Prediker 10:4-11
De strekking van deze verzen is onderdanen trouw en gehoorzaam te houden aan de regering. Onder de regering van Salomo was het volk zeer rijk en leefde het in voorspoed, hetgeen hen misschien hoogmoedig en onbeschaamd heeft gemaakt, en toen de belastingen hoog waren hebben velen, of schoon zij genoeg hadden om te betalen, waarschijnlijk een hoge toon aangeslagen tegen de regering, en gedreigd in opstand te zullen komen. Aan dezulken houdt Salomo hier enige nodige waarschuwingen voor.
I. Laat onderdanen niet twisten met hun vorst vanwege een persoonlijk misnoegen, vers 4. Als de geest van de heerser tegen u oprijst, indien hij door verkeerde inlichtingen, die hij nopens u ontvangen heeft, of door uw verkeerd beleid, misnoegd op u is, en u dreigt, verlaat dan toch uw plaats niet, vergeet de plicht niet van een onderdaan, verbreek uw trouw niet, geef in drift en hartstocht uw post niet op in zijn dienst, alsof gij er aan wanhoopt ooit zijn gunst te herwinnen, neen, wacht een weinig, en gij zult bevinden dat hij niet onverzoenlijk is, maar dat onderworpenheid, of zachtmoedigheid, grote zonden stilt. Salomo spreekt voor zichzelf, en voor ieder wijs en goed man, die een meester of een magistraat is, dat hij hun gemakkelijk kon vergeven na hun onderwerping, op wie hij wegens hun misdrijf zeer toornig is geweest Het is billijker en beter om zich aan een vertoornd vorst te onderwerpen, dan met hem te twisten.
II. Laat onderdanen geen twist beginnen met hun vorst, al is de regering ook niet in alles zoals zij het zouden wensen. Hij erkent dat er dikwijls een kwaad geschied, onder de zon, en het is het kwaad van een koning, een kwaad dat alleen de koning verhelpen kan, want het is een dwaling, die van hef aangezicht des oversten voorkomt, vers 5, het is een vergissing waaraan oversten of heersers, die meer te rade gaan met hun persoonlijke genegenheden dan met het openbare belang, zich maar al te dikwijls schuldig maken, dat de mensen niet bevorderd worden naar hun verdiensten, maar dat een dwaas in grote hoogheden wordt gezet, mensen van een gekrenkt verstand en geruïneerd vermogen worden op posten van vertrouwen en macht gesteld, terwijl rijke lieden met een goed verstand, wier eigen belang hen zou nopen om getrouw te zijn aan het publiek en wier overvloed hen waarschijnlijk boven de verzoeking zou stellen van omkoping en afpersing, toch op lage plaatsen zitten, en geen bevordering kunnen krijgen, vers 6, hetzij omdat de heerser hen niet weet te waarderen, of omdat de voorwaarden van de benoeming van zo'n aard zijn, dat zij er zich niet met een goed geweten aan kunnen onderwerpen. Het staat slecht met een volk, als ondeugdzame mensen bevorderd worden, en mannen van eer en waarde in druk en ellende zijn, achteraf worden gehouden. Dit wordt opgehelderd in vers 7 :ik heb knechten te paard gezien, mannen, niet zozeer van geringe afkomst en opvoeding indien dit alles ware, dan zou het nog te meer te verontschuldigen zijn, ja er is menige verstandige knecht, die om goede redenen heersen zal over een zoon, die beschaamd maakt, maar mannen van een lage, slaafse, vuile aard, deze heb ik in pracht en staatsie zien rijden als vorsten, terwijl vorsten, mannen van edele geboorte en hoedanigheden, geschikt om over een koninkrijk te heersen, genoodzaakt waren om als knechten op de aarde te gaan, arm en veracht. Aldus straft God in Zijn voorzienigheid een slecht volk, maar in zoverre het de daad is van de heerser, is het voorzeker zijn dwaling, en een groot kwaad, een grief voor de onderdaan en zeer tergend, maar het is een dwaling onder de zon, die gewis hersteld zal worden boven de zon, en als zij niet meer schijnen zal, want in de hemel is het alleen wijsheid en heiligheid, die in grote hoogheden worden gezet. Maar als de vorst schuldig is aan deze dwaling, laat de onderdanen daarom hun plaats niet verlaten, noch in opstand komen tegen de regering, noch plannen maken om van regering te veranderen. En laat de vorst hier niet te ver in gaan, zulke knechten, zulke bedelaars niet te paard zetten, die onzinnig over de oude landpalen zullen rijden van de staatsinrichting, en er de omkering, de nederwerping van dreigen.
