17. Want het is beter, wanneer men u een lijden berokkent alsof u misdadiger was, dat u, weldoende en dus onschuldig (als het de wil van God, die altijd wijs is, wil) lijdt, dan kwaad doende, dan dat u het verdient (
Hoofdstuk 2:20).
De apostel noemt tweeërlei omstandigheden, waaronder welke lijden plaats kan hebben, in het een geval als men doet wat goed is, in het andere als men doet wat kwaad is. Bij het laatste moeten wij denken aan hetgeen de Christen van zijn goed geweten berooft en bij het eerste aan zo'n wandelen, dat zijn goed geweten bewaart, dat hij moet hebben, als hij de Christelijke hoop tegenover de argwaan van de niet-Christenen vertegenwoordigt. Heeft hij zich in dit opzicht niets te verwijten en moet hij, als het Gods wil is (want zonder dat Gods wil het wilde, zou mensenwil het niet teweeg kunnen brengen), dat hij als een in dit opzicht schuldige lijdt, dan is hij er beter aan, dan wanneer het hem overkomt vanwege een gedrag, waarmee hij zich werkelijk tegen de regels van maatschappij en staat bezondigt. In beide gevallen is het zijn Christenstaat, waarom hem lijden overkomt en niet zijn gedrag; maar het overkomt hem of om een gedrag, waar hij kan zeggen, dat hem onrecht, of waarbij hij zeggen moet, dat hem recht geschiedt. Dat hij nu in het eerste geval er beter aan is, dan in het laatste, stelt de apostel daarom voor, omdat het de natuurlijke mens bitterder voorkomt onschuldig te moeten lijden dan schuldig; de Christen moet het echter anders beschouwen, omdat hij Christus kent, die door hetgeen hij leed in het leven is overgegaan, waarin hij nu staat.
Die goed doet, voor die heeft het lijden, dat hem treffen kan, niet de grond als voor de kwaaddoeners, in de eigen zondige wil, die hem doet zondigen en daarbij onheil over zich doet brengen, maar alleen in de wil van God, die voor hem, de vrome, slechts een genadige, goede wil kan zijn, die zaligmaking bedoelt: hoe veel beter moet dan dat lijden zijn dan het andere. 18. Want Christus heeft ook eens (Hebreeën 9:26, 28 Romeinen 6:10) voor de zonden geleden (Hebreeën 13:12) door ze in Zijn lichaam te dragen op het hout (Hoofdstuk 2:24). Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen (Romeinen 5:6), opdat Hij ons tot God zou brengen, ons de toegang tot God verschaffen zou (Efeze 2:18; 3:12 ; die wel is gedood in het vlees maar levend gemaakt (Efeze 2:5) door de Geest Uit 27:53.
Het "want" aan het begin van dit vers geeft de reden aan, waarom het zo is als in Vers 17 1Pe gezegd is. De gehele plaats komt overeen met Hoofdstuk 2:21, want zoals wij daar lezen, "omdat ook Christus voor ons geleden heeft", zo nu hier: "want Christus heeft ook eens voor de zonden geleden. " Het "ook" brengt, zoals vanzelf spreekt, Christus niet alleen wat betreft het "geleden" met ons in vergelijking, maar wat betreft de hele zin tot aan de woorden "opdat Hij ons tot God zou brengen. " De eerste plaats, wordt daar ingenomen door het "eenmaal", welks gewicht voor de gedachte hiernaar wordt afgemeten, welks betekenis echter daarvoor ook alleen te zoeken is in het doel, waartoe Christus met de Christenen wordt vergeleken: eenmaal is dit geschied, dat Hij de dood stierf, die Hij gestorven is en wat daaruit is afgeleid, vormt als blijvend en voortgaand een tegenstelling tot hetgeen met dat "eens" is voorbijgegaan, die leert, hoe goed het is, als men lijdt om het verrichten van iets, dat goed is (vgl. het "een kleine tijd lijden" in Hoofdstuk 1:6; 5:10). De tweede uitspraak is deze, dat Zijn lijden en sterven een lijden om de zonden was, die Hij daardoor verzoende en een lijden voor ons, zodat Hij, die rechtvaardig was, voor ons, die onrechtvaardig waren, gestorven is. Daardoor moet worden te kennen gegeven, dat wij zo moeten leven, dat de zonden, die zij, die ons onrecht doen, aan ons begaan, de oorzaken van ons lijden zijn. Wij lijden dan wel niet als rechtvaardigen voor onrechtvaardigen, maar wel als rechtvaardigen door onrechtvaardigen, wier zonden, behoudens dat onderscheid, maar overigens op dezelfde wijze, oorzaak van ons lijden worden, als onze zonden voor Christus een oorzaak van Zijn dood zijn geworden. Eveneens duldt in de derde plaats ook het doel, waarmee Christus gestorven is, toepassing op ons: als Hij gestorven is om ons, wier zonden Hem een oorzaak van de dood zijn geworden, tot God te brengen, in gemeenschap met Hem te brengen, dan moet het ook ons doel zijn hen, van wie wij onrecht lijden, door de wijze van ons onschuldig lijden tot nadenken over zichzelf en tot erkentenis van Christus te brengen.
Waren zonden de aanleiding tot het lijden van Christus, het waren toch niet Zijn eigen, maar Hij leed als rechtvaardig voor onrechtvaardigen. Zo beschouwd is nu Zijn lijden voorafbeeldend voor de lezers; want ook hun lijden is een lijden voor de zonden en evenals bij Christus moeten het ook niet hun zonden zijn, die over hen komen, maar integendeel de zonden van de ongelovige omgeving, terwijl zij zelf als rechtvaardigen om hun weldoen lijden.
Toch komt hier nog een gedachte bij: het was een zegevierend lijden, een overwinnen in het bezwijken: juist door Zijn lijden heeft Hij ons tot God gebracht, ons met Hem verenigd. Wordt nu gezegd: "die wel gedood is in het vlees, maar levend gemaakt door de Geest", dan is vlees hier het lichamelijk leven, dat gedood werd. Niettegenstaande Zijn lichamelijke dood werd Hij levend gemaakt naar de Geest (Mattheus 10:28). Nadat Hij aan de zonde gestorven was eenmaal, en dus de banden van het vlees, die Hij omwille van ons droeg, waren losgemaakt, drong het nieuwe leven in Zijn geest, in welks kracht Hij na de dood nog als zegevierend overwinnaar in het rijk van de geesten kon werken.
De Heere riep stervend uit: "Vader in uw handen beveel Ik Mijn Geest", het woord van David in Psalm 31:6 Zich toeëigenend. Daarmee zegt Hij, hoe Hij ook daarin ons gelijk is geworden, dat Hij in de dood het bewustzijn verloor en Zijn Geest ter bewaring en ter bescherming overgaf aan Hem, aan wie Hij tot aan de laatste ademtocht als aan Zijn Vader hing. Maar meteen werd Hij weer levend gemaakt. Zijn Geest is het leven en betoont zich na de dood eerst echt als zodanig. Van de opstanding van de Heere kan de uitdrukking "levend gemaakt door de Geest", zoals die door de uitleggers meestal wordt opgevat (om het uitdrukkelijk daarbij staande "naar de geest", dat in tegenstelling staat tot het levend maken van het lichaam Romeinen 8:11) niet worden verstaan.
De nauwe verbinding en de verdere gelijkheid, waarin de apostel het gedood worden naar het vlees en het levend gemaakt worden naar de geest bij elkaar plaatst, geeft te kennen, dat beide met elkaar en niet het een na het andere heeft plaats gehad.
Het doel is zeker door geen apostel duidelijker naar zijn ten inhoud uitgedrukt dan door Simon Petrus, waar hij zegt: Christus heeft ééns, d. i. eenmaal, voor de zonden geleden. Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen. Onze ziel staat stil bij deze uitspraak en bij deze overtuiging, "opdat Hij ons tot God zou brengen. " Dat was het doel. En het dragen van onze zonden in Zijn lichaam op het hout, de bedekking, de verzoening van onze zonden door Zijn bloed, was tot dit doel het onvermijdelijk middel. Maar dit was het doel zelf. Niet maar om "de goede belijdenis, die Hij beleden had voor Pontius Pilatus", te bezegelen met een bloedige dood, om ons een exempel na te laten, opdat wij Zijn voetstappen zouden volgen, om ons het toonbeeld van de volmaakte gehoorzaamheid en van een onberispelijke heiligheid onder de zwaarste beproevingen voor ogen te stellen; niet slechts om ons de overtuiging te geven van Zijn grote liefde, die Hem niet aarzelen deed "Zijn leven te zetten voor Zijn vrienden; " om ons hart te vertroosten met de betere dingen, dan Abel, die het "bloed van Zijn besprenging" spreekt: om het oordeel van de verdoemenis van ons hoofd af te wenden, om ons te verlossen "van de vrees van de dood, waarmee wij al ons leven van de dienstbaarheid onderworpen waren; " om ons de hemel te openen, die in ons hart te doen dalen en ons de verzekering te schenken van de voor ons weggelegde erfenis met de heiligen in het licht: is Hij gestorven, die voor de zonden gestorven is, maar opdat Hij ons door dit alles tot God zou brengen; dat is: voor God toebrengen, voor God toewijden; zó dat wij met geheel ons hart, geheel ons verstand, geheel onze ziel en alle krachten van God en voor God zouden zijn; voor God en in Gods gemeenschap, in heiligheid en blijmoedige