Hij had nu de dag voor zich om zijn overwinning te voltooien, en zo volkomen een overwinning was het, dat zij, die na de grote slachting nog waren overgebleven, zo verstrooid werden, dat er onder hen geen twee tezamen bleven, om elkaar te bemoedigen of te helpen, vers 11. Wij kunnen onderstellen dat Saul zoveel krachtiger in deze zaak is opgetreden:
1. Omdat er een soort van band bestond tussen de stam van Benjamin en de stad Jabes in Gilead. Die stad had geweigerd zich met de overigen te verenigen, om Gibea te verwoesten, hetgeen toen gestraft werd als een misdaad, maar nu misschien herdacht werd als een vriendelijkheid toen Saul zou bereidwillig en vastberaden van Gibea kwam om Jabes in Gilead bij te staan. Maar dat was niet alles, twee derden van de Benjaminieten, die toen ontkomen waren, werden uit die stad van vrouwen voorzien, Richteren 21:14, zodat de meeste moeders in Benjamin dochters waren van Jabes in Gilead, voor welke stad Saul, een Benjaminiet zijnde, dus een bijzondere genegenheid had, en wij bevinden, dat zij zijn vriendelijkheid vergolden hebben, Hoofdstuk 31:11, 12.
2. Omdat het de inval was van de Ammonieten, die het volk er toe bracht om een koning te begeren, (dit zegt Samuël, Hoofdstuk 12:12,), zodat hij, indien hij zich in deze expeditie niet goed gekweten had, hen teleurgesteld zou hebben in hun verwachting van hem, en voor altijd hun achting verloren zou hebben.