1. Laat vorst noch volk met geweld veranderingen maken, want beide zullen daar de gevaarlijke gevolgen van ondervinden, welke hij hier aantoont door vier beelden, of gelijkenissen welker strekking is ons te waarschuwen om niet iets te doen, dat op onze schade uitloopt. Laat vorsten de rechten en vrijheden van hun onderdanen niet aanranden, laat onderdanen niet rebelleren tegen hun vorsten, want:
a. Wie een kuil graaft voor een ander, tien tegen één of hij zal er zelf in vallen, en zijn geweldenarij keert op zijn eigen hoofd weer. Als vorsten tirannen worden, of onderdanen rebellen worden, dan is geheel de geschiedenis daar om hun te zeggen, aan hen beide te zeggen, wat zeer waarschijnlijk hun lot zal wezen, en dat het op hun uiterst gevaar is, en dat het voor beide beter zou zijn om binnen hun eigen perken te blijven.
b. Wie een heg doorsteekt, een oude heg, die gedurende lange tijd een landpaal is geweest, laat hem verwachten dat een slang, of een adder, die in verrotte, half vergane heggen schuilen, hem zal bijten, de ene of andere adder zal zich vasthechten aan zijn hand, Handelingen 28:3. Door Zijn inzettingen heeft God de voorrechten en de macht van vorsten als met een heg omtuind, hun persoon is onder Zijn bijzondere bescherming, diegenen dus, die verraderlijke plannen tegen hen maken, tegen hen en hun vrede, tegen hun kroon en waardigheid, maken slechts stroppen voor zichzelf.
c. Wie stenen wegdraagt, om een muur of een gebouw omver te werpen, haalt ze slechts over zichzelf, hij zal smart daardoor lijden, en wensen dat hij ze maar gelaten had waar zij waren. Zij, die het beproeven om een goed ingerichte, wel bevestigde regering omver te werpen, onder voorwendsel van sommige grieven te herstellen en er sommige gebreken van te verbeteren, zullen spoedig bemerken, niet alleen dat het gemakkelijker is gebreken te ontdekken dan ze te verbeteren, af te breken wat goed is dan op te bouwen wat beter is, maar dat zij hun vingers in het vuur steken, en zich begraven onder het puin van de bouwval, die zij veroorzaken.
d. Wie hout klieft, inzonderheid als hij, gelijk volgt, gebrekkige gereedschappen heeft, vers 10, zal daardoor in gevaar zijn, de splinters, of de kop van zijn bijl, zullen hem in zijn gezicht vliegen. Als wij hout hebben, waarin vele kwasten zijn, als wij te doen hebben met mensen van een verkeerde, ontembare, onhandelbare geest, en wij denken hen meester te kunnen worden door kracht en geweld, en hen in stukken te kunnen hakken dan kunnen zij blijken niet alleen te sterk voor ons te wezen, maar de poging kan op onze eigen schade uitlopen.
2. Laat vorst en volk veeleer met wijsheid, zachtmoedigheid en in een goede gezindheid jegens elkaar handelen. De wijsheid is nuttig om een heerser te leren hoe een volk te besturen, dat woelzieke neigingen heeft, zodat hij van de ene kant hen niet door flauwe onverschilligheid stoutmoedig maakt en hen aanmoedigt in hun woelzieke neigingen, noch van de andere kant hen door hardheid en strengheid verbittert en tot oproerige handelingen prikkelt. Evenzo is zij nuttig om onderdanen te leren hoe te handelen tegenover een vorst, die geneigd is hard en drukkend voor hen te zijn, zodat zij zijn genegenheden voor hen niet vervreemden, maar hem te winnen door nederige betogen geen beledigende, onbeschaamde eisen, zoals het volk aan Rehabeam gedaan heeft door geduldige onderworpenheid en vreedzame middelen. Dezelfde
regel moet in acht worden genomen in alle betrekkingen tot behoud van hun genoegen en welzijn. Laat de wijsheid zachte methodes aanwenden, en aflaten van methodes van geweld.