gerustheid wandelen zouden. Dit doel veronderstelt een toestand tegenovergesteld aan die, die door de bereiking van dit doel wordt teweeg gebracht. Een toestand op de een of andere wijze, door de een of andere oorzaak van God gescheiden. En is dit niet metterdaad de toestand, waarin het mensdom, waarin de mens verkeert door de zonde? Van de Heilige God afkerig, voor de Rechtvaardige bevreesd; de Liefderijke, waar het er meest op aankomt, wantrouwend; zijn geluk, zijn eer, zijn levensdoel buiten God stellend, zijn wijsheid bij zichzelf zoekende, is dat niet het beeld en wezen van de mens, wie Christus nog niet tot God, wie hij voor God nog niet toegebracht heeft, die God nog niet heeft leren kennen als in Christus de wereld en ook hem, met zichzelf verzoenend, zijn zonde hem niet toerekenend? "Zeker, wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een ieder naar zijn weg". Het wezen van de zonde is een toestand van inwendige gescheidenheid van God; van vervreemding van God, omdat de natuurlijke neigingen met de wet Gods in bestendige strijd zijn; omdat het denkbeeld van de oordelen van God op den duur niet te verdragen is. De dwaas zegt in zijn hart: er is geen God; en ieder mens, die zijn zondig hart volgt, moet wensen dat deze dwaasheid waarheid zij, of dat althans hij zich verheugen moge voor het aangezicht van die God, die zijn neigingen bestrijdt en zijn vreugde door vrees verstoort. Christus heeft eenmaal voor de zonde geleden. Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen. Dit doel alleen was volkomen voor Godwaardig, volkomen Godverheerlijkend. God moest het Zijne terughebben. Als de vader in de gelijkenis, had de Vader, die in de hemelen is, zijn jongste zoon door de zonde verloren. Hij was hem dood. Met het deel van het goed, dat hij meende hem toe te komen, met geheel zijn hart, geheel Zijn verstand, geheel zijn ziel, alle krachten, was hij heengereisd naar het verre land van de zonde, om daar het kostelijk erfgoed naar hartelust te verteren en door te brengen en zich ook de uiterste ellende te getroosten, mits hij slechts zijn hoog geroemde onafhankelijkheid bewaren mocht. Helaas! wie doet die verloren zoon opstaan en tot de vader gaan? Wie geeft hem moed, wie geeft hem de lust ertoe? Wie overtuigt hem van het voor hem nog kloppend vaderhart, van het voor hem nog openstaand vaderhuis? Wie neemt hem bij de hand en voert hem daar weer binnen, dat hij er blijft eeuwig en zonder meer naar het verre land om te zien? Dat doet Hij, die de gelijkenis van de verloren zoon voor de oren van deze verloren zoon verhaald heeft. Dat doet Hij, die in de gelijkenis van het verloren schaap de herder is, die het nagaat totdat hij het vinde; mettertijd de goede Herder, die zijn leven stelt voor de schapen. Hij doet het, wie de door Zijn dood verloste zondaren toezingen: "wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een ieder naar zijn weg, maar de Heere heeft ons aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen. Als dezelve geëist werd, toen werd Hij verdrukt, maar Hij deed Zijn mond niet open; als een lam werd Hij ter slachting geleid en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht van zijn scheerders, zo deed Hij Zijn mond niet open. " Ja. Hij doet het, die voor de zonden gestorven is, de rechtvaardige voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen. En waar dit Zijn doel geheel bereikt wordt, daar weergalmt het Vaderhuis hierboven van een Goddelijk en God verheerlijkend: Deze mijn Zoon, was dood, maar is weer levend geworden; Hij was verloren, maar is gevonden! Christus heeft geleden, opdat Hij ons tot God zou brengen. De bereiking van dit doel maakt ook het geluk volkomen van hen, voor wier zonden hij gestorven is. Het zegt zeker veel, van de vrees van de dood en van de verdoemenis verlost te wezen, maar het is weinig bij het rijk genot, dat de overtuiging, dat de ondervinding in zich heeft, tot God gebracht, met