Numeri 25:6-15
Hier is een merkwaardige strijd tussen goddeloosheid en gerechtigheid, die met stoutmoedigheid en vastberadenheid gestreden zal worden, en de gerechtigheid draagt de overwinning weg, zoals zij ook ten laatste ongetwijfeld zal zegevieren.
I. Nooit was ondeugd brutaler en uittartender dan van Zimri, een overste van een vaderlijk huis van de Simeonieten. Tot zo'n mate van onbeschaamdheid in het boze was hij gekomen, dat hij openlijk verscheen met een hoer (en zij was een hoer van hoge afkomst, de dochter van een overste van een vaderlijk huis in Midian) voor de ogen van Mozes en van alle Godvruchtigen in Israël. Hij vond het niet genoeg om met zijn hoer uit te gaan om de goden van Moab te aanbidden, maar na dit gedaan te hebben bracht hij haar mee om de God Israëls te onteren. Hij heeft haar niet slechts openlijk erkend als zijn vriendin, hoger in gunst bij hem dan een van de dochteren Israëls, maar ging openlijk met haar in de hoerenwinkel, een plaats van de ontucht. Aldus heeft hij, gelijk Sodom, zijn zonde vrijuit gesproken, en heeft er zich zo weinig voor geschaamd, dat hij er veeleer trots op was, en dus roemde in zijn schande. Al de omstandigheden droegen er toe bij om die zonde uiterst zondig, uiterst schandelijk te maken.
1. Het was de gerechtigheid van het volk beledigen en haar te tarten. Aan de rechters was bevolen de misdadigers ter dood te brengen, maar hij achtte zich te hoog en te voornaam dan dat zij zich met hem zouden durven bemoeien, ja eigenlijk tartte hij hen om hem aan te raken zo zij durfden. Voorzeker heeft hij alle vreze Gods van zich geworpen, die geen ontzag had voor de machten, welke Hij verordineerd had tot een vrees voor de kwaaddoeners.
2. Het was een belediging van de Godsdienst van het volk, een smaden er van. Mozes en het gros van de vergadering, die hun oprechtheid bewaard hadden, weenden aan de deur van de tent van de samenkomst, treurende over de zonde, die begaan was, en biddende dat de plaag mocht ophouden, zij heiligden een vasten in een plechtige bijeenkomst, wenende tussen het voorhuis en het altaar, om de toorn Gods van de vergadering af te wenden, en nu komt Zimri onder hen met zijn hoer aan de hand om hen te bespotten en hun te zeggen, dat hij besloten was de maat van de zonde even snel te vullen als zij haar ledigden.
II. Nooit was deugd kloekmoediger dan zij was in Pinehas. Onderricht van Zimri's onbeschaamdheid, die de gehele vergadering waarschijnlijk had opgemerkt, staat hij op van zijn gebedsoefening, grijpt zijn zwaard of spies, volgt die onbeschaamde zondaars in hun tent, en doorsteekt hen, vers 7, 8. Het is volstrekt niet moeilijk Pinehas' daad te rechtvaardigen, want als vermoedelijke erfgenaam van het hogepriesterschap, was hij ongetwijfeld een van de rechters van Israël, aan wie Mozes, volgens de aanwijzing Gods, bevolen had, om allen te doden, die zich aan Baäl-Peor hadden gekoppeld, zodat geen particuliere personen zich hierop kunnen beroepen om, onder voorgeven van ijver tegen de zonde, misdadigers ter dood te brengen, die door het gerecht vervolgd moeten worden. De burgerlijke overheid is de wreekster tot straf van dengene, die kwaad doet, en geen particulier persoon mag haar het werk uit de hand nemen.
Op tweeërlei wijze betuigde God Zijn welbehagen in de vrome ijver van Pinehas.
1. Hij heeft onmiddellijk de plaag doen ophouden, vers 8. Hun wenen en bidden hadden niet overmocht voordat deze daad van noodzakelijke gerechtigheid volvoerd was. Als de overheid er niet voor zorgt de zonde te straffen, dan zal God het doen, maar hun gerechtigheid zal het beste middel wezen om Zijn oordeel te voorkomen, zoals in de zaak van Achan, Jozua 7:13.
2. Hij heeft eer gelegd op Pinehas. Hoewel hij niets meer gedaan had dan zijn plicht als rechter, maar het gedaan heeft in buitengewone ijver tegen de zonde en om de eer van God en van Israël hoog te houden, en het gedaan heeft toen de andere rechters, uit eerbied voor Zimri's rang als overste, bevreesd waren en weigerden het te doen, heeft God hem Zijn bijzondere tevredenheid betuigd, en werd het hem tot gerechtigheid gerekend, Psalm 106:31. Men verliest er niets bij om voor Gods eer op te komen. Indien Zimri's bloedverwanten hierom wrok tegen hem koesterden, indien zijn eigen vrienden hem laakten als onbezonnen in zijn heftige en haastige daad, wat behoefde hij zich dit aan te trekken als God hem Zijn goedkeuring schonk? In een goede zaak behoren wij ijverig te zijn. Pinehas, hoewel nog een jonge man, wordt bij deze gelegenheid verklaard de beste vriend van zijn volk te zijn, vers 11. Hij heeft Mijn grimmigheid over de kinderen Israëls afgewend. Zozeer verlustigt God er zich in barmhartigheid te betonen, dat Hij een welbehagen heeft in hen, die het werktuig zijn om Zijn toorn af te wenden. Dit is de beste dienst, die wij ons volk doen kunnen, en wij kunnen hier iets toe bijdragen door onze gebeden en door op onze plaats pogingen te doen om de boosheid van de goddelozen een einde te doen nemen. Het priesterdom wordt door een verbond aan zijn geslacht verzekerd. Het was tevoren reeds voor hem bestemd, maar nu werd het aan hem bevestigd, en hetgeen er de lieflijkheid en eer nog zeer van verhoogde, was dat het hem toegekend werd als beloning voor zijn Godvruchtige ijver, vers 12, 13. Het wordt hier een eeuwig priesterdom genoemd, omdat het zou duren zolang als de Oud Testamentische bedeling zou duren, en dan zijn volkomenheid en eeuwigdurendheid zou verkrijgen in het onveranderlijke priesterschap van Christus, die in eeuwigheid geheiligd is. Door het verbond des vredes, dat hem gegeven wordt, verstaan sommigen, in het algemeen: een belofte van lang leven en voorspoed, en alle goed, maar het schijnt veeleer bedoeld, in het bijzonder, van het verbond van het priesterdom, want dat wordt een verbond van leven en vrede genoemd, Maleachi 2:5, en het werd gemaakt ter bewaring van vrede tussen God en Zijn volk.
Merk op, hoe de beloning beantwoordde aan de dienst, door gerechtigheid te oefenen, heeft hij verzoening gedaan voor de kinderen Israëls, vers 13, en daarom zullen van nu voortaan hij en zijn geslacht gebruikt worden om verzoening te doen door offerande. Hij heeft geijverd voor zijn God, en daarom zal hij het verbond hebben van een eeuwig priesterdom. Het is een vereiste, dat Evangeliedienaren niet slechts voor God zijn, maar voor God ijveren. Van hen wordt geëist, dat zij meer dan de anderen doen om de belangen van Gods koninkrijk onder de mensen te steunen en te bevorderen.