Numeri 14:20-35
Wij hebben hier Gods antwoord op het gebed van Mozes, hetwelk beide van goedertierenheid en recht zingt. Het wordt aan Mozes gegeven, vers 20-25, om door hem aan het volk bekend gemaakt te worden, vers 26-35. De menigvuldige herhalingen van dezelfde zaken, die er in voorkomen, duiden aan dat die besluiten vaststaan, onveranderlijk zijn. Laat ons de bijzonderheden er van nagaan.
I. Van de uiterste strengheid van het vonnis wordt afgezien, vers 20. Ik heb hun vergeven in dier voege, dat Ik hen niet terstond uitroei en hen verstoot." Zie de kracht van het gebed, en hoe God er zich in verlustigt het te eren. Hij bedoelde te vergeven, maar Mozes zal de lof hebben van haar te hebben verkregen op zijn gebed, het zal geschieden naar zijn woord, aldus heeft hij als een vorst macht bij God, en heeft hij overmocht. Zie, hoe God onze gebeden voor anderen goedkeurt en ondersteunt, opdat wij in ons gebed tonen dat ons het algemene welzijn ter harte gaat. Hier is geheel een natie van het verderf gered door het krachtig, vurig gebed van een rechtvaardige. Zie, hoe God bereid is de zonde te vergeven, en hoe Hij zich laat verbidden. Vergeef, zegt Mozes, vers 19. Ik heb vergeven, zegt God, vers 20. Zo heeft David Hem ook bereid gevonden om genade te betonen, Psalm 32:5. "Hij doet ons niet naar onze zonden," Psalm 103:10.
II. Er wordt in het algemeen besloten dat Gods naam zal verheerlijkt worden, vers 21. Het is gezegd, het is gezworen: de gehele aarde zal met de heerlijkheid des Heeren vervuld worden. In zijn gebed had Mozes getoond dat Gods eer en heerlijkheid hem zeer ter harte ging. "Laat het aan Mij over", zegt God, "om die te beveiligen en te bevorderen door deze beschikking." Geheel de wereld zal zien hoe God de zonde haat, zelfs in Zijn eigen volk en haar straft, maar tevens hoe genadig en barmhartig Hij is, en hoe traag tot toorn. Zo heeft ook onze Heiland toen Hij bad: "Vader verheerlijk Uwen naam," onmiddellijk het antwoord ontvangen: "Ik heb hem verheerlijkt, en Ik zal" "hem wederom verheerlijken," Johannes 12:28 Zij, die in oprechtheid Gods heerlijkheid zoeken kunnen zeker zijn van hetgeen zij zoeken. Daar God dit gebed om de verheerlijking van zichzelf in een belofte heeft verkeerd, kunnen wij het, in overeenstemming met de engelen, in lofzegging verkeren, Jesaja 6:3. "De gehele" "aarde is van Zijn heerlijkheid vol."
III. De zonde van dit volk die God er toe bracht om tegen hen te handelen, wordt hier in haar verzwarende aard voorgesteld. Niet erger dan zij werkelijk was, maar zij wordt beschreven als uiterst zondig. Het was een boze vergadering, ieder van hun was slecht, maar allen tezamen, als vergadering, waren zij zeer slecht.
1. Zij verzochten God, verzochten Zijn macht, of Hij hen kon helpen in hun benauwdheid, Zijn goedheid, of Hij het wilde, en Zijn getrouwheid, of Hij Zijn belofte zou vervullen. Zij beproefden Zijn gerechtigheid, of hun tergingen Hem zouden vertoornen, en of Hij ze al of niet zou straffen. Zij tartten Hem, daagden Hem uit, zoals God de afgoden uitdaagt om "goed of kwaad te doen," Jesaja 41:23.
2. Zij murmureerden tegen Hem. Daar wordt sterk de nadruk op gelegd, vers 27. Gelijk zij twijfelden of Hij iets doen zou, zo twistten zij met Hem om alles wat Hij deed of gedaan had, zich steeds verbitterende, en op alles aanmerking makende, alles afkeurende. Het blijkt niet dat zij murmureerden tegen de wetten en inzettingen, die Hij hun gaf (al bleken deze ook een zwaar juk te zijn), maar zij murmureerden tegen de leiding, waaronder zij zich bevonden, en de voorziening, die er voor hen gemaakt was. Het is veel gemakkelijker om de uitwendige plichten en plechtigheden van de Godsdienst waar te nemen, dan een leven te leiden van afhankelijkheid van, en onderworpenheid aan, de Goddelijke voorzienigheid.
3. Zij deden dit, nadat zij Gods wonderen gezien hadden in Egypte en in de woestijn vers 2. Zij wilden hun eigen ogen niet geloven, die van God getuigden dat Hij in waarheid in hun midden was.
