Efeze 6:10-18
Hier is een algemene vermaning tot volharding in onze Christelijke loopbaan, en tot moed in onzen Christelijken strijd. Is niet het gehele leven een strijd? Zeker, want wij hebben te strijden tegen de gewone ongevallen des levens. Is niet onze godsdienst veel meer een strijd? Zeker, want wij hebben den strijd tegen de machten der duisternis, en tegen vele vijanden, die ons van God af en buiten den hemel houden willen. Wij hebben vijanden te bestrijden, een overste om voor te strijden, een banier waaronder wij strijden, en zekere krijgswetten, waaraan we ons te houden hebben.
"Voorts, mijne broeders, vers 10, nu rest nog u op te roepen tot uw werk en plicht als Christelijke krijgsknechten. Vereisten voor een krijgsknecht zijn dat hij stoutmoedig en wèlgewapend is. Zijt gij Christenen, zijt dan ook krijgsknechten van Jezus Christus.
I. Zij moeten er voor zorgen dat ze stoutmoedig zijn. Dat wordt hier genoemd: Wordt krachtig in den Heere enz. Zij, die zo menige strijd te voeren hebben en op weg naar den hemel met de punt des zwaards zich zo menige doorgang hebben te banen, hebben behoefte aan veel moed. Weest daarom krachtig, krachtig om te dienen, te lijden, te strijden. Laat een krijgsknecht zo wèlgewapend mogelijk zijn: indien hij achter die wapenrusting geen moedig hart heeft, zal ze hem weinig nut doen. Geestelijke kracht en moed zijn zeer noodzakelijk in onzen geestelijken strijd. Wordt krachtig in den Heere, zowel in Zijne zaak als door Zijne kracht. In ons zelven hebben wij geen voldoende kracht. Onze natuurlijke moed is enkel lafhartigheid, onze natuurlijke kracht louter zwakheid, al onze weerbaarheid is uit God. In Zijne kracht moeten wij voortgaan. Door daden des geloofs moeten wij genade en hulp van den hemel verkrijgen om ons instaat te stellen tot hetgeen wij uit ons zelven niet kunnen doen, in onzen Christelijken strijd en arbeid. Wij moeten ons aangorden om verzoekingen te weerstaan in het vertrouwen op Gods algenoegzaamheid en almacht.
II. Zij moeten wèlgewapend zijn. Doet aan de gehele wapenrusting Gods, vers 11, maakt gebruik van alle beschikbare verdedigingsmiddelen en wapenen, om de verzoekingen en omleidingen des Satans te weerstaan, verkrijgt en beoefent alle Christelijke genaden, de gehele wapenrusting. Laat geen deel naakt en aan den vijand blootgesteld zijn. Zij, die tonen willen genade te bezitten, moeten naar alle genade staan, de gehele wapenrusting. Zij wordt de wapenrusting Gods genoemd, omdat Hij haar bereidt en schenkt. Wij hebben van ons zelven gene wapenrusting, die in den tijd der verzoeking zal blijken proefhoudend te zijn. Niets zal ons staande houden dan de wapenrusting Gods. De wapenrusting is voor ons bereid, maar wij moeten haar aandoen, dat is: wij moeten bidden om genade, wij moeten de ons gegeven genade gebruiken, haar in werking stellen en bij elke gelegenheid oefenen. De reden, waarom de Christen geheel en al gewapend moet zijn, wordt ons dus omschreven: opdat gij kunt staan tegen de listige omleidingen des duivels, dat gij moogt instaat zijn het uit te houden, en door te komen, niettegenstaande al de aanvallen des duivels, beide van kracht en van bedrog, al de bedriegerijen, die hij ons voorspiegelt, al de strikken, die hij ons spant, al de listen, die hij tegen ons tewerkstelt. De apostel gaat hierop door en toont aan:
1. Wat ons gevaar is, en waarom wij deze gehele wapenrusting behoeven. Daartoe wijst hij ons op de soort van vijanden, met welken wij te doen hebben, den duivel en al de machten der duisternis. Want wij hebben den strijd niet tegen vlees en bloed, enz., vers 12. De strijd, waartoe wij ons moeten bereiden, gaat niet tegen gewone menselijke vijanden, niet enkel tegen mensen van vlees en bloed, ook niet tegen onze eigen bedorven natuur op zich zelve beschouwd, maar tegen de verschillende rangen der duivelen, die een regering over deze wereld uitoefenen.
A. Wij hebben te doen met een listigen vijand, een vijand, die hinderlagen en krijgslisten toepast, vers 11. Hij heeft duizenden middelen om onstandvastige zielen te verrassen, daarom is hij genoemd de arglistige slang, de oude slang, met het oog op zijn wijze van verzoeken.
