Richteren 1:9-20
Wij hebben hier nog een nader bericht van de voorspoedige en glorierijken veldtocht door Juda en Simeon ondernomen.
1. Het lot van Juda was tamelijk goed van Kanaänieten gezuiverd, maar toch niet geheel. Zij, die in het gebergte woonden (in de bergen rondom Jeruzalem) werden uitgedreven, vers 9, 19, maar zij, die in de vlakte woonden, hielden stand, daar zij ijzeren wagenen hadden, zoals die waarvan wij lezen, Jozua 17:16 s. Hier hebben de mannen van Juda gefaald, en daardoor de invloed bedorven, die hun voorbeeld anders op de overige stammen gehad zou hebben, die hen in dit voorbeeld van flauwhartigheid zijn nagevolgd, meer dan in al hun andere voorbeelden van moed en beradenheid. Zij hadden ijzeren wagens, en daarom achtten zij het niet veilig hen aan te vallen, maar had dan Israël niet God aan zijn zijde, "wiens wagens duizenden van engelen zijn," Psalm 68:18, en voor wie deze ijzeren wagens slechts als stoppels zijn in het vuur? Had God hun niet uitdrukkelijk door het orakel beloofd, vers 2, hun voorspoed te geven op deze hun expeditie tegen de Kanaänieten, zonder hen uit te zonderen, die ijzeren wagens hadden? Toch lieten zij hun vrees de overhand hebben over hun geloof, onder voor hen ongunstige omstandigheden konden zij niet op, God vertrouwen, en daarom durfden zij de vijand, die ijzeren wagens had, niet tegentreden, maar hebben hun krijgsmacht lafhartig teruggetrokken, toen zij met een stouter slag hun overwinningen hadden kunnen voltooien en dit bleek kwade gevolgen te hebben. Zij liepen wel, wie of wat heeft hen verhinderd? Galaten 5:7.
2. Kaleb werd in het bezit gesteld van Hebron, dat hem (naar de berekening van Dr. Lightfoot) wel tien of twaalf jaren tevoren gegeven was, maar gebruikt wordende in de openbare dienst, die hij boven zijn eigen belangen stelde, schijnt hij er zich niet vóór nu meester van gemaakt te hebben, zo gaarne wilde deze Godvruchtige man anderen dienen en zelf het laatst bediend worden. Weinige mensen zijn even alzo gemoed, want zij zoeken allen het hunne, Filipp. 2:20, 21. Maar nu kwamen al de mannen van Juda hem te hulp in het tenonder brengen van Hebron, vers 10, sloegen de kinderen Enaks, en stelden hem in het bezit er van, vers 20. Zij gaven Hebron, aan Kaleb. En nu wil Kaleb de gunst van zijn stamgenoten vergelden en wenst daarom Debir tenondergebracht te zien, en die staaf aan Juda in handen te geven. Om dit te bespoedigen biedt hij zijn dochter aan aan de man, die het bevel over de belegering van deze belangrijke plaats op zich wil nemen, vers 11, 12. Othniël neemt dit kloekmoedig op zich, en wint de stad en de vrouw, vers 14, en door de invloed van zijn vrouw verkrijgt hij een zeer goed erfdeel voor zich en zijn geslacht, vers 14, 15. Wij hebben dit verhaal reeds gehad in Jozua 15:16-19, s waar het uitvoerig verklaard is.
3. Simeon won veld op de Kanaänieten in zijn landpale, vers 17, 18. In het oostelijk deel van Simeons lot versloegen en doodden zij de Kanaänieten in Zefath, en noemden het Horma verwoesting, die plaats voegende bij sommige andere verbannen steden in de nabijheid, die zij enigen tijd geleden om deze reden bij die naam hadden genoemd, Numeri 21:2, 3. En dit was nu wellicht de volkomen vervulling van de gelofte, die zij toen gedaan hadden namelijk dat zij de steden van het zuiden van Kanaän volkomen zouden verwoesten. In het westelijk deel namen zij Gaza, Askelon en Ekron, steden van de Filistijnen. Zij namen nu deze steden in bezit, daar zij echter de inwoners niet hebben uitgeroeid, hebben de Filistijnen na verloop van tijd die steden heroverd, en bleken van toen aan onverzoenlijke vijanden te zijn van Israël en God. Er kon ook niets beters van komen, dat zij hun werk slechts ten halve gedaan hadden. 4. De Kenieten verkrijgen een vestiging in de stam van Juda, haar liever daar hebbende dan in een anderen stam, omdat hij de sterkste was, en zij hoopten er veilig en rustig te zullen zijn, vers 16. Zij waren de nakomelingen van Jethro, die of met Israël mee zijn gegaan, toen Mozes hen er toe uitnodigde, Numeri 10:29, of hen ongeveer aan dezelfde plaats ontmoet zijn, toen zij opkwamen van hun omzwervingen in de woestijn acht en dertig jaren daarna, en toen met hen gingen naar Kanaän, daar Mozes hun beloofd had, dat zij dan met Israël lotgemeen zouden zijn: "als de Heere ons weldoen zal dan zullen wij u ook weldoen," Numeri 10:32. Eerst hadden zij zich in de Palmstad gevestigd dat is te Jericho, een stad, die nooit herbouwd mocht worden, en daarom te beter geschikt was voor hen, die in tenten woonden, en geen lust hadden om te bouwen. Maar later vertrokken zij naar de woestijn van Juda. hetzij uit genegenheid voor die plaats, omdat zij eenzaam en afgelegen was, of uit genegenheid voor die stam, die hun misschien bijzondere vriendelijkheid heeft betoond. Toch vinden wij de tent van Jael, die van dat geslacht was, ver weg in het noorden, in het lot van Nafthali, toen Sisera er een schuilplaats zocht, Hoofdstuk 4:17. Israël betoonde hun de achting, dat zij zich mochten nederzetten waar zij wilden, daar zij een rustig volk waren, mensen, die, waar zij zich ook bevonden, met weinig tevreden waren. Zij, die niemand lastig vielen, werden door niemand lastig gevallen. "Zalig zijn de zachtmoedigen, want aldus zullen zij het aardrijk beërven."