2 Kronieken 35:20-27
Er verliepen dertien jaren van Josia's vermaard pascha tot aan zijn dood, gedurende welke tijd wij mogen hopen dat het goed ging met de zaken in zijn koninkrijk, dat hij voorspoed had en de Godsdienst bloeide, maar van deze goede tijd wordt ons geen bericht gegeven, die jaren worden met stilzwijgen voorbijgegaan, omdat het volk met dat al niet afgewend was van hun liefde voor de zonde noch God van de hittigheid Zijns toorns.
Het eerste nieuws, dat wij daarom ook horen, is dat Josia afgesneden is in het midden van zijn dagen en van zijn zegenrijken arbeid, eer hij nog volle veertig jaren oud was. Wij hadden deze treurige geschiedenis in 2 Koningen 23:29, 30 maar hier is zij enigszins uitvoeriger verhaald. Hier blijkt meer dan daar hetgeen zo'n blaam werpt op Josia, en het volk zo tot lof strekt, als men niet verwacht zou hebben.
I. Josia was een zeer goed vorst, maar hij is zeer te laken voor zijn roekeloosheid in zijn uittrekken ten krijg tegen de koning van Egypte, zonder dat hij er oorzaak of roeping voor had. Het was al erg genoeg zoals het in het boek van de koningen wordt voorgesteld, namelijk dat hij zich vertoornde in een twist, die hem niet aanging.
Maar hier heeft het nog een slechter aanzien, want het schijnt dat de koning van Egypte hem gezanten zond, om hem tegen die onderneming te waarschuwen, vers 21. Hij redeneert:
1. Naar beginselen van rechtvaardigheid. De koning van Egypte betuigt dat het zijn bedoeling niet is hem enigerlei schade of leed toe te brengen, en daarom heeft Josia onbillijk en in strijd met het volkenrecht gehandeld door de wapens tegen hem op te vatten. Als zelfs een rechtvaardig man zich met een onrechtvaardige zaak inlaat, moet hij niet verwachten voorspoedig te zullen zijn. "God is geen aannemer des persoons". Zie Spreuken 3:30, 25:8.
2. Naar beginselen van de Godsdienst. "God is met mij, ja Hij heeft gezegd dat ik mij haasten zou, en zo gij dus mijne bewegingen vertraagt, dan stelt gij u tegen God."
Het kan niet wezen dat de koning van Egypte dit slechts voorwendde, zoals Sanherib in een soortgelijk geval, 2 Koningen 18:25 hopende daardoor Josia van zijn voornemen te doen afzien, omdat hij wist dat hij eerbied had voor het woord van God, want in vers 22 wordt gezegd, dat de woorden van Necho uit de mond Gods waren.
Wij moeten dus onderstellen, dat-hetzij dooreen droom, of door een sterke aandrift in zijn gemoed, waarvan hij reden had te denken dat zij van God was, of door Jeremia, of een anderen profeet-God hem bevolen had krijg te voeren tegen de koning van Assyrië.
3. Naar beginselen van staatkunde, "opdat Hij u niet verderve, " het is op uw gevaar zo gij gaat krijg voeren tegen iemand, die een sterker leger, een betere zaak en God aan zijn zijde heeft."
Het was niet in toorn tegen Josia, wiens hart oprecht was voor de Heere zijn God, maar in toorn tegen een huichelachtig volk, hetwelk zo'n goed koning niet waardig was, dat hij inzover verdwaasd werd, om niet naar rede te willen luisteren en zijn onderneming op te geven. Hij keerde zijn aangezicht niet van hem, maar ging in eigen persoon om tegen het Egyptische leger te strijden in het dal Megiddo vers 22. Indien hij misschien niet kon geloven dat de koning van Egypte een bevel van God had om te doen wat hij deed, had hij toch toen deze zich op zo'n bevel beriep, de orakelen Gods moeten raadplegen eer hij tegen hem ten strijde optrok. Dat hij dit niet gedaan heeft, was zijn grote fout en had noodlottige gevolgen. In deze zaak wandelde hij niet in de wegen van zijn vader David, want David zou in zo'n geval de Heere gevraagd hebben: "Zal ik optrekken? Zult Gij hen in mijn hand geven?". Hoe kunnen wij denken voorspoedig te zijn in onze wegen, als wij er de Heere niet in kennen?
II. Het volk was slecht en goddeloos, maar zij zijn er toch voor te prijzen, dat zij de dood van Josia zo betreurd hebben. Dat Jeremia hem beweende, verwondert mij niet, hij was de wenende profeet, en hij voorzag duidelijk het verderf des lands, dat op de dood van deze goede koning volgen zou. Maar het is vreemd te zien dat geheel Juda en Jeruzalem, dat dit stompzinnige ongevoelige volk rouw over hem bedreef, vers 24,, dat zij bedachten om hun rouw nog te verhogen en er plechtigheid aan bij te zetten door zangers en zangeressen klaagliederen over hem te doen aanheffen.
Zij maakten het tot een inzetting in Israël, dat deze klaagzangen van buiten geleerd en door allerlei mensen gezongen zouden worden. Zij hebben er ook voor gezorgd om de herinnering er aan te bestendigen, want deze elegieën werden opgenomen in de verzameling van klaagliederen van de staat, zij zijn geschreven in de klaagliederen. Hieruit blijkt:
1. Dat zij eerbied hadden voor hun goede vorst, er dat, hoewel zij niet van harte instemden met zijn goede plannen, zij toch niet anders konden dan hem grotelijks te eren. Vrome nuttige mensen worden geopenbaard in de gewetens zelfs van hen, die zich niet willen laten influenceren door hun voorbeeld, en velen, die zelf zich niet willen onderwerpen aan de regelen van ernstige Godsvrucht, kunnen toch niet anders dan hun goed woord en hun achting geven aan hen, die dit wel doen. Misschien hebben diegenen getreurd om Josia, toen hij dood was, die God niet voor hem hebben gedankt toen hij nog leefde. De Israëlieten hebben gemurmureerd tegen Mozes en Aaron terwijl zij bij hen waren, en soms spraken zie er van hen te stenigen, maar toch hebben zij vele dagen rouw over hen bedreven toen zij gestorven waren. Dikwijls wordt ons geleerd zegeningen te waarderen door ze te verliezen, die wij lang niet genoeg op prijs hebben gesteld toen wij ze hadden.
2. Dat zij, nu hij was heengegaan, wel enig besef hadden van hun gevaar. Waarschijnlijk heeft Jeremia hun ook gezegd dat hij weggenomen was voor de dag des kwaads, dat over hen stond te komen, en inzover geloofden zij wat hij zei, dat zij hem betreurden, die hun beschermer is geweest. Velen zullen gemakkelijker bewogen worden om te wenen over de rampen, die over hen komen, dan om het geschikte middel, een algemene, grondige hervorming, of bekering, te gebruiken, om ze te voorkomen, zij zullen tranen storten over hun leed en verdriet, maar zich niet laten bewegen om afstand te doen van hun zonden. Maar droefheid naar God werkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid.