21. De genade van onze Heere Jezus Christus zij met u allen, Amen.
De begroeting aan het begin was met meer woorden, de wens aan het slot vat de kracht in weinige woorden samen. Johannes handelt hierbij als een, die zijn Heer tegensnelt en zich met niets meer ophoudt.
Volgens andere lezing staat er: "de genade van onze Heere Jezus zij met alle heiligen. " Daarmee zou worden gezegd, dat het boek een eigendom is van alle Christenen op aarde; dat wie ook maar tot het getal van heiligen behoort, het recht en de plicht heeft, daarin stichting te zoeken en rekenschap moet geven, hoe hij de daarin hem aangeboden middelen tot zaligheid heeft aangewend.
De genade van de Heere Jezus zij ook met ons en geleide ons stap voor stap in haar vrede en in haar kracht, totdat wij het grote doel, in dit boek ons voorgehouden, bereikt hebben. Amen; ja, ja zo zal het zijn!
De bijbel eindigt met een duidelijke verklaring van de godheid van Christus. De Geest van God dringt de apostel om Zijn Volk te zegenen in de naam van Christus en van Christus een zegen voor hen af te bidden; dit is een gepaste wijze van aanbidding. Niets moest door ons meer worden begeerd, dan dat de genade van Christus met ons zij in deze wereld, om ons voor te bereiden voor de heerlijkheid van Christus in de andere wereld. Door zijn genade moeten wij vervuld zijn met vreugdevolle verwachting van Zijn heerlijkheid, voor deze worden gevormd en bewaard; en Zijn glorierijke verschijning zal welkom en vreugdevol zijn voor hen, die hier deel hebben aan Zijn genade en gunst. Dat daarom ieder op deze veel verwachtende bede het Amen zegt. Laat ons ernstig begeren naar steeds groter mate van die genadige invloeden van de gezegenden Jezus in onze zielen en Zijn genadige tegenwoordigheid bij ons, tot Zijn majesteit Zijn genade jegens ons heeft volkomen gemaakt. Hij toch is een Zon en een Schild; Hij geeft genade en eer, geen goed zal Hij onthouden degenen, die in oprechtheid wandelt. Ere zij de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, als die was en is en zijn zal in alle eeuwigheid. Amen.
Eerst keert de apostel zich tot de Heere Jezus en geeft een zoete weerklank op de belofte van de Heere Jezus: Ja "Ik kom spoedig. " Hij vat die woorden op en in een hevig verlangen naar Christus' komst, beantwoordt hij ze met "Amen". Laat het zo zijn, het zij zo; mijn Heere Jezus, mijn heerlijke Jezus, mijn beminnelijke Jezus, mijn geliefde Jezus, mijn vriendelijke Jezus, al mijn licht, al mijn leven, al mijn vermaak, kom toch, ja kom spoedig. Daarna keert de apostel zich tot de gemeenten; en wenst haar de apostolische zegen, de genade van de Heere Jezus en dat Jezus hart en liefde tot hen zij en dat Hij uit Zijn volheid hen allen wille mededelen, zoveel ieder nodig heeft, om God te verheerlijken, om hun loop met blijdschap te eindigen en om hierna eeuwig verheerlijkt te worden. Daarop zegt hij: Amen, de Heere Jezus doe zo, ja Hij zal zo doen. De Heere bekrachtigt deze apostolische zegen op mij en op u allen, die dit leest of hoort lezen! Amen.
Uit Oost en West, uit Zuid en Noorden Roept God Zijn keurbende op ten strijd, De zee deinst rugwaarts in heur boorden, Dat zij haar het legerpad verwijdt. Zij staat gedost in het schitt'rend wapen Met waarheids zeegrijk staal gegord, De helm des heils omvangt heur slapen Met lichtpluimaadjen overstort.
Aanvaardt, o uitverkorelingen Het schild van het zondedelgend kruis; En laat dan de afgrond u bespringen Met ijdeldavrend slachtgedruisch. Hun moed, hun krachten zijn geweken, Hun kopren krijgsklaroen verstomt; Gods donder zal hun arm verbreken, De vuist, om het oorlogszwaard gekromd.
Ontplooi, u hel, uw veldbanieren, Schaar duizend-duizend in het geweer en vlei u vrij met zegevieren! Eén oogwenk slaat uw hoogmoed neêr. Eén oogwenk en de dorstende aarde Ligt overstelpt in het schuimend bloed en de arenden van Middelgaarde Verzaden het uitgehongerd broed.
Dan klinken u de lofbazuinen, O Sions Vorst, door zwerk en lucht; Dan schudden Bazans hoge kruinen En hupplen van het juichgerucht! Dan daalt de Rechter uit de wolken In glans, die de eng'lenglans verdooft en de aan het juk ontscheurde volken Erkennen het ongeschapen Hoofd!
Laat, Jezus, laat die heildag schijnen, De schepping zucht van het barenswee, Dat de aarde in stervensangst doet kwijnen; Verlossing, redding is haar bee. maar ja, U zult ze niet vergeten, Wier boezem angstig te Uwaart welt; De schakels van van de jaren keten Zijn in hun afloop haast volteld.
Rust midd'lerwijl getrouwe zielen, Die onder het altaar nog versmacht! God kent, die voor Zijn heilwoord vielen, Verbeidt u het loon, dat op u wacht. Nog and'ren moeten met u delen En sprengen het aardrijk met hun bloed. Nog and'ren zal het moordzwaard kelen, Eer het reddingsuur verschijnen moet.
O Almacht, leer het ons verbeiden, Met ootmoed, rust en hartevree, Ons zelf ten offer toebereiden Als lamm'ren voor het slachtmes reê. O, zuiver ons van wrok'verbitt'ren, Hoe fel getergd, verdrukt, gesmaad, Om eens in d' onschulddos te schitt'ren Van het hemelpriesterlijk gewaad!
Als een stemme veler waat'ren Hoordet u op Patmos rots Alle volken het loflied schaat'ren, Ziener voor de Zoon van God.
O, wat wonderzoet geluid! `t Riep voor u de nad'ring uit Van de dag, dat alle monden Alom Jezus' lof verkonden! Als het ruisen veler stromen Horen wij aan onze reê Vele stemmen tot ons komen Van de morgenlandse zee. Maar die stemmen juichen niet; Droevig klinkt haar klagend lied, Tot hoelang nog, eer onze oren Jezus' blijmaar van u horen?
Als het golven veler zeeën Ruisch die klaagstem langs ons strand en beweeg ons met de weeën Van het arme heidenland! Op, mijn volk, ter heirvaart op! Niet gerust, eer al de wat'ren Als op Patmos, het kruislied schat'ren.