B. Hij is een machtige vijand: overheden, machten en geweldhebbers. Zij zijn talrijk, zij zijn sterk, en regeren nu in de heidense volken, die nog in de duisternis zijn. De donkere plaatsen der aarde zijn de zetels van het rijk des Satans. Ja, zij zijn de heersende vorsten van alle mensen, die nog in een toestand van zonde en onwetendheid verkeren. Satans rijk is het rijk der duisternis, dat van Christus het koninkrijk des lichts.
C. Zij zijn geestelijke vijanden. De geestelijke boosheden in de lucht, of boze geesten, zoals sommigen vertalen. De duivel is een geest, een boze geest, en ons gevaar is des te groter omdat onze vijanden onzichtbaar zijn en ons aanvallen alvorens wij hen ontwaard hebben. De duivelen zijn boze geesten, en zij kwellen de heiligen met en zetten hen aan tot voornamelijk geestelijke boosheden, als hoogmoed, afgunst, nijd enz. Deze vijanden worden gezegd te zijn in de lucht, of in de hemelse plaatsen, zoals het woord eigenlijk beduidt, waarbij hemel betekent het uitspansel, de gehele ether tussen de aarde en de sterren, terwijl de lucht de plaats is vanwaar de duivelen ons aanvallen. Ook kan de bedoeling zijn: wij worstelen om hemelse plaatsen en hemelse dingen. Zo wordt het door sommige ouden uitgelegd. Onze vijanden trachten onzen gang naar den hemel te voorkomen, ons te beroven van de hemelse zegeningen, en onze gemeenschap met den hemel te verstoren. Zij vallen ons aan in de dingen, die onze zielen aangaan, en werken om het hemelse beeld uit onze harten uit te wissen, en daarom moeten wij voortdurend tegen hen op onze hoede zijn. Wij hebben behoefte aan geloof in dezen Christelijken strijd, omdat wij met geestelijke vijanden te worstelen hebben, zowel als aan geloof in ons Christelijk werk, omdat wij daartoe geestelijke kracht nodig hebben. Wij zien dus in hoe groot gevaar wij zijn.
2. Wat onze plicht is: te nemen en aan te doen de gehele wapenrusting Gods, dan ons te verdedigen en onze vijanden te weerstaan.
A. Wij. moeten weerstaan, vers 13. Wij moeten niet bukken voor Satans verlokkingen en aanvallen, maar hem weerstaan. Satan wordt gezegd tegen ons op te staan, 1 Kronieken 21:1. Indien hij tegen ons opstaat, moeten wij hem weerstaan, tegen hem over staan, deelnemen in den weerstand tegen den duivel. Satan is de Boze, zijn rijk is het rijk der zonde, Satan weerstaan is de zonde weerstaan. Opdat gij kunt weerstaan in den bozen dag, in den dag van verzoeking of van enige smartelijke droefenis.
B. Wij moeten onzen post verdedigen. En alles verricht hebbende, staande blijven. Wij moeten besluiten, door Gods genade niet voor Satan te wijken. Wederstaat hem en hij zal van u vlieden. Gaat achterwaarts en hij zal grond winnen. Indien wij onze zaak, onzen aanvoerder of onze wapenrusting mistrouwen, geven wij hem voordeel. Onze tegenwoordige roeping is de aanvallen des duivels te weerstaan en te doorstaan, en dan, alles gedaan hebbende wat goeden krijgsknechten van Jezus Christus betaamt, zal onze strijd eindigen daarmee, dat wij volkomen overwinnaars zijn. C. Wij moeten gewapend staan. Hierover handelt hij in den brede. Hier is een Christen in volkomen wapenrusting, en de wapenrusting is goddelijk. Wapenen des lichts, Romeinen 13:12, wapenen der gerechtigheid, 2 Corinthiërs 6:7. De apostel noemt de onderdelen van deze wapenrusting op, zowel voor verweer als voor aanval. De krijgsmansgordel, het borstharnas, de scheenplaten (of soldatenschoenen), het schild, de helm en het zwaard. Opmerkelijk is het, dat er geen wapen voor den rug wordt genoemd, zo wij den vijand den rug toekeren zijn wij ongedekt. Waarheid of oprechtheid is onze gordel, vers 14. Dat was voorzegd van Christus, Jesaja 11:5, dat: gerechtigheid zal de gordel Zijner lenden zijn, ook zal de waarheid de gordel Zijner lenden zijn. Datgene, wat de gordel van Christus was, moet de gordel van alle Christenen zijn. God eist waarheid, dat is oprechtheid, in het binnenste. Dat is de sterkte van onze lenden, ook houdt de gordel al de overige delen van de bekleding bijeen, en daarom wordt hij het eerst genoemd. Ik ken geen godsvrucht zonder oprechtheid. Sommigen verstaan het van de leer der waarheid en des Evangelies, die ons zo eigen moet zijn als een gordel aan de lenden kleeft, Jeremia 13:11. Dat zal alle vrijzinnigheid en wetteloosheid tegenhouden, zoals een gordel het lichaam saamhoudt en sterkt. Dit is des Christens gordel, zonder welken hij niet gezegend kan zijn. De gerechtigheid moet ons borstwapen zijn. Het borstwapen beschermt de levensdelen, bedekt het hart. De gerechtigheid van Christus, in ons uitgestort, is ons borstwapen tegen pijlen van den goddelijken toorn. De gerechtigheid van Christus in ons geplant, is ons borstwapen, dat ons hart beschermt tegen de aanvallen van Satan. De apostel verklaart dit in 1 Thessalonicenzen 5:8. Doet aan het borstwapen des geloofs en der liefde. Geloof en liefde omvatten alle Christelijke deugden, door het geloof zijn wij met Christus en door de liefde met onze broederen verenigd. Deze zullen ons ingeven een vlijtig waarnemen van onze plichten jegens God, en een rechtvaardig gedrag jegens onze broederen, in alle zaken van gerechtigheid, waarheid en liefde.
