2 Koningen 17:24-41
Nooit ging een land verloren (zegt men) uit gebrek aan een erfgenaam. Toen de kinderen Israëls van hun bezit beroofd en uit Kanaän verdreven waren, heeft de koning van Assyrië er spoedig de overbevolking van zijn land heengebracht, de zodanigen, die hij wel graag wilde missen, en die hem tot knechten en de nog overgebleven Israëlieten tot meesters zouden zijn, en hier hebben wij een bericht van deze nieuwe inwoners, wier geschiedenis hier verhaald wordt, opdat wij afscheid kunnen nemen van Samaria, alsmede van de Israëlieten, die gevankelijk naar Assyrië gevoerd zijn.
I. Betreffende de Assyriërs, die in het land gebracht werden, wordt ons gezegd:
1. Dat zij in het bezit waren gesteld van Samaria, en in de steden ervan woonden, vers 23. Het komt dikwijls voor dat landen van eigenaars veranderen, maar het is treurig dat het heilige land een heidens land geworden is. Zie hierin wat de zonde doet.
2. Dat God bij hun eerste komst leeuwen onder hen zond. Waarschijnlijk was hun aantal onvoldoende om het land te bevolken, hetgeen maakte dat het wild gedierte boven hen vermenigvuldigde, Exodus 23:29 :maar behalve de natuurlijke oorzaak was er blijkbaar de hand Gods in, die de Heere van de heirscharen van alle schepselen is en Zijn eigen doeleinden kan doen dienen door welke van hen Hem behaagt, door kleinen of groten, door leeuwen of door luizen. God beschikte hun dit ruwe welkom, om hun hoogmoed en onbeschaamdheid te beteugelen en hun te doen weten dat, hoewel zij Israël hadden overwonnen, de God van Israël toch macht genoeg had om met hen te handelen, dat Hij hun vestiging in dit land had kunnen voorkomen door leeuwen te gebieden tot de dienst van Israël, en dat Hij hun vestiging toeliet, niet om de wille van hun gerechtigheid, maar vanwege de slechtheid van Zijn eigen volk, en dat zij thans onder Zijn bezoeking waren. Zij hadden in hun eigen land zonder God geleefd, en werden niet met leeuwen geplaagd, maar als zij dat doen in dit land, dan doen zij het op hun gevaar.
3. Dat zij wegens deze verdrietelijkheid een vertoog zonden aan de koning, hun meester, waarin zij waarschijnlijk het verlies blootlegden dat hun jonge kolonie door de leeuwen had geleden, en wezen op de voortdurende vrees waarin zij verkeerden, dat zij het beschouwden als een oordeel over hen omdat zij de God van het land niet aanbaden, hetgeen zij niet konden doen omdat zij niet wisten hoe zij Hem moesten aanbidden, vers 26. De God Israëls was de God van geheel de wereld, maar in hun onwetendheid noemen zij Hem de God van het land, en dat zij begrepen dat zij binnen Zijn bereik waren en wel graag op goede voet met Hem wilden zijn, hierin de Israëlieten beschaamd makende, die niet zo gereed waren als zij, om de stem van Gods oordelen te horen, en de God van het land niet hadden gediend, hoewel Hij de God was van hun vaderen, en hun grote weldoener, en hoewel zij wèl onderwezen waren in de wijze van Zijn aanbidding. Assyriërs verzoeken om onderwezen te worden in hetgeen de Israëlieten haatten te leren.
4. Dat de koning van Assyrië zorg droeg om hun de wijze van de God van het land te doen onderwijzen, vers 27, 28, niet uit enigerlei genegenheid voor die God, maar om zijn onderdanen van de leeuwen te verlossen. Te dien einde zond hij een van de priesters terug, die hij gevankelijk had weggevoerd. Een profeet zou hun meer goed gedaan hebben, want dit was slechts een van de priesters van de kalveren die daarom verkoos te Bethel te wonen, ter wille van de oude bekendheid, en hoewel deze hen kon leren beter te doen dan zij deden, was het toch niet waarschijnlijk dat hij hen goed onderwees om wezenlijk goed te doen, tenzij hij zijn eigen volk beter had onderwezen. Hoe dit zij: hij kwam onder hen wonen om hen te leren hoe zij de Heere moesten vrezen, of hij hen uit het boek van de wet onderwees of hun slechts mondeling onderricht gaf, is niet zeker.
5. Dat zij, aldus onderwezen zijnde, een gemengde godsdienst aannamen, de God Israëls aanbaden zij uit vrees, en hun eigen afgoden uit liefde, vers 33. Zij vreesden de Heere, maar dienden hun eigen goden, zij kwamen allen overeen om de God van het land te aanbidden naar de wijze, de Joodse feesten te houden en het ritueel van de offeranden aan te nemen, maar ieder volk maakte daarenboven ook zijn eigen goden, niet alleen voor hun eigen gebruik in hun gezinnen, maar om in de huizen van de hoogten gesteld te worden, vers 29. Van ieder land worden hier de afgoden genoemd, vers 30, 31. De geleerden weten de betekenis van verscheidene van deze namen niet aan te duiden, en zijn het onder elkaar er niet over eens onder welke voorstellingen deze goden werden aangebeden. Naar de traditie van de Joodse geleerden werd Sukkoth-Benoth aangebeden in een hen en kuikens, Nergal in een haan, Asima in een gladde geit, Nibhaz in een hond, Tartak in een ezel, Adrammelech en Anammelech waren slechts schakeringen van Moloch, de één werd voorgesteld als een pauw, de ander als een fazant. Sukkoth-Benoth (de naam betekent: de tent van de dochters) was waarschijnlijk Venus, Nergal, door de Perzen aangebeden, was het vuur. Zie hoe verijdeld afgodendienaars waren in hun verbeelding, en sta verbaasd over hun domheid. Zelfs onze onwetendheid omtrent deze afgoden leert ons de vervulling van het woord, dat God heeft gesproken: dat deze valse goden zullen vergaan, Jeremia 10:11. Zij zijn allen in vergetelheid begraven, terwijl de naam van de ware God tot in eeuwigheid zal bestaan.
6. Dit mengelmoes van bijgelovigheid wordt hier gezegd te bestaan tot op deze dag, vers 41, tot aan de tijd wanneer dit boek geschreven werd, en lang daarna, meer dan drie honderd jaren, tot aan de tijd van Alexander de Grote, toen Manasse, broeder van Jaddus, de hogepriester van de Joden, huwde met de dochter van Sanballat, de gouverneur of stadhouder van Samaria en tot de Samaritanen overging. Deze kreeg van Alexander verlof om een tempel op de berg Gerizim te bouwen. Daardoor trok hij velen van de Joden tot zich en bewoog de Samaritanen om al hun afgoden weg te werpen en alleen de God van Israël te aanbidden. Hun godsdienst was echter nog met zoveel bijgelovigheid vermengd, dat onze Heiland hun zegt: Gijlieden aanbidt wat gij niet weet, Johannes 4:22.
II. Betreffende de Israëlieten, die naar het land van Assyrië gevoerd werden: de gewijde geschiedschrijver heeft aanleiding om van hen te spreken in vers 33, aantonende dat hun opvolgers in het land deden zoals zij gedaan hebben, naar de wijze van de volkeren, die zij weggevoerd hadden, zij aanbaden beide de God van Israël en deze andere goden, maar wat deden de gevangenen in het land van hun verdrukking? Waren zij door hun beproeving en benauwdheid tot berouw en bekering gekomen? Neen, zij doen naar de eerste wijze, vers 34. Toen de twee stammen later gevankelijk naar Babylon gevoerd werden, zijn zij daardoor van hun afgoderij genezen, en daarom zijn zij na zeventig jaren met vreugde teruggebracht, maar de tien stammen werden in de vuuroven verhard, en daarom zijn zij er rechtvaardig in teloor gegaan, overgelaten om te vergaan.
Deze hun hardnekkigheid wordt hier verzwaard door de overweging: 1. Van de eer, die God hun heeft aangedaan als het zaad van Jakob, wie Hij de naam Israël gaf, en naar hem werden zij aldus genoemd, maar zij waren een smaad voor de eervolle naam, naar welke zij genoemd waren.
2. Van het verbond, dat met hen gemaakt was, en de last, die Hij hun gaf, die hier ten volle herhaald is, namelijk, dat zij de Heere Jehovah alleen, die hen uit Egypteland had opgevoerd, zouden vrezen en dienen, vers 36. Dat zij, Zijn inzettingen en rechten in geschrifte ontvangen hebbende, ze te allen tijde zouden waarnemen en doen, vers 37, en nooit het verbond zouden vergeten, dat God met hen gemaakt heeft, de beloften en voorwaarden van dat verbond, in het bijzonder het grote artikel er van, dat hier driemaal herhaald is, omdat het hun zo dikwijls was ingeprent, er zozeer op werd aangedrongen, dat zij geen andere goden zullen vrezen. Hij had hun gezegd dat Hij, zo zij zich dicht bij Hem hielden, hen redden zou uit de hand van al hun vijanden, vers 39, maar toen zij in de hand van hun vijanden waren en redding nodig hadden, waren zij zo stompzinnig, en hadden zij zo weinig begrip of besef van hun eigen belangen, dat zij naar de eerste wijze deden, vers 40, zij dienden de ware God en de valse goden, alsof zij er geen verschil in zagen. Efraïm is vergezeld met de afgoden, laat hem varen. Zo hebben zij gedaan, en zo deden de volken, die hen opvolgden, wèl mocht de apostel vragen: Wat dan? Zijn wij uitnemender? Ganselijk niet, want beide Joden en Grieken zijn allen onder de zonde, Romeinen 3:9.