A. De wijsheid zal ons leren het werktuig te scherpen, waarvan wij gebruik maken, veeleer dan door het stomp te laten ons te noodzaken om meer kracht te gebruiken, vers 10. Wij zouden ons zeer veel arbeid kunnen besparen en zeer veel kwaad kunnen voorkomen, als wij het gereedschap slepen, eer wij ermede snijden, overwogen en overdachten wat gepast is om, in ieder moeilijk geval, gezegd en gedaan te worden, opdat wij er ons naar schikken en ons werk gemakkelijk en aangenaam volbrengen voor onszelf en voor anderen. De wijsheid zal ons leren hoe een scherpe snede te maken aan onszelf en aan hen, die wij in het werk gebruiken, niet om bedrog te werken, Psalm 52:4, maar om rein en bekwaam te werken. De maaier verliest geen tijd als hij zijn zeis scherpt.
B. De wijsheid zal ons leren de slang te bezweren, waarmee wij te strijden hebben, veeleer dan tegen hem te sissen, vers 11, de slang zal bijten indien hij niet door zang en muziek bekoord en bezworen wordt, waartegen hij daarom zijn oren stopt, Psalm 58:5, 6, en een klapper is niet beter voor hen allen, die in het strijdperk met hem treden, en dus niet moeten denken hem door woorden uit het veld te kunnen slaan, maar dat zij hem door wijs beleid moeten bezweren. Hij die heer is over de tong zo luidt de volzin in het oorspronkelijke, een heerser is, die vrijheid heeft van spreken, en zeggen mag wat hij wil, het is even gevaarlijk om met hem te handelen, als met een slang, die niet bezworen is, maar als gij de bezwering gebruikt van een zachte en nederige onderworpenheid, dan kunt gij veilig wezen en buiten gevaar, hierin is wijsheid, de zachtmoedigheid van de wijsheid, een uitnemende zaak om iets recht te maken. Een overste wordt door lankmoedigheid overreed, Spreuken 25:15. Jakob bezwoer Ezau met een geschenk, en Abigaïl David. Het is verstandig om aan hen, die alles mogen zeggen, niets te zeggen, dat prikkelend of tergend is. Prediker 10:12-15
Salomo had het voordeel aangetoond van wijsheid, van hoe groot voordeel zij voor ons is in het bestuur van onze zaken, en nu toont hij hier het kwaad aan van dwaasheid, en hoe zij de mensen blootstelt aan gevaar, hetgeen hier misschien voorkomt als een afkeurende aanmerking op die heersers, welke de dwazen in grote hoogheden zetten.
1. Dwazen spreken zeer veel, maar niet ter zake, en zij tonen hun dwarsheid evenzeer door de veelheid, de onbetamelijkheid en boosaardigheid hunner woorden, als door wat het ook zij, terwijl de woorden van de mond van een wijze aangenaam zijn, blijk geven van genade in zijn hart en genade mededelen aan de hoorders, goed zijn en zoals hem betamen, en goed doen aan allen, die om hem heen zijn, stellen de lippen van een zot hem niet alleen bloot aan smaad en verachting, maken hem niet alleen bespottelijk, maar zullen hemzelf verslinden en hem ten verderve brengen, door de regering er toe te nopen om kennis te nemen van zijn oproerige taal, en er hem ter verantwoording voor te roepen. Adonia heeft zot tegen zijn eigen leven gesproken, 1 Koningen 2:23. Menigeen is terneer geworpen, doordat zijn tong hem heeft doen aanstoten, Psalm 64:9. Zie wat het gepraat is van een zot:
A. Het komt voort uit zijn eigen zwakheid en goddeloosheid. Het begin van de woorden van zijn mond is dwaasheid, de dwaasheid, die in zijn hart gebonden is, dat is de verdorven bron, uit welke al deze verontreinigde stromen voortkomen, de boze schat waaruit boze dingen voortgebracht worden. Zodra hij begint te spreken, kunt gij zijn dwaasheid al bemerken reeds dadelijk spreekt hij ijdellijk en hartstochtelijk en naar zijn aard. B. Het slaat over tot woede en strekt tot schade en nadeel van anderen. Het einde van zijn mond is het einde, waartoe zijn spreken komt, het is boze dolheid, weldra komt hij door zijn gepraat in onbetamelijke drift, breekt hij los in, de wilde buitensporigheden van een waanzinnige, het doel dat hij beoogt is kwaad, gelijk hij in het eerst al blijk gaf zich weinig te kunnen beheersen, zo komt ten laatste uit dat hij veel boosheid koestert tegen zijn naaste, de wortel van de bitterheid draagt gal en alsem. Nu is het niet vreemd dat zij, die met zotheid beginnen, met dolheid eindigen, want hoe meer vrijheid aan een ongebreidelde tong wordt gelaten, hoe heftiger zij wordt.