SLOTWOORD OP DE OPENBARING VAN JOHANNES
Nadat wij aan het einde zijn gekomen van de uitlegging van dit boek, dat vooral in deze tijd zovelen getracht hebben te verklaren, zouden wij, zoals vele uitleggers hebben gedaan, voor de lezers het kunnen bejammeren, dat men bij de andere opvattingen die juiste verklaring niet vindt. Wij zouden, om voor zo'n verzekering geloof te vinden, ons kunnen beroepen op ons veeljarig onderzoek, op het nauwkeurig aanwenden van het goede, dat reeds aanwezig was en vooral op de nauwkeurige overeenstemming met de overige woorden van God, vooral met de Oud-Testamentische profetie en de eschatologische reden van Christus. Wij zien daarvan echter geheel af. De eerstvolgende toekomst zal het bewijs leveren, of wij goed hebben gezien of niet. Als het vóór het einde van deze eeuw er niet toe komt, dat de tegenwoordige Christenen geworden zijn tot de grote stad, op wier straten de lijken van de twee gedode getuigen onbegraven liggen, als dan niet zowel de tijd van genade voor de heidenen is ten einde gegaan en zo ook de tijd van Israël's straf geëindigd zal zijn, noch van de wederaanneming van dit volk ter vervulling van de uitspraak van Paulus in Romeinen 11:15 Ro het "leven uit de dode" ons ten deel zal worden, die wij van het doden van die twee getuigen niet kunnen afscheiden, dan moge onze uitlegging als vals en verkeerd terzijde worden gesteld tot die tijd moeten wij tegenover alle tegenspraak en aanvallen het woord van de apostel (1 Corinthiërs 4:5) stellen: "Oordeel niet vóór de tijd, totdat de Heere gekomen zal zijn. " Voor aanwijzingen en bijzonderheden en beter onderricht over deze en gene plaats zijn wij zeer toegankelijk en plaatsen ons uitdrukkelijk onder het oordeel ook van een menselijke gerechtsdag; maar over de opvatting in het algemeen en van het geheel hebben wij een zo vast vertrouwen op de juistheid in ons hart, dat wij onder de mensen niemand als rechter erkennen, maar om in een beeld te spreken, ons op de Keizer beroepen. Het zou nu zeker voor onze eigen ogen een wonder zijn, als het ons van de Heere gegeven mocht zijn, de hoofdpunten, waarover de Apocalyps handelt, juist op te vatten, omdat zelfs zulke mannen, als de grote Dr. Luther en ook in onze dagen vele geleerde en rijk begaafde schrijvers hebben beleden, dat zij zich in dit boek niet konden vinden. Het is echter de wijze van de Heere, dat Hij Zich verkiest, wat zwak is naar de wereld en wat niets is. Waar genade zichzelf wil verheerlijken, daar stelt zij zichzelf haar mate, hoe ver zij wil gaan. Het was echter nodig, dat voordat het tweede wee over ons komt, dat de Kerk doet ineenstorten, het heiligdom van de Schrift, deze tempel, die geen macht van deze wereld kan doen ineenstorten, tot een asiel voor alle verdrukte en beangstigde zielen werd gemaakt door een verklaring, die alle bijzonderheden behandelt en de vele beekjes van levend water, die zich in de gelovige harten van alle eeuwen van de Kerk uit de fonteinen van God hebben uitgestort, in een hoofdbedding leidt. Die leden van de evangelische Kerk, die getrouw en hartelijk de "rechtzinnige" belijdenis aanhangen, zullen het de schrijver niet makkelijk vergeven, dat hij in de eschatologie, of leer van de laatste dingen, een zo geheel andere weg is ingeslagen, dan die door die belijdenis is aangewezen; zij zullen misschien juist daarom gedeeltelijk met het bijbelwerk breken en het als een gave beschouwen, waarover zij zich lange tijd hebben verblijd, maar die zij nu, om hun zielen voor het vergif van een valse leer te bewaren, van zich moeten wegdoen. Tegenover deze treedt de nu zalige, zoals wij geloven, Wilhelm Löhe, die in zijn leven op aarde zo getrouw de Lutherse kerk aanhing, sprekend op en dekt met zijn gezag de schrijver. Deze schrijft in het jaar 1857 aan een prediker, die door de Missouri-Synode in Amerika om zijn chiliasme was buitengesloten, het volgende: "De leidslieden van de synode hebben zich aan Luther en de Lutherse theologen zo overgegeven, dat zij niet anders dan onder leiding van deze het Woord van God kunnen lezen. Hoe kunnen zij zien, omdat hun ogen zijn ingenomen en horen, omdat zij alleen een oor voor hun zegsmannen hebben? Toen ik jonger was, en de weg van de Lutherse kerk als juist erkende, deed ik ook, zoals de broeders in Missouri; ik nam om het grote en rechtmatige vertrouwen alles aan, wat zij zeiden en voldeed mij ook niet alles in mijn binnenste, ik waagde het toch niet, mijn eigen ogen te vertrouwen, als ik in Gods Woord las de mannen, die ik vertrouwde, gelijk moesten hebben, omdat ik mijn eigen oordeel niet durfde vertrouwen. In volgende tijd kon ik toch het licht van het Woord van God niet weerstaan, en hoe meer ik in hoofdzaken van het zuivere van de Lutherse leer overtuigd werd, des te meer erkende ik, dat God de Heere in onze dagen aan Zijn arme Kerk in sommige andere punten groter licht en helderheid wilde geven, dan onze vaderen hadden. Tot deze punten behoort ook het eschatologische, vooral wat de hoop van Israël, de duizend jaren en de terugkomst van de Heere aangaat. Evenals in het algemeen in exegese en historie, zo is vooral in de kennis van de profetie en van de profetische blik in de geschiedenis de nieuwere tijd gezegend en rijker begiftigd dan de 16de eeuw en die eeuwen, die er op volgden. Ik kom mij zelf niet voor als een afvallige, wanneer ik de gave aanneem, die God mij aanbiedt en haar niet daarom veracht, omdat mijn vaderen ze niet hadden. Ik geloof slechts hun wegen te gaan, als ik het Woord zelf volg en dat liever aanneem, dan de willekeurig spiritualistische uitlegging van vroegere dagen. Ik heb vele keer met genot de profeten en de Apocalyps gelezen en weer gelezen en juist het vergelijken van de profeten met de historie, met de geschiedenis van het rijk van God, heeft mij de ogen geopend voor de toekomst hier en daar. Ik heb de profetie van Oud- en Nieuw Testament zeer eenvoudig en woordelijk leren opvatten en niet alleen bevonden, dat op deze weg de