God herenigd te zijn, door het geloof Hem toegewijd te wezen door de liefde van het hart en ook in zedelijke zin, in Hem te leven, zich te bewegen en te zijn, zich gans toe te vertrouwen aan die Vaderhand, volkomen uit te rusten aan dat Vaderhart; en alle, ook de donkerste wegen van het leven op het Vaderhuis te zien uitlopen. Ziedaar onmiddellijk, ziedaar onvermengd en oneindig geluk. Dit is het geluk, waaraan de mens als mens, als oorspronkelijk naar Gods beeld geschapen kind van God, in de diepste grond van zijn hart behoefte heeft; dit het geluk dat, in het Paradijs verloren, herworven is op de Hoofdschedelplaats. O, Goede, Goede Vrijdag! u heeft het ons bezworen, Zoon van God, dit was uw hart! Maar is dit werk in ons, in een ieder van onze volbracht? alle dingen gedaan, die bij God te doen waren? " de hele beker gedronken, waarvan het niet mogelijk was, dat hij aan Hem zou voorbijgaan, als wij behouden zouden worden. Zijn bloed reinigt van alle zonden, Zijn kruis troost onder alle lijden, de hemel staat open, zondaar, wie u zijn mag en voornaamste van de zondaren, ook voor u. Maar heeft Hij u tot God gebracht? voor God toegebracht? Het nieuwe leven in u opgewekt, dat voor God gewijd is, dat is een wandel met God? Met andere woorden: Heeft U de liefde van God in de overgave van de Zoon tot een verzoening voor uw zonde de liefde van God, die uw eeuwig behoud wilde en wilde tot deze prijs, bij het kruis van Zijn Zoon erkend en daardoor het stenen hart week voelen worden, het verdeelde hart voelen verenigen tot de vrees van Zijn naam?
Heeft u, daar u op Golgotha van de zware last van uw zonde verlost werd, de Heilige God beminnelijk en Zijn "geboden niet zwaar" leren achten? Dat is door Christus en die gekruisigd, dat is door de rechtvaardige, die voor de onrechtvaardigen geleden heeft, tot God gebracht zijn, dat is in Hem geloofd hebben. Alleen hij, die echt in Christus gelooft, wordt metterdaad door Hem tot God gebracht. Verstaat u deze woorden niet, u wie deze woorden beschamen? wie zij kunnen zeggen: Zo was dan tot heden toe voor u nog te vergeefs geweest, dat Hij eenmaal geleden heeft voor de zonden. Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen. Want u bent, ver van God, nog leeft u voor de wereld voor uzelf, met zoveel vrees van God en eerbied voor Zijnen Christus, als u met dit leven voor de wereld, met dit leven voor uzelf meent te kunnen overeenbrengen. Ei, schaam, bedroef u dan toch over u zelf. Volg de stem van het gewetens, die u zegt dat dit niet genoeg, dat dit het ware niet is. Om iets anders in u te weeg te brengen heeft de Heiland geleden. Had Hij nog meer moeten lijden om u te treffen, te trekken, te boeien, te overmeesteren, aan uzelf en aan een ijdele wereld te ontrukken en tot God te brengen. O val Hem te voet op Golgotha en zeg: Heere! U heeft genoeg, U heeft alles gedaan om het doel Uwer liefde ook aan mij te bereiken en ik veel, veel te veel, om die liefde te wederstreven, om aan die liefde te ontsnappen telkens meer. Hier ben ik. U heeft mij verlost, breng mij waar ik wezen moet. Bij Uwen God en mijn God, Uwen Vader en mijn Vader. U, wiens hart aldus reeds vroeger gesproken heeft, heeft het u een ogenblik berouwd? Toon, toon van de wereld, hoe goed het is nabij uwen God te wezen. Toon aan een Christendom, dat op twee gedachten hinkt, aan een Christelijk geloof, dat geen geloof is, die de kracht, die de vrucht, die de vrede en de vreugde is van het ware Christendom, van het ware geloof. Laat uw aangezicht glinsteren van die glans van liefde en heiligheid, die d r moet uitlichten, waar God het hart vervult. U slaat uw ogen neer. U voelt dat u niet bent die u wezen moest. Bid dat u het meer en meer woorden mag. Wees dankbaar voor de herinneringen, de vermaningen, de beproevingen, u toegezonden, om het u meer te maken. Blijf boetvaardig. Sterk uw geloof. Wijke Golgotha niet uit uw gedachten. Dicht bij het kruis is dicht bij God.