Exodus 15:22-27
Mozes schijnt met moeite bij Israël bereikt te hebben om die zeeoever van de overwinning te verlaten, waar zij dit lied hadden gezongen. Zij waren zó ingenomen met dit gezicht, of met het lied, of met het beroven van de dode lichamen, dat zij niet geneigd waren voorwaarts te gaan, maar Mozes heeft hen toch met veel moeite van de Schelfzee in een woestijn gebracht. De genoegens op onze weg naar Kanaän moeten onze voortgang niet vertragen maar hem bespoedigen, al is het ook dat wie een woestijn vóór ons hebben. Nu wordt ons hier gezegd:
I. Dat zij in de woestijn van Sur geen water hadden, vers 22. Dit was een zware beproeving voor de nog onervaren reizigers, waardoor hun blijdschap getemperd werd, maar aldus wilde God hen bereiden op moeilijkheden. David heeft in een land, dor en mat en zonder water, God gezocht, Psalm 63:1.
II. Dat zij te Mara water hadden, maar het was bitter, zodat zij, hoewel zij reeds drie dagen zonder water geweest waren, het toch niet konden drinken, hetzij omdat het uiterst onaangenaam van smaak was, of waarschijnlijk schadelijk voor hun gezondheid, of zó brak dat het hun dorst eerder deed toenemen dan leste, vers 23. God kan datgene bitter voor ons maken, waarvan wij ons de meeste voldoening beloofden, en doet dit dikwijls in de woestijn van deze wereld, opdat ons gebrek en onze teleurstelling in het schepsel ons zullen uitdrijven naar de Schepper, in wiens gunst alleen ware lieflijkheid gesmaakt wordt. In deze benauwdheid nu:
1. Maakte het volk zich boos en twistte met Mozes, alsof hij hen kwalijk behandeld had. "Wat zullen wij drinken? is hun geroep, vers 24. De grootste blijdschap en de vurigste hoop worden bij hen, die slechts door de zinnen leven en niet door het geloof, spoedig in de grootste smart en het somberste vrezen veranderd.
2. Mozes bad, vers 25. Hij riep tol de Heer. De klachten, die zij tot hem brachten, bracht hij tot God, van wie, niettegenstaande zijn verheffing, hij zich voortdurend afhankelijk erkende. Het is voor overheidspersonen en leraren de grootste verlichting van hun zorg als zij over wie zij gesteld zijn, het hun moeilijk maken, dat zij door het gebed toegang hebben tot God, Hij is de gids van de gidsen van de kerk, en tot Hem, als de opperherder, hebben de onderherders zich bij alle gelegenheden te wenden.
3. God heeft genadig voor hen voorzien. Hij wees Mozes een boom aan, die hij in het water wierp, tengevolge waarvan het water plotseling zoet werd. Sommigen denken dat dit hout de bijzondere eigenschap had, om die uitwerking teweeg te brengen, omdat gezegd is: de Heer wees hem een hout. God moet erkend worden, niet alleen in de schepping van dingen, die nuttig zijn voor de mens, maar ook in de ontdekking van de nuttigheid er van. Het kan ook wezen dat dit slechts een teken was en volstrekt niet een middel, voor de zoetmaking van het water, evenmin als de koperen slang een middel ter genezing was, of het zout, dat Elisa in het water van Jericho heeft geworpen. Sommigen maken dit hout tot een type van het kruis van Christus, dat voor alle gelovigen het bittere water van de beproeving zoet maakt, en hen instaat stelt om zich te verblijden in de verdrukking. Naar luid van de overlevering van de Joden moet het hout van deze boom zelf bitter geweest zijn, terwijl het toch het water van Mara zoet heeft gemaakt, de bitterheid van Christus' lijden en dood verandert de eigenschap van ons lijden en onze dood. 4. Bij deze gelegenheid heeft God hun duidelijk te verstaan gegeven dat zij, nu zij van de Egyptenaren verlost en in de woestijn gekomen waren, wel hadden acht te geven op zichzelf, want dat het hun, al naar zij zich gedroegen, goed of slecht zou gaan, aldaar stelde Hij het volk een inzetting en een recht regelde Hij de zaken met hen, aldaar verzocht Hij het, dat is: daar liet Hij hen in de proeftijd komen voor Zijn gunst. In `t kort zegt Hij hun, vers 26.