hele theologie zeer bevattelijk is, maar ook, dat zij zeer harmonisch is. Terwijl bij de spiritualistische richting nauwelijks twee uitleggers overeenstemmen, heb ik tot mijn grote verwondering bevonden, dat mannen van de meest verschillende richting, wanneer zij eenmaal de spiritualistische verklaring hadden verlaten, op de weg van de eenvoudige opvatting tot dezelfde resultaten kwamen. Onlangs heeft iemand gemeend, dat er onder de theologen van betekenis in Duitsland nauwelijks twee waren, die met de mannen van de 16de eeuw in zake de eschatologie overeenstemden. Als de Augsburgse Confessie de Judaïserende meningen verwerpt, volgens welke voor de jongste dag enkel heiligen een wereldlijk rijk zouden hebben, dan deert dat, afgezien van de bijzondere meningen van de reformatoren, zeker niemand, die de tegenstelling heeft leren kennen, waarin de steen, zonder handen afgehouwen, staat tot de Kolossus van de wereldmonarchieën (Daniël 2:31); men kan de paragraaf van de Confessie ondertekenen, en wel uit grond van zijn hart, zonder daarom met de leraars overeen te stemmen, die met de schel de kern hebben weggeworpen. In aansluiting aan de oudste kerkleraars draagt Luther zelf de mening, door ons in "Re 13:18" en "Eze 40:47"aangenomen, voor, volgens welke de eindelijke voltooiing van het heil, de algemene opstanding van de doden en de herstelling van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde met het achtste duizendtal jaren van de wereld begint Lu 2:21. Als hij nu zo ook in aansluiting aan hen zegt Mt 25:30: "de wereld heeft nu 5500 jaren gestaan; nu zal binnen de 6000 jaren het einde komen", dan heeft hij zeker het 7de duizendtal niet opgenomen en daarom ook met de eerste opstanding en het duizendjarig rijk in Hoofdstuk 20:1-6 niets weten te beginnen, maar de oude kerkvaders gaven daaraan een plaats door het chiliasme. Dit was echter nog verkeerd, dat het duizendjarig rijk door hen van de hele Kerk werd verklaard, terwijl het volgens diepere beschouwing van de voorspellingen van de Schrift als de voorlopige heerlijkheid van de duizendjarige sabbat slechts op het sabbatsvolk van Israël betrekking heeft, zodat alleen de uit de heidenwereld geroepen uitverkorenen daaraan deel hebben, die met de eerste opstanding worden verwaardigd. Volgens het hele verband van onze verklaring is de Openbaring an Johannes geen kort handboek van de kerkgeschiedenis, waartoe men het vaak maakt en alle mogelijke gebeurtenissen daarin voorspeld heeft gevonden, maar een commentaar op de lof, waarmee Paulus een deel van de Brief aan de Romeinen besluit (Romeinen 11:33-36): "O, diepte van rijkdom, zowel van de wijsheid en van de kennis van God! hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen en onnaspeurlijk Zijn wegen! Want wie heeft de zin van de Heere gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest? Of wie heeft hem eerst gegeven en het zal hem weer vergolden worden? Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in van de eeuwigheid. Amen. " Met dit loflied zal zeker instemmen met dubbele vreugde en vertrouwen, die de uiteenzettingen over de toekomstige ontwikkeling van de zaken gelezen heeft en wellicht geeft de Heere genade, dat menige zegen daarvan uitgaat ook op Katholieken en Joden. Voor wij echter van het boek scheiden, willen wij nog de geschiedenis van zijn verklaring in haar verschillende perioden voor ons laten voorbijgaan en vooral ook de hoofdklassen van de nieuwe opvattingen ons voor ogen stellen. In de eerste eeuwen, eer de Christelijke Kerk, zolang zij nog onder de druk van de vervolgingen was en door de heidenen van alle zijden verdrukt en bestreden werd en het geloof in Christus' terugkomst tot oprichting van Zijn rijk op aarde in heerlijkheid het wezenlijk voorwerp en anker van de Christelijke hoop vormde, stelde men bijzonder belang in de voorspellingen van de Openbaring. Niet alleen had men vooral sympathie voor hetgeen men in Hoofdstuk 20:1, las van een voorlopig gebonden worden van de satan gedurende 1000 jaren en van een wonen en heersen van de uitverkorenen in het herbouwde en verheerlijkte Jeruzalem, maar ook een juist inzien in vele andere bijzonderheden. Hoewel voor het eschatologisch bewustzijn van deze tijd het einde zich onmiddellijk verbond voor die tijd, die door de Romeinse antichrist beheerst werd, omdat men van een tijd van erkennen van de Kerk in de Staat, van het christianiseren van die laatsten geen gedachten had, wordt reeds bij Laetantius (overl. omstreeks 330 na Christus) de overtuiging gevonden, dat het duizendjarig rijk aan het einde van het zesde duizendtal jaren van de wereldgeschiedenis komen zal, dat zeker voor hen een vrij nabijzijnde toekomst (na omstreeks 200 jaren) was. Met de omkeer, die de hele verhouding van de wereld ten opzichte van de Kerk verkreeg door de overgang van de keizer te Rome, van Constantijn de Grote, moest ook een geheel nieuwe periode in de opvatting en uitlegging van ons boek beginnen. Het heidendom was gevallen, de heidense wereldmacht was een Christelijke geworden, uit de strijd met Rome was Christus als Overwinnaar te voorschijn gekomen, Zijn gemeente was nu de beheerseres van de wereld. Het lag nu voor de hand, de voorspelling van een duizendjarige heerschappij van de heiligen voor reeds vervuld te houden en die van een eerste opstanding der doden te verklaren van de geestelijke opstanding van de Christenen krachtens hun doop (Romeinen 6:3). Zo kwam men op de gedachte, de 1000 jaren van het gebonden zijn van de satan van het begin van de Christelijke tijd te rekenen en het einde ervan te wachten met het einde van het eerste duizendtal jaren na Christus, waarop dan de verschijning van de antichrist en het einde van de wereld zou volgen. Daar men hierbij de hele samenhang van de apocalyptische gezichten en voorspellingen moest prijsgeven, volgens welke de 1000 jaren eerst na de heerschappij en de val van de antichrist intreden, hielp men zich met de mening van recapitulatie, dat