3. Bereidheid moet als de scheenplaten aan onze benen zijn. De voeten geschoeid hebbende met bereidheid van het Evangelie des vredes, vers 15. Schoenen of platen van koper of dergelijk metaal waren vroeger een deel van de wapenrusting, 1 Samuël 17:6, hun doel was de voeten te beschermen tegen haken en scherpe punten, die de vijand gewoon was op den weg te strooien om den opmars der troepen te bemoeilijken door hen zo te kwetsen, dat ze niet verder lopen konden. De bereidheid van het Evangelie des vredes betekent een bereid en besloten hart om het Evangelie aan te nemen en er bij te blijven, hetwelk ons zal in staat stellen om met geregelden gang in den weg der godsvrucht te lopen, niettegenstaande de moeilijkheden en gevaren, die daaraan verbonden zijn. Het wordt het Evangelie des vredes genoemd omdat het allerlei soort van vrede brengt, vrede met God, met ons zelven en met anderen. Er kan ook mede bedoeld worden datgene, wat de onderhouding van het Evangelie met zich brengt, namelijk boetvaardigheid. Daarmee moeten onze voeten beschut worden, want door een leven van boetvaardigheid en berouw worden wij gewapend tegen de verzoekingen der zonden en de bedoelingen van onzen groten vijand. Dr. Whitby meent dat de bedoeling van deze woorden is: Opdat gij voor den strijd moogt gereed zijn, weest beschut door het Evangelie des vredes, tracht naar dien vredelievenden en stillen geest, dien het Evangelie voorschrijft. Weest niet spoedig geprikkeld, komt niet spoedig tot twist, betoont alle vriendelijkheid en lankmoedigheid aan alle mensen, dat zal u zeker behoeden tegen vele grote verzoekingen en vervolgingen, gelijk de scheenplaten en koperen schoenen de krijgslieden vrijwaarden van klemmen enz. Het geloof moet ons schild zijn. Bovenal (vooral) aangenomen hebbende het schild des geloofs, vers 16. Dat is noodzakelijker dan al het andere. Het geloof is alles in alles voor ons in de ure der verzoeking. Het borstwapen beschermt de edelste delen, maar het schild kunnen wij voor alle leden houden. Dit is de overwinning, die de wereld overwint, namelijk ons geloof. Wij moeten ons ten volle overtuigd houden van de waarheid van al Gods beloften en bedreigingen, want zulk een geloof is van groot nut in alle beproevingen. Merk op dat het geloof is een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet, en gij zult erkennen van hoe groot nut het is voor bovengenoemd doel. Het geloof, dat Christus en al de voorrechten der verlossing ontvangt en genade van Hem verkrijgt, is gelijk een schild, een algemeen verdedigingsmiddel. Onze vijand de duivel is hier genoemd de boze. Hij is boos in beginsel en hij tracht ons boos te maken. Zijn verzoekingen worden pijlen genoemd, terwille van hun snelle en onberekenbare vlucht en de diepe wonden, die zij in de ziel slaan, vurige pijlen in vergelijking met de vergiftige pijlen, die in de gewonde delen ontsteking veroorzaakten, en zo werden genoemd naar de vergiftige slangen, die men vurige slangen heette. Hevige verzoekingen, waardoor de ziel als door vuur uit de hel ontstoken wordt, zijn de pijlen, die Satan op ons afschiet. Het geloof is het schild, waarmee wij deze vurige pijlen blussen moeten, waarin wij ze moeten opvangen en zo onschadelijk maken, opdat ze ons niet branden en ten minste geen blijvende schade berokkenen. Het geloof, handelend op het woord van God en daarop zich beroepende, handelende op de genade van Christus en die toepassende, blust de pijlen der verzoeking. De zaligheid moet onze helm zijn, vers 17, dat is de hoop, welke de zaligheid tot voorwerp heeft, zie 1 Thessalonicenzen 5:8. De helm beschermt het hoofd. Een goede, wèl-gefundeerde en wèl-gevestigde hoop op de zaligheid zal de ziel reinigen en haar vrijhouden van de besmettingen des Satans, en zij zal evenzeer de ziel vertroosten en haar tegen zijn verwarringen en folteringen beschermen. Hij wil ons martelen met wanhoop, maar een goede hoop doet ons op God vertrouwen en ons in Hem verheugen. Het Woord Gods is het zwaard des Geestes. Het zwaard is een zeer noodzakelijk en nuttig deel van de rusting des krijgsmans. Het Woord Gods is zeer noodzakelijk en nuttig voor den Christen, om den geestelijken strijd vol te houden en daarin te overwinnen. Het wordt genoemd het zwaard des Geestes, omdat het door den Geest ingegeven werd en Hij het werkend en machtig maakt, en scherper dan enig tweesnijdend zwaard. Gelijk Goliaths zwaard, dat zijn gelijke niet had, daarmee kunnen wij de aanvallers aanvallen. Bewijzen uit de Schrift zijn de beste bewijzen om verzoekingen te verslaan. Christus zelf weerstond er de verzoekingen des Satans mede. Er staat geschreven, Mattheus 4:4, 6, 7, 10. Dit woord, in het hart verborgen, zal voor zonde bewaren, Psalm 119:11, en zal de boze lusten en het verderf, die daarbinnen woelen, doden. Het gebed moet al de andere delen van onze Christelijke wapenrusting saamgespen. Wij moeten bij al deze genaden het gebed voegen, ter onzer verdediging tegen deze geestelijke vijanden, hulp en bijstand van God afsmekende, zo de nood dreigt, en wij moeten zonder ophouden bidden. Niet alsof wij niets anders te doen hadden dan te bidden, want er zijn ook andere plichten in onzen godsdienst en in onze samenleving die ook hun rechten hebben, maar wij moeten vastgestelde tijden van gebed hebben en die geregeld houden. Wij moeten bij alle gelegenheden bidden, en zo dikwijls onze of anderer omstandigheden dat vereisen. Wij behoren altijd in de stemming te zijn om te bidden, en moeten kleine gebeden tussen onze andere verrichtingen mengen en in onze dagelijkse bezigheden. Ofschoon bepaald en plechtig gebed soms minder doenlijk is, omdat andere plichten moeten betracht worden, kunnen korte verzuchtingen nooit ongelegen zijn. Wij moeten bidden met alle bidding en smeking, met alle soorten van gebed, openbaar, afzonderlijk, geheim, in en buiten gezelschap, plechtig en onvoorbereid, met alle delen van het gebed: belijdenis van zonden, dankzegging voor barmhartigheid, lofverheffing voor verkregen genade enz. Wij moeten bidden in den Geest, onze geesten moeten daarin werkzaam zijn en wij moeten het doen door de genade van Gods goeden Geest. Wij moeten tot hetzelve waken, er naar trachten om onze harten in biddende gestalte te houden, alle gelegenheden en alle aanleidingen er voor aangrijpen, wij moeten oplettend zijn op elke aandrang ertoe in ons hart. Wanneer God zegt: Zoek Mijn aangezicht, Psalm 27:8, moeten onze harten daarmee instemmen. Dit moeten wij doen met alle gedurigheid. Wij moeten in het gebed volharden, welke verandering ook in onze uitwendige omstandigheden komen moge, en wij moeten er mede voortgaan zolang wij in deze wereld leven. Wij moeten volharden in een bijzonder gebed, het niet kort afsnijden wanneer onze harten geneigd zijn het voort te zetten en er tijd voor is en onze omstandigheden ertoe roepen. Wij moeten eveneens aanhouden in bepaalde verzoeken, niettegenstaande mogelijke ontmoedigingen en afwijzingen. En wij moeten bidden met smeking, niet alleen voor ons zelven, maar voor alle heiligen, want wij zijn elkanders leden. Niemand is in deze wereld zo goed een heilige of in zulke goede omstandigheden, dat hij geen behoefte zou hebben aan het gebed, de heiligen hebben onze gebeden nodig en wij de hun. Thans gaat de apostel over tot het slot van den brief.