a. Wat Hij van hen verwachtte, en dat was, in een woord, gehoorzaamheid. Zij moeten met ernst naar Zijn stem horen, hun oren neigen naar Zijn geboden, ten einde hun plicht te kennen en opdat zij niet door onwetendheid zouden overtreden, en zij moeten zorg dragen om in alle opzichten te doen wat recht is in Gods ogen, en al Zijn inzettingen houden. Zij moeten niet denken, dat zij, nu zij uit hun slavernij in Egypte verlost zijn, geen heer boven zich hadden, maar hun eigen meesters waren, neen, zij moeten, omdat God hun banden heeft losgemaakt, zich als Zijn dienstknechten beschouwen, Psalm 116:16, Lukas 1:74, 75.
b. Wat zij dan van Hem kunnen verwachten: Ik zal geen van de ziekten op u leggen, die Ik op de Egyptenaren gelegd heb, dat is: "Ik zal geen van de plagen van Egypte over u doen komen." Dit geeft te kennen dat, zo zij weerstrevend en ongehoorzaam zijn, dezelfde plagen, die over hun vijanden gebracht waren, ook over hen gebracht zullen worden, aldus luidt de bedreiging, Deuteronomium 28:60. Gelijk oordelen van God over Egypte gunstbetoningen waren aan Israël, daar zij de weg baanden voor hun verlossing zo waren zij ook waarschuwingen voor Israël en bestemd om hun ontzag in te boezemen, en hen daardoor tot gehoorzaamheid te brengen. Laat de Israëlieten niet denken dat God, omdat Hij hen hogelijk geëerd heeft in de grote dingen, die Hij voor hen gedaan heeft, en hen aan de gehele wereld als Zijn gunstgenoten heeft doen kennen daarom hun zonden oogluikend zou toelaten, en hen zou laten doen wat zij wilden. Neen, God is geen aannemer des persoons, een oproerige Israëliet zal het niet beter gaan dan een oproerige Egyptenaar, en dat hebben zij tot hun schade ondervonden eer zij in Kanaän kwamen. "Maar indien gij gehoorzaam zult zijn dan zult gij veilig en gelukkig zijn", de bedreiging is slechts stilzwijgend te kennen gegeven maar de belofte is bepaald uitgedrukt: "Ik ben de Heer, uw heelmeester, en zal zorgen voor uw welzijn, waar gij ook heengaat." God is de grote heelmeester. Als wij wèl zijn, dan is Hij het, die ons wèl maakt en houdt, Hij is het, die ons herstelt, Hij is ons leven en de lengte van onze dagen.
III. Dat zij te Elim goed water hadden, en in overvloed vers 27. God kan wel voor een tijd, Zijn volk bevelen om zich bij de wateren van Mara te legeren, maar dat zal toch niet altijd hun lot wezen. Zie hoe wisselvallig onze toestand is in deze wereld, van beter naar erger, van erger naar beter, laat ons dus leren vernederd te worden en overvloed te hebben, blij te zijn, als niet blij zijnde als wij overvloed hebben, en te wenen, als niet wenende, wanneer wij ontledigd zijn. Hier waren twaalf waterfonteinen, voor hun behoefte, een voor elke stam, opdat zij niet zouden twisten om water, zoals hun vaderen soms gedaan hebben, en voor hun genoegen waren er zeventig palmbomen, onder de schaduw waarvan zij konden uitrusten. God kan zelfs in de woestijn van deze wereld plaatsen van verkwikking vinden voor Zijn volk, waterfonteinen in het dal van Baca, opdat zij niet verflauwen en bezwijken in hun zielen door voortdurende vermoeidheid, maar welk genot of genoegen wij ook smaken in het land van onze vreemdelingschap, toch moeten wij bedenken, dat wij er slechts tijdelijk bij gekampeerd zijn, en dat wij hier geen blijvende stad hebben.