namelijk die gezichten en voorspellingen niet in voortgaande opvolging van tijd de toekomst verkondigen, maar die in naast elkaar liggende beelden voorstellen en zo verschillende groepen ontstaan, waarvan elk de hoofdgedachte van een nieuwe zijde voorstelt. De eerste voorstelling van deze aldus veronderstelde wijze van cyclische voorstelling tegenover de chronologische, wordt gevonden in een commentaar, toegeschreven aan Victorinus, bisschop van Pettau een stad aan de Drau in Stiermark (leefde omstreeks het jaar 290 na Christus); maar welke zeker wel tot een latere tijd behoort en een andere schrijver heeft. Dezelfde gedachte beheerst ook de woorden van Augustinus en doet zich in onze tijd bij een groot getal verklaarders gelden, omdat zij het enige middel zijn, om het aannemen van een duizendjarig rijk, dat nog komen moet, te ontgaan en het kerkelijk zo verworpen chiliasme te ontkomen. De verwachting van het einde van de wereld met het einde van de 1000 jaren na Christus bracht dan ook inderdaad omstreeks het einde van de 10de en het begin van de 11de eeuw een grote beweging in de Kerk teweeg. In de 13de eeuw verkondigde paus Innocentius III zijn kruisvaarders, dat in Mohammed de antichrist sinds lange tijd verschenen was en dat, omdat het getal 666 in Hoofdstuk 13:18 de duur van diens heerschappij aanduidde, de val ervan snel kon worden verwacht. Weer was in de 14de eeuw de verwachting van het optreden van Gog en Magog en de komst van het laatste oordeel vrij algemeen onder de Christenen verbreid. Gelijktijdig echter ontwikkelde zich bij die partijen, die het bederf in de Roomse kerk erkenden en bestreden, de mening, dat in haar en de pauselijke tirannie het eigenlijke antichristische moest worden gezocht. De Waldensen stelden het begin van de 3 1/2 tijden van de antichrist, die zij op 350 jaren rekenden, op het jaar 1000 en kwamen zo tot het resultaat, dat het jaar 1350 zijn val moest aanbrengen. Alle dergelijke veronderstellingen en berekeningen zijn beschaamd geworden. Dat ligt echter niet aan de profetie, maar aan haar verkeerde behandeling, daar men haar orde omkeerde en aan haar woord die zin onderschoof, die eigen geest of vleselijke ijver aan de hand gaf. Daarom kon Luther in zijn tijd zeggen: "Velen hebben dat boek proberen te verklaren, maar tot op de huidige dag niets zekers aangeboden, sommigen vele dwaze dingen uit eigen hoofd erin gebrouwd. " Daarbij is hij, wat de grondstelling aangaat, die hij voor de uitlegging aangeeft, zeker reeds op de juiste weg, als hij schrijft: "Omdat het een openbaring moet zijn van toekomende zaken en vooral van latere verdrukkingen en smarten van de Christenen, menen wij, dat dit wel de meest veilige greep zal zijn, om de uitlegging te vinden, als men de geschiedenissen en onheilen, in de Christenheid voorgevallen, uit de historie nam en die naast de beelden hield en dus met de woorden vergeleek. Waar dit dan met elkaar rijmde en juist overeenstemde, zou men daarom kunnen bouwen als op een vaste en onverwerpelijke uitlegging. " Wat hem echter hinderlijk is geweest voor een doelmatige toepassing van deze grondstelling, is een drievoudige valse veronderstelling: 1) dat de paus met zijn Roomse kerk tegelijk de antichrist en de grote hoer was; 2) dat het binden van de satan gedurende duizend jaren begon met de tijd, waarin het boek werd geschreven en diensvolgens duurde tot Gregorius VII (van 1073-1085); en 3) dat de Kerk, uit de heidenen vergaderd, de bruid van het Lam of de vrouw was, die voor zich en door zich, zonder aan Israël, wat haar volmaking aangaat, gebonden te zijn, de belofte zou beërven. Bij deze veronderstellingen moest hij zonder twijfel tot een onoplosbare tegenspraak komen tussen het verloop der kerkgeschiedenis en de inhoud van de Openbaring n ten slotte tot een standpunt komen, waarop hij verklaart: "het hapert mij niet aan dit boek, dat ik het voor niet-apostolisch of profetisch houd; maar mijn geest kan zich in dit boek niet vinden, zodat ik het niet zeer hoog schat. " Nu heeft reeds Vitringa (overl. 1722) een nieuwe baan gebroken, omdat hij de 1000 jaren eerst laat beginnen, als het gericht over de antichrist is volvoerd en beide in de toekomst stelt. Als nu evenwel het chronologisch systeem door Albrecht Bengel (overl. 1751) met zo bewonderingswaardige scherpzinnigheid opgebouwd, als verkeerd bewezen is en velen een voorwendsel heeft aan de hand gedaan, om aan het apocalyptische getal geen waarde te hechten, zo heeft hij toch aan de andere zijde de ware orde van de laatste dingen: antichrist, 1000 jaren, einde van de wereld, voor diegenen, die liever de kerkelijke traditie dan de dadelijke zin van de woorden van de Heilige Schrift ten offer brengen, eens voor altijd tegenover willekeurige verplaatsing duidelijk in het licht gesteld en velen moed gegeven, op andere wijze de oplossing van de getallenraadsels te beproeven. In latere tijd wordt nu ook eensdeels de juiste onderscheiding tussen de antichristische wereld-macht en de antichristische kerkmacht, tussen de persoonlijken antichrist en de beheerser van het laatste wereldrijk en de tot hoer geworden vrouw in het pauselijk Rome, aan de andere zijde de betekenis van Israël, als het eigenlijke volk van de geschiedenis van het heil tegenover de volken van de heidenwereld in de kerkgeschiedenis, steeds meer erkend. De kerk-geschiedkundige opvatting zal zeker in de strijd, die zij met de tijd- en eind-geschiedkundige nog moet doorstaan, de overwinning behalen, waarvan de een het zwaartepunt van de voorspelling op de periode van het gericht over Joden en heidendom, onmiddellijk volgend op het schrijven van het boek, de andere op de antichristische tijd, onmiddellijk voorgaande aan die van de toekomst van de Heere legt. De gedaanten, die de kerkelijke en staatkundige toestanden steeds meer aannemen, zullen ook de harten hoe langer hoe meer van alle illusies over de toekomst bevrijden en de ogen steeds meer op Jeruzalem vestigen, die onzer aller moeder is.