4. Zij hadden die terging tienmaal herhaald dat is: zeer dikwijls. De Joodse schrijvers rekenen uit, dat dit juist de tiende maal was, dat geheel de vergadering God tot toorn had verwekt. Eerst aan de Rode Zee, Exodus 14:11. Te Mara, Exodus 15:23, 24. In de woestijn Sin Exodus 16:2. Tweemaal over het manna, Exodus 16:20, 27. Te Rafidim, Hoofdstuk 17:1,2. Het gouden kalf, Exodus 32. Toen te Tabeëra, daarna te Kibroth Taäva, Hoofdst.11. En zo was dit nu de tiende maal. God houdt er rekening van hoe dikwijls wij onze tergingen herhalen, en zal ze ons vroeg of laat ordelijk voor ogen stellen.
5. Zij zijn aan Zijn stem niet gehoorzaam geweest, hoewel Hij hen telkens en nogmaals tegen hun zonde had gewaarschuwd.
IV. Het vonnis over hen uitgesproken wegens deze zonde.
1. Dat zij het beloofde land niet zullen zien vers 23, er niet in zullen komen, vers 30. Hij "heeft in Zijn toorn" "gezworen dat zij in Zijn rust niet zullen ingaan," Psalm 95:11. Ongeloof in de belofte doet ons de weldaad er van verbeuren. Zij, die het gewenste land versmaadden, zullen er van buitengesloten worden. De belofte Gods zal vervuld worden aan hun nageslacht, maar niet aan hen.
2. Dat zij onmiddellijk moesten terugkeren in de woestijn, vers 25. Hun eerstvolgend optrekken zal een terugtocht zijn. Inplaats van voorwaarts te gaan naar Kanaän, op welks grenzen zij zich nu bevonden, moeten zij terugkeren naar de Rode Zee. Wendt u morgen, dat is: "Zeer spoedig zult gij teruggebracht worden in de huilende woestijn, die gij zo moede zijt. En het is tijd om voor uw veiligheid te zorgen, want de Amalekieten liggen op de loer in het dal, gereed om u aan te vallen indien gij voorwaarts gaat." Zij hadden hen in wantrouwen gevreesd, Hoofdstuk 13:29, en nu worden zij rechtvaardiglijk door God met hen verschrikt. De vrees des goddelozen, die zal hem overkomen.
3. Dat allen, die thans volwassen waren, in de woestijn zullen sterven, niet allen tegelijk maar trapsgewijze. Zij wensten dat zij in de woestijn mochten sterven, en God zei Amen op hun hartstochtelijke wens, en maakte hun zonde tot hun verderf, verstrikte hen met de redenen van hun mond heeft hun tong doen aanstoten tegen zichzelf, hield hen aan hun woord, en bepaalde dat hun dode lichamen in deze woestijn zullen vallen, vers 28, 29, en wederom, in vers 32 en 35. Zie met welk een minachting er van hen wordt gesproken, nu zij zich door hun zonde gering hadden gemaakt worden die kloeke mannen slechts als dode lichamen beschouwd, daar de Geest des Heeren van hen was geweken. Zij waren allen slechts als doden. Hun vaderen hadden zo'n hoge waardering van Kanaän, dat zij wensten dat hun dode lichamen derwaarts gebracht zouden worden, om er te worden begraven ten teken van hun vertrouwen in Gods belofte, dat zij dit land tot een bezitting zouden hebben, maar dezen, dat goede land versmaad hebbende, en geen geloof geschonken hebbende aan de belofte er van, zullen zij ook de eer niet hebben van er begraven te worden, maar in de woestijn hun graf vinden. 4. Dat zij, ingevolge van dat vonnis, in de woestijn zullen omdwalen, als reizigers, die verdwaald zijn, en dat wel gedurende veertig jaren, zolang, dat er van hun uittocht uit Egypte tot aan hun intocht in Kanaän, juist veertig jaren zullen verlopen zijn, vers 33, 34. Zo lang moesten zij omdwalen:
a. Om te beantwoorden aan het getal van de dagen, die de verspieders doorgebracht hebben om het land te onderzoeken. Zij waren tevreden om veertig dagen te wachten op het getuigenis van mensen, omdat zij God niet op Zijn woord wilden geloven, en daarom moeten zij nu rechtvaardiglijk veertig jaren wachten op de vervulling van Gods belofte.