C. Het is altijd weer hetzelfde, vers 14. De dwaas maakt wel vele woorden, inzonderheid een hartstochtelijke dwaas, die praat eindeloos voort, en weet niet van ophouden, hij wil het laatste woord hebben, al is het ook hetzelfde, als het eerste, wat er aan belangrijkheid en kracht ontbreekt aan zijn woorden, tracht hij tevergeefs goed te maken door de veelheid ervan, en zij moeten herhaald worden, want anders is er niets in, dat opgemerkt zou worden. Velen, die ledig zijn van zin en van verstand, zijn vol van woorden, en de minst degelijke zijn de luidruchtigste. De volgende woorden kunnen genomen worden, hetzij,
a. Als een bestraffing van zijn verwaand roemen in de veelheid van zijn woorden, wat hij zal doen, en wat hij zal hebben, niet bedenkende hetgeen iedereen weet namelijk dat de mens niet weet wat het zij dat geschieden zal in zijn eigen tijd, terwijl hij in leven is, Spreuken 27:1, en nog veel minder kan iemand hem te kennen geven wat na hem geschieden zal, als hij gestorven en begraven is. Als wij behoorlijk nadachten over onze onwetendheid en onzekerheid nopens toekomstige gebeurtenissen, het zou zeer velen van de ijdele woorden afsnijden, die wij dwaselijk vermenigvuldigen. Of,
b. Als hem bespottende om zijn vervelende herhalingen, hij maakt vele woorden, want al spreekt hij van de meest gewone zaak, een mens kan niet te kennen geven wat geschieden zal, omdat hij graag zichzelf hoort spreken hij zal het nog eens zeggen, wat na hem wezen zal, wie zal het hem te kennen geven, zoals Battus bij Ovidius: "Montibus (inquit) erant, et erant sub montibus illis" Onder deze bergen waren zij. Ik zeg: zij waren onder deze bergen. vanwaar ijdele herhalingen "battologiën" onnodige omhaal van woorden genoemd worden, Mattheus 6:7.
c. Dwazen werken en zwoegen, zonder enig nut, vers 15. De arbeid van de zotten om hun plannen te volvoeren, maakt een ieder van hen moe.
a. Zij matten zich af in die arbeid, hetgeen zeer dwaas en ongerijmd is. Al hun arbeid is voor de wereld en het lichaam, en voor de spijs, die vergaat, en in die arbeid verteren zij hun kracht, en vermoeien zij zich tevergeefs, Habakuk 2:13, Jesaja 55:2. Zij verkiezen hun dienst, die geheel en al uit slavenwerk bestaat, en geven er de voorkeur aan boven hetgeen volkomen vrijheid is.
b. De arbeid, die noodzakelijk is en nuttig zou zijn, en met gemak gedaan zou kunnen worden, vermoeit hen, omdat zij er onhandig en dwaas bij te werk gaan, en zo maken zij hun werk tot een zwoegen voor zich, dat, indien zij er zich met wijsheid op toelegden, een genot en genoegen voor hen zijn zou. Velen klagen over de arbeid in de godsdienst als zwaar, waartoe zij geen reden zouden hebben, indien de oefeningen van de christelijke godsvrucht altijd onder het bestuur waren van de christelijke wijsheid. De dwazen vermoeien zich in eindeloze pogingen, en brengen nooit iets tot stand, omdat zij niet weten naar de stad te gaan, omdat zij het vermogen niet hebben om de eenvoudigste zaak te begrijpen, zoals het binnenkomen in een grote stad, waar men zou denken dat het onmogelijk is voor een mens om zijn weg te missen. Der mensen onverstandig bestuur van hun zaken berooft hen beide van het genot en het voordeel ervan. Maar het is de voortreffelijkheid van de weg naar de hemelse stad, dat het een verheven baan is, en dat zelfs de dwazen, die daarop wandelen, niet zullen dwalen, Jesaja 35:8, maar zondige dwaasheid maakt, dat de mensen die weg missen.