Zoals de Heere, van wie het getuigt, is het Openbaringsboek voor dezen een steen des aanstoots, voor genen een rots van hoop geweest. Door alle eeuwen heen beurtelings op de hoogste prijs geschat en op de ondankbaarste wijze miskend, vond het maar al te zelden lezers en uitleggers, die niet wijs wilden zijn boven of beneden, buiten of tegen hetgeen hier geschreven was. Pas in latere tijd heeft men zijn volle waarde begrepen en, bedachtzaam geworden door anderer schade, zich gewacht voor menige klip, vermaard door noodlottige schipbreuken. Geheel de Apocalyps is een doorlopende verklaring van het woord, dat de Opgewekte in het Evangelie doet horen: "Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde"; en ook dit behoort tot de goddelijke harmonie van de Nieuw-Testamentische Schrift, dat juist het laatste boek van het Nieuwe Verbond ons de volle verwezenlijking doet aanschouwen van de grondgedachte, waarvan reeds het eerste is uitgegaan: Jezus, de Gezalfde Koning, vanouds door de profeten beloofd. Wat daar wordt uitgesproken, wordt hier op treffende wijze vervuld: "U zult de Zoon des mensen zien, gezeten aan de rechterhand van de kracht van God en komende op de wolken van de hemel". Maar ook nergens luider dan in de Openbaring wordt de Heere vermeld als het Lam, dat geslacht is. Nog met de tekenen van Zijn bloedige slachting versierd, ziet Johannes de Verheerlijkte in de hemel verschijnen, terwijl hij straks aan datzelfde Lam in één adem het verenigd lied van hemel en aarde hoort wijden. Er is nauwelijks twijfel aan, of het is bepaald als offerlam voor de zonden van de wereld geslacht, dat hij zich de Gekruisigde van Golgotha denkt. Als zodanig geslacht heeft Hij de gelovigen gewassen in Zijn bloed, d. i. hen ontzondigd, zoals de Israëliet door het bloed van het offerdiers werd, en hen zo van de schuld en straf van de zonde ontheven. Maar tevens zijn zij door Hem voor God gekocht, zodat zij nu geheel zijn eigendom zijn en uit vrije liefde Hem dienen. En wel verre, dat Johannes de zegen van die verlossing binnen enge grenzen beperken zou, stelt hij haar deelgenoten ook in dit zijn Openbaringsboek voor als verzameld uit alle geslachten, talen, volken en natiën. Geen anderen worden toegelaten voor de troon van God, dan die een even stoute als ondubbelzinnige beeldspraak hun lange kleren gewassen en wit gemaakt hebben in het bloed van het Lam. Voegen wij hier nog bij, dat ook volgens de Openbaring an Johannes, het water des levens wordt te drinken gegeven om niet en dat, zowel aan de aanvang als aan het einde, de genade van de Heere Jezus Christus aan Zijn verlosten wordt toegebeden, dan zal het wel nauwelijks aanwijzing nodig hebben, dat ook hier geen andere voorstelling van het werk van de verzoening ten grondslag ligt, dan wij elders herhaaldelijk in meer ontwikkelde vorm hebben aangetroffen. Wat hier voor ons ligt, is in geen deel de schepping van een ontgloeide fantasie, maar de vrucht van een hemelse ontdekking van wat geen oog gezien, geen oor op aarde gehoord had. Verliezen wij dit uit het oog, dan is Johannes, die de vrucht van zijn eigen nadenken mededeelt, of een ijdele dromer of een snode bedrieger geweest. Erkennen wij daarentegen in de Apocalyps het eigen woord van de verheerlijkte Heere, het zal in ons niet opkomen, hier slechts subjectieve verwachtingen van de toekomst te vinden, reeds weinige maanden na de geboorte verijdeld. De vervulling van het gesproken woord blijven wij even zeker verbeiden als wij geloven in Hem, die het einde is van de profetie, niet slechts van het Oude, maar ook van het Nieuwe Verbond. En voorts de strijd tussen hen, die hier slechts de onrijpe vrucht van Joods-gezinde verwachtingen, en anderen, die hier niets minder dan de trouwe schets vinden van de ontknoping van de wereldgeschiedenis, kan slechts door de uitkomst beslist worden. Zolang de Heere nog niet teruggekomen is, moeten zij, die de grote dag met opgeheven hoofde verbeiden, zich getroosten als dwazen te worden veracht door de wijzen, die in eigen schatting veel hoger staan en veel dieper in de aard van het godsrijk en zijn toekomstige ontwikkeling staren dan Johannes, toen hij het Openbaringsboek schreef. Ook ten aanzien hiervan geldt het woord van de ziener: "Hier is de lijdzaamheid en het geloof van de heiligen". Maar Hij is getrouw, die daar spreekt: "zie Ik kom spoedig" en het uur is nabij, die zal staven, dat het vonnis, over allen geveld, die tot de woorden van dit boeks willekeurig toe of afgedaan hebben, meer was dan een ijdele klank!
Het is een vernederend boek voor hen, die alleen hun weetlust willen voldoen, maar het hart, dat waarheid en lering zoekt, vindt er de liefelijkste voldoening in.
De verborgenheden van de Heere zijn voor hen, die Hem vrezen; God houdt ze voor de wijzen en verstandigen verborgen en openbaart ze de kinderen; daarom sprak Jezus in Zijn wandeling op aarde veel door gelijkenissen, opdat de wereld het niet zou verstaan; maar de Zijnen maakte Hij het bekend; daarom is ook de Openbaring p een wijze beschreven, die wel in zichzelf uitmuntend duidelijk en allergepast de zaken uitdrukt, maar die voor de wereldlingen deze zaken verbergt; maar God openbaart Zijn kinderen daardoor de dingen, die haast geschieden moeten, om hen in het geloof te versterken. God wil dat Zijn kinderen naarstigheid zullen aanwenden, om door opmerking, nasporing, lezen en horen tot het verstaan van de Openbaring e komen, waarin zoveel heil en nuttigheid tot geloof, vertroosting en heiligmaking is opgesloten, zeggende: Zalig is hij, die leest en zijn zij, die horen de woorden van deze profetie en die bewaren hetgeen in deze geschreven is.