b. Opdat zij hierdoor tot berouw en bekering zullen gebracht worden en genade bij God zullen vinden in de andere wereld, wat er nu ook van hen in deze wereld moge worden. Nu hadden zij tijd om na te denken en hun wegen na te gaan, en de ongerieflijkheden van de woestijn zullen er toebijdragen om hen te verootmoedigen en te verzoeken en "hun te tonen wat in hun hart was" Deuteronomium 8:2. Zolang hebben zij hun ongerechtigheden gedragen, het gewicht van Gods toorn gevoelende in hun straf. Zij werden er toe gebracht om te zuchten onder de last van hun eigen zonde, die dit over hen gebracht heeft, en die te zwaar voor hen was om te dragen.
c. Opdat zij diep zouden gevoelen hoe gevaarlijk het is voor het verbondsvolk Gods om met Hem te breken. "Gij zult gewaar worden Mijne afbreking, zowel de oorzaken er van, dat zij teweeggebracht werd door uw zonde", (want nooit verlaat God iemand, die niet eerst Hem verlaten heeft), "en de gevolgen er van, die uw verderf zullen teweegbrengen".
d. Opdat in die tijd een nieuw geslacht zou opstaan, hetgeen niet plotseling kon geschieden. En opdat de kinderen, grootgebracht zijnde onder de tekenen van Gods misnoegen tegen hun vaderen, en aldus hun hoererijen dragende, dat is: de straf voor hun zonden, inzonderheid hun afgoderij met het gouden kalf, die God tegen hen gedacht, gewaarschuwd zullen zijn om niet in de voetstappen van hun vaderen ongehoorzaamheid te treden. En hun langdurig omdwalen in de woestijn, zal hun Kanaän ten laatste des te meer welkom doen wezen. Het schijnt dat Mozes bij gelegenheid van dit vonnis de 90ste psalm heeft geschreven, die zeer toepasselijk is op de tegenwoordige toestand van Israël, en waarin hun geleerd wordt te bidden dat, dit vonnis niet herroepen kunnende worden, het aan hen mocht worden geheiligd, hun dagen te tellen en een wijs hart te bekomen.
V. De goedertierenheid, die met dit strenge vonnis gepaard ging.
1. Goedertierenheid en gunst jegens Kaleb en Jozua. Wel zullen zij met de overigen ronddwalen in de woestijn, maar van allen, die nu boven de twintig jaren oud waren, zullen zij alleen de jaren van hun ballingschap overleven, en in Kanaän komen.
In vers 24 wordt alleen van Kaleb gesproken, en word hij met bijzondere eer getekend:
A. In het karakter, dat hem wordt toegeschreven: Er is met hem een andere geest geweest, verschillend van die an de overige verspieders, en hij heeft volhard de Heere na te volgen zich getrouw aan zijn plicht gehouden hoewel hij door de anderen verlaten en bedreigd werd.
B. In de hem toegezegde beloning: hem zal Ik brengen tot het land, in hetwelk hij gekomen was. Het behoort van een ieder van onze de zorg en het streven te wezen, om te volharden de Heere na te volgen. Wij moeten in onze gehoorzaamheid aan Gods wil en dienst tot Zijn eer, Hem geheel volgen zonder verdeeldheid van zin of gedachten, oprecht en zonder veinzen, blijmoedig en zonder twisten, voortdurend en zonder te verslappen, dat is volharden Hem te volgen. Met hen, die God willen volgen, moet een andere geest zijn, een andere geest dan die van de wereld, een andere geest dan hun eigen geest geweest is. Zij moeten de geest hebben van Kaleb. Hen, die in tijden van algemene afval volharden in de Heere na te volgen, zal God erkennen en eren door bijzondere bewaring in tijden van algemene rampen. Het hemelse Kanaän zal het eeuwig erfdeel zijn van hen, die volharden in de Heere na te volgen. Als Kaleb weer genoemd wordt, vers 30, dan staat Jozua naast hem, omring door dezelfde gunst en gekroond met dezelfde eer, omdat hij naast hem gestaan heeft in dezelfde dienst.
2. Goedertierenheid jegens de kinderen, zelfs van deze rebellen. Er zal hun een zaad overgelaten worden, en aan dat zaad wordt Kanaän verzekerd, vers 31. Uw kinderen, die nu onder de twintig jaren oud zijn, waarvan gij, in uw ongeloof, zei: zij zullen ten roof worden, die zal Ik daarin brengen. Zij hadden hatelijk God beschuldigd van het voornemen om hun kinderen ten verderve te brengen, vers 3. Maar God zal hun doen weten, dat Hij onderscheid kan maken tussen de schuldigen en de onschuldigen, dat Hij hen kan uitroeien zonder hun kinderen aan te raken. Aldus was de belofte gedaan aan Abraham, die voor een tijd scheen te falen er voor bewaard om voor altijd te falen, en hoewel God hun overtredingen met de roede kastijdde, heeft Hij Zijn goedertierenheid toch niet van hen weggenomen.