Dit schrift, hoewel het als profetisch bericht, sprekend van toekomstige zaken, vele plaatsen heeft zwaar om te verstaan, is nochtans vol goddelijke leringen, dienende tot weerlegging van vele ketterijen, die toen reeds op de baan gebracht waren en strekt inzonderheid om de gemeente van Christus te onderrichten wat zwarigheden haar van de duivel en zijn instrumenten en voornamelijk van de antichrist en diens dienaren na die tijd zouden overkomen en de zware straffen, die de vijanden van de gemeente van tijd tot tijd en inzonderheid in het laatste oordeel, hadden te verwachten, mitsgaders de wonderbare verlossingen, die God van Zijn gemeente ook van tijd tot tijd zou bewijzen en inzonderheid de goede uitkomst en overwinning over allen, die de onuitsprekelijke heerlijkheid en gelukzaligheid, die zij na Christus' komst ten oordeel in het hemels Jeruzalem in de eeuwigheid genieten zouden. Het boek wordt geschikt in drie delen verdeeld. Het een is een voorrede, begrepen in de acht eerste verzen van het eerste hoofdstuk. Het tweede is een verhaal van de profetische gezichten en voorspellingen van de dingen, die van die tijd af de gemeente van Christus tot het einde van de wereld zouden overkomen, voortgaande tot het zesde vers van het laatste hoofdstuk. Verder wordt tot aan het einde van het boek de verzegeling en het besluit van het boek, alsook van het hele Nieuwe Testament verhaald. Aangaande nu de voorspellingen, beginnend van het negende vers van het eerste hoofdstuk en eindigend met het zesde vers van het tweeëntwintigste hoofdstuk, die worden onder verschillende afdelingen en profetische gezichten voorgesteld, waarvan enige dergelijke ook bij de profeten van het Oude Testament, als bij Jesaja, Ezechiël, Daniël, Zacharias en anderen worden gevonden. Als het God beliefd heeft de dingen, die toekomend zijn, wel soms met duidelijke woorden, maar soms ook met duistere afbeeldingen en gezichten voor te stellen, om onze naarstigheid in het onderzoeken daarvan meer op te wekken, alsook om de grootheid en het gewicht ervan meer aan te wijzen, zo doet Hij ook hier in het bijzonder door Johannes, omdat in deze profetie vele dingen voorkomen aangaande de plagen en veranderingen van het Roomse rijk, die daaraan aanleiding zouden hebben gegeven, om de Christenen te zwaarder te vervolgen. Daarom bezigt ook Paulus, als hij in 2 Thessalonicenzen 2 van diezelfde zaken handelt enige bedekte wijzen van spreken. De gezichten nu, die in de voorspellingen voorkomen, zijn inzonderheid zeven. Het eerste gezicht beginnende met het negende vers van het eerste hoofdstuk en voortdurende tot het einde van het derde, beeldt ons Christus af in Zijn koninklijke en priesterlijke staat, wandelend onder de zeven kandelaren of gemeenten, mitsgaders Zijn geboden, die Hij geeft om te schrijven aan de zeven gemeenten van Azië, waaronder Johannes meest had verkeerd met de zendbrieven zelf aan die gemeenten. Het tweede gezicht is een gezicht van Gods heerlijkheid, zittend op Zijn troon en van het Lam staande op de troon, omringd door vierentwintig ouderlingen en van vier dieren, met het boek, verzegeld met zeven zegels; en de wonderen, die na het openen van elk zegel in de wereld geschied zijn; welk gezicht duurt tot het einde van het zevende hoofdstuk. Het derde gezicht is de verschijning van de zeven engelen met hun bazuinen; de ene na de anderen volgende, dat duurt tot het einde van het elfde hoofdstuk. Het vierde gezicht is het gezicht van de vrouw, die in barensnood is en door de draak vervolgd wordt, tot in de wildernis en van de twee beesten, die de heiligen vervolgen, die van het Lam, staande op de berg Zion met zijn gezelschap van honderd vierenveertig duizend, dat hem volgt, worden weerstaan, begrepen in het 12de, 13de en 14de hoofdstuk. Het vijfde gezicht is het gezicht van de zeven schalen en de plagen, die uit deze schalen worden uitgestort op de troon van het beest. Daarop volgt in het zesde gezicht de afbeelding van de grote hoer van Babel, zittende op het beest met zeven hoofden d. i. op de stad met zeven bergen en van het zwaar oordeel van God over haar en over het beest, mitsgaders het triomflied van de hemelse schaar, die met Christus, haar Hoofd vergezelschapt zijn, over haar oordeel, begrepen in het 17de, 18de en 19de hoofdstuk. Het zevende gezicht stelt voor de binding van de satan voor duizend jaren met zijn loslating voor een korte tijd en de voleinding van alle dingen daarop gevolgd, door het laatste oordeel van God over de duivel, de dood en alle goddelozen en door de neerdaling van het hemelse Jeruzalem tot een heerlijke en eeuwige woonplaats van alle uitverkorenen, begrepen in het 20ste, 21ste en in het eerste deel van het 22ste hoofdstuk
SLOTWOORD
Gadeloos ben ik ingenomen met de arbeid van hen, die mijn bijbel verklaren, die soms vrucht van ettelijke dagen arbeid in één uur uitstorten in mijn schoot, die in hun eenzaamheid zoveel moeite doen, om mij mijn bijbel duidelijker te doen verstaan. Hoe gaat mijn ziel ter maaltijd, omdat ik merk, dat opzettelijke bijbelverklaring hun hoofdzaak is en dat de leiding van de gedachte, die zich schikt naar de Geest in het woord, boven alle andere ontwerpen in hun schatting ver de beste is. En hoe huppelt mijn hart van blijdschap, wanneer ik door hun voorstel donkerheden zie weggeruimd, de bedenkingen van het beschouwend ongeloof weggevaagd; wanneer ik de oneindige wijsheid van de sprekers in Zijn woord, in verse proeven, die mij nooit voor de aandacht kwamen, mag opmerken en voelen onder de prediking. Eén enkele leerrede schept soms duizend hemelen in mijn hart en doet mij onder dat genot al vast verlangen naar een nieuwe gelegenheid. Ik loof de God van de hemel, die zo'n toestel verordende, zo'n onderstand, om mij in Zijn onschatbaar woord dieper in te leiden. Ik zegen met een hart, dat van liefde bloedt, die mannen, die zoveel arbeid doen om mijn heil te bevorderen. Ik schaam mij, dat mijn voorbiddingen voor hen bij de troon zo schaars zijn. Ik buig mijn knieën voor God met die bede, dat elk van hen de eerste zegen, de uitgebreidste, de belangrijkste voor zich zelf wegdraagt. Och! dat ik nooit een enige van Gods knechten veracht, bedroef, hem zijn werk al zuchtend doe verrichten! Och, dat niemand van hun reden krijgt, om bij de troon van zijn Zenders een beklag te doen over mijn behandeling! De leraren zijn mijn bezittingen, zij allen. Zo lees ik op de lijst, die Paulus naliet: "Alles is van uw: Paulus, Apollos, Cefas. " Laat mij hen liefhebben omwille van hun werk: hun werk, de verklaring van mijn dierbare bijbel. Dierbare bijbel! Elk, die mij in u te verstaan, in u te geloven, in u te beleven bevorderlijk is, is mij dierbaar. Gevoelig ben ik ingenomen met al de hulpmiddelen, die mij omringen in mijn eenzaamheid en mij in het heilzaam gebruik, dat ik van mijn bijbel maak, bevorderlijk zijn. Van welk een uitgebreide dienst zijn mij soms de beknopte ophelderingen, die ik op de kant van mijn bijbel vond! Een opstel zeker, waarin zoveel oordeelkunde doorstraalt. En wat een aantal van geleerde mannen heeft van tijd tot tijd in hun schriften alles aangewend, om door hun ophelderingen mij voor te lichten, zaken mij te doen opmerken, waarop mijn aandacht zeker niet gevallen zou zijn, zwarigheden weg te nemen. Met kleine omslag vraag ik hun gevoelen. Elk is even gereed om mij te helpen en soms vind ik in enige weinige regels het merg van overdenkingen, die dagen duurde! Weldadige God! roep ik uit, wat een onderstand beschikt U mij Zijn de schrijvers wier arbeid ik gebruik, reeds ten grave, ik eer hun gedachtenis in een dankbaar hart. Zijn zij nog onder de levenden, mijn hart zegent hen, en ik bid, dat hun zegenende zielen vet gemaakt worden en dat zij, die bevochtigers van anderen en mijn bevochtigers zijn, zelf mogen worden tot een vroege regen Dierbare bijbel! Klim, klim in mijn schatten al hoger en hoger op! Stond het aan mij, ik bezorgde u in de schatting van al mijn mede-zondaren, de hoogste plaats! Hoe meer ik u leer kennen, hoe minder ik over de liefde, die ik u toedraag, voldaan ben. Mijn hart weent en bloedt in mijn binnenste, omdat duizenden, de duizenden verdubbeld, u zo koel behandelen, zou men billijk verwachten, dat elk vliegen zou naar de vergaderingen, waar u wordt uitgelegd; ik betreur de ondankbaarheid van hen, die hun oren afwenden. Ik voel de hoon, die u en uw aanbiddelijke Ingever wordt aangedaan. Ik zou elk wel willen toeroepen: Hoort wat geest en woord tot de gemeente zeggen! Leraren te bedroeven is berispelijk in mijn oog, maar het is weinig, als ik het vergelijk met de smaad, die men door u te verachten, uw aanspraken niet te willen horen, de God van de hemel aandoet. O mijn bijbel! o mijn God, van wie ik hem heb. Was mijn geheel bestaan in ruimere mate een vergoeding voor die hoon! Dierbare bijbel! Verzel mijn treden al de tijd, die mij overig is in het vlees te leven. Geen enkele dag, geen uur, geen ogenblik kan ik u missen. Verlaat mij nimmer! Op u zal ik in stervensnood mijn bezwijkend hoofd neerleggen: uit u de wapenen ontlenen, bij het voeren van de jongste strijd. Afscheid zal ik in zeker opzicht van u nemen bij mijn vertrek naar de hemel en bij de aanvaarding van een onderwijs, dat onmiddellijker zijn zal; maar in een ander opzicht zult u Mij vergezellen naar de woningen van eeuwig licht. Zal ik daar het licht van het indirect onderwijs niet meer nodig hebben, zal het Lam zelf de fakkel zijn, dat fakkellicht zal op u, mijn bijbel! eeuwig vallen. Mijn bijbel. Dan zal ik u pas echt verstaan, dan zult u in nadruk voor mij een open boek zijn. Dan zal ik in een ogenblik weer wonderen in u zien, dan de bekwaamste uitlegger mij nu in duizend doordachte leerredenen zeggen kan. Wat een uitzicht! Mijn bijbel! Ik druk u aan mijn hart. Mijn tranend oog besproeit u! Ik leg mijn rechterhand op u! Ik zie omhoog! Ik loof uw Gever! Nu kan ik niet meer! Dierbare bijbel!
De heilige schriftuur is evenals de zichtbare schepping, evenals het menselijk lichaam een geheel, een organisch, een levend geheel, waarin ieder lid zijn belangrijke, zijn noodzakelijke plaats vervult, ja alle samenvoegsels en samenbindsel wezenlijk zijn, immers leven hebben en waarvan met nadruk gelden mag: "Hetgeen God samengevoegd heeft scheidt de mens niet. " Zeer bepaald geldt dit voor de twee grote afdelingen van de Schrift, het Oude en Nieuwe Testament. Men spreekt soms alsof het Oude slechts een tijdelijke waarde had en gehad heeft, totdat het Nieuwe kwam, om het te verdringen, om het onder zijn uitnemend gewicht te verpletteren of althans terzijde te stellen als van ondergeschikt belang. En zeker, het Oude Testament is bij het Nieuwe van een ondergeschikt belang, maar van een ondergeschikt belang van een breed fundament, van een onderste verdieping, waarop het verdere gebouw oprijst; neem het weg alles stort in. Of zou het Nieuwe Testament een nieuw huis zijn, naast het oude opgericht en dat overgevend aan verval en verwoesting, ten hoogste aan de belangstelling van hem, die eerwaardige bouwvallen liefheeft? Geenszins, veeleer de verheven koepel op het statig gebouw, alle wiens stijlen en bogen door dit gebouw gedragen worden en die in een hoog en door de zon bestraald toppunt al de lijnen, die uit de grondslag opgaan, voor het oog van de kenner verenigt. Als God in de loop van twintig eeuwen Zijn werklieden opmaakte en dat gebouw van verdieping tot verdieping liet optrekken, had niemand inzage van Zijn bestek, maar elke verdieping profeteerde van de volgende en deed iets vermoeden van het voltooid geheel. Heerlijk staat dat geheel nu voor ons, de wijsheid van de goddelijke Bouwheer tot een getuigenis. Wij doorwandelen het met verrukking en klimmen bewonderend de heilige trappen op en af. Wie is de engel, wie de meer dan aardse, de goddelijke persoonlijkheid, wiens beeld wij op alle verdiepingen terugvinden, altijd hetzelfde maar steeds duidelijker, steeds krachtiger, steeds levendiger getekend? Wie is Hij, wiens indrukwekkende figuur en schone lijnen, als uit de nevel van menige schets, op de hoogste galerij volmaakt aan het licht treden? Naar Zijn naam wordt beneden gevraagd; op een hoger omgang geraden; maar in blinkende letters leest men die op de top. Daar treedt voor het: "wat vraagt u naar Mijn naam? die is Wonderlijk, de verkondiging in de plaats van Jezus Christus, de Zoon van God, het zaad van de vrouw. Het woord van God is begeerlijker dan goud, ja dan veel goud, immers is het een zaad boven goud te schatten; onvergankelijk als goud, maar door een andere onvergankelijkheid; geen handvol glinsterend stof van ofir van geslacht tot geslacht bij erfenis vermaakt: maar een handvol tarwe van Kanaän, van lente tot lente gezaaid en voor geslacht op geslacht vrucht voortbrengend, dertig, honderdvoud!
Er wordt een boek door de wereld verspreid, dat met geen ander schrift van vroeger of later eeuw zelfs van verre kan vergeleken worden. Naar de behoefte van iedere bewoner van de aarde berekend, is het tevens bestemd voor alle geslachten, talen, volken en natiën. Het heeft een geheel eigenaardige geschiedenis, een gans bijzonder karakter, een alles overklimmende waarde. Zijn eerste bladzijden zijn beschreven in de woestijn van Arabië en op de grenzen van Kanaän; het is voortgezet, nu in het paleis van Jeruzalem, dan in de profetenschool van Rama of van Jericho, straks van de stromen van Babel, later in de kerker te Rome; het is besloten op een afgelegen eiland in het hart van de Egeïsche baren. Toen het beschreven begon te worden was nog geen wijsgerig of godsdienstig stelsel in schrift gesteld; toen het voltooid werd was reeds een nieuwe wereld in plaats van de oude verrezen. Meer dan veertig mannen van verschillende geaardheid, ontwikkeling, afkomst, koningen en herders, vissers en tentenmakers, tollenaars en medicijnmeesters, profeten en priesters, veldheren en vredeboden, hebben een groter of kleiner aantal van die bladen op hun wijze beschreven. En toch, uit al die verschillende bestanddelen ontstond een onnavolgbaar geheel, dat bij iedere beschouwing steeds hoger bewondering wekt. Het is uit de oude tijd naar de Middeleeuwen, uit de Middeleeuwen overgebracht naar de tegenwoordige eeuw en het schijnt voor wie het recht bepeinst en waardeert, nog zo nieuw, als was het pas gisteren beschreven. Zoals de Heere, van wie het getuigt, is het geworden uit de Heilige Geest, van lieverlede en trapsgewijs toegenomen en bij zijn intrede in de wereld met de onmiskenbaarste bewijzen van Gods hoge goedkeuring toegerust. Zoals Hij, had het beurtelings de strijd te bestaan met Farizese trots en Sadducese lichtzinnigheid, maar om over beiden te zegepralen. Zoals Hij, is het voor vijandige rechters gedaagd, door valse getuigen beschuldigd, door zwakke vrienden verloochend, door lafhartige dienaars verraden, door lage spotters gegeseld, veroordeeld, gestorven; begraven. Maar even zoals Hij weer, werd het opgewekt na ieder smadelijk vonnis en verhoogd na iedere nieuwe vernedering en op de troon van de eer geplaatst, ofschoon het ook zoals de Heere bij Zijn hemelvaart, met een geheimzinnige wolk schijnt omtogen, ja zoals het geloof de meest luistervolle openbaring van de heerlijkheid van Christus pas van de toekomst verwacht, zo juicht het ook de tijd tegemoet, dat dit boek, ongedeerd uit de handen van ongeloof en twijfel gekomen, voor aller oog de geheel enige plaats zal bekleden, die de God van de waarheid daaraan kennelijk toegedacht heeft. Kent u dat boek, waarvan wij spreken? "Wie zou het niet kennen", zo hoor ik antwoorden; reeds heeft op de lippen de naam van de bijbel gezweefd. Ik heb dat antwoord verwacht en toch, ik herhaal de vraag: Kent u dat boek? Want, zegt u, tussen het weten, dat al het gezegde op de bijbel toepasselijk is en het echte kennen van de bijbel bestaat een onafzienbaar verschil, en, als die stomme bladeren spreken konden, wij geloven, dat zij aan menigeen, die ze geheel zijn leven bezat, de vraag zouden richten: "Ben ik zo lange tijd met u en heeft u mij nog niet gekend? " Het schijnt een onbillijk verwijt, dat er ook onder ons nog maar al te velen gevonden worden, zoals de Emmausgangers, onverstandigen en tragen van hart, om te geloven al wat Mozes en de profeten, wat Jezus en de apostelen spraken. En toch durven wij vrijmoedig beweren, dat de Heere, als Hij persoonlijk in ons midden verscheen, aan sommigen het woord zou doen horen, waarmee Hij eenmaal Zijn Sadducese aanvallers afweerde: "U dwaalt, niet wetend de schriften, noch de kracht van God! " Ook naar hetgeen er in de gemeente van de Heere tot verspreiding van het licht van de waarheid gedaan wordt, blijft gebrek aan waarachtige en grondige bijbelkennis een van de grootste vlekken, die haar in Zijn ogen ontsieren en tevens een van de eerste bronnen van zoveel dwaling en zonde, als in haar schoot wordt gekweekt. Wij weten het, door zuivere kennis van de heilige schiften alleen zal niemand in waarheid een onderdaan van Gods Koninkrijk worden en niet die Zijn wil geweten, maar die Zijn wil gedaan heeft, wordt door Jezus zalig gesproken. Maar wij weten insgelijks, dat de kennis de onmiskenbare grondslag is, waarop het gebouw van het geloof moet verrijzen en dat de waarheid helder voor de geest gestaan moet hebben, zal zij krachtig het hart doordringen en in het leven haar vrucht openbaren. Wij menen, dat de Heere niet enkel Zijn tijdgenoten opgewekt zou hebben om de schriften te onderzoeken, die van Hem naar waarheid getuigen en dat Petrus zeker nog de raad niet terugnemen zou, die hij aan de nieuw geboren kindertjes gaf, dat zij zeer begerig zouden zijn naar de redelijke, onvervalste melk van Gods Woord, opdat zij daardoor opgroeien mochten. Wij moeten het zelfs onwillekeurig betreuren, dat zo menigeen, die zich beijvert om de Schrift om niet of voor geringen prijs aan anderen uit te reiken, nog zo weinig weet, hoe rijk de schat is, die hij zelf in de bijbel bezit. En toch door de Schrift, gelovig bepeinsd en verstaan wordt ieder dienstknecht van de Heere eerst in waarheid in staat gesteld, om volkomen te beantwoorden aan zijn hoge bestemming. Lering, bestraffing, bekering, opvoeding, waartoe de Schrift is geschonken, leiden vanzelf tot volmaking, het hoogste doel van de verlossing. En hoe tel ik u nu al de voorbeelden op, die daar staan ter bewijze van die waarheid? Ook de langste lijst kan slechts enkele namen bevatten: zie toe, dat uw naam niet ontbreekt! Wat maakt Jozua tot die held van de Heere, die, om Paulus' woord te gebruiken, volkomen "toegerust" is tot de Heilige strijd, die hij voeren zal? Het boek van de wet wijkt niet van zijn mond, maar dag en nacht overpeinst hij het opdat hij waarneemt te doen naar hetgeen daarin geschreven is. Wat vormt David tot die man naar Gods hart, op wie nog na zoveel eeuwen ons oog met bewondering staart? Hij heeft "Gods reden", in zijn hart verborgen, opdat hij tegen Hem niet zondigen zou. Wat doet een Daniël zo uitmunten aan het Babylonische hof, dat geheel het land van zijn wijsheid en vroomheid gewaagt? Zelf verraadt hij zijn geheim, door van het profetenwoord te gewagen, dat hij in zijn ballingschap meenam en in zijn eenzame uren bepeinsde. Wat verheft de overste Leidsman tot overwinnaar van al de machten van de hel? Bij het Schriftwoord groeit Hij op en leert Hij en strijdt Hij en lijdt Hij en sterft Hij en keert Hij straks in de kring van Zijn verblijde jongeren weer. Wat kan de eenvoudige Bereërs doen uitmunten boven de burgers van het beschaafde Thessalonika? Zij onderzoeken dagelijks de schriften, of echt al deze dingen zo zijn en