Mattheus 8:23-27
Christus had bevel gegeven om onder zeil te gaan, vers 18, en over te varen naar de andere zijde van de zee van Tiberias, naar het land der Gadarenen in den stam van Gad, aan de Oostzijde van de Jordaan. Derwaarts wilde Hij heengaan om een arm schepsel te verlossen dat door een legioen van duivelen was bezeten, hoewel Hij voorzag hoe Hij aldaar gesmaad en beledigd zou worden. Hij verkoos te water te gaan. Het zou gene grote omweg zijn geweest om over land te gaan, maar Hij verkoos het meer over te steken, om de gelegenheid te hebben zich als den God der zee te betonen, zowel als van het land, en te tonen dat Hem alle macht is gegeven in hemel en op aarde. Het is voor hen, "die met schepen ter zee afvaren", en daar dikwijls in gevaar zijn, ene grote vertroosting om te bedenken, dat zij een Zaligmaker hebben om op te vertrouwen, en tot wie zij hun gebed kunnen richten, een Zaligmaker, die weet wat het is op zee te zijn in een storm. Maar let er op, dat, toen Hij naar zee ging, Hij geen jacht of pleziervaartuig tot Zijne beschikking had, maar dat Hij gebruik maakte van de vissersboten Zijner discipelen, waaruit wederom Zijne armoede bleek. Zijne discipelen volgden Hem, de twaalven bleven bij Hem, toen de anderen op het land achterbleven, waar zij vasten grond onder de voeten hadden. Zij alleen zullen de ware discipelen van Christus bevonden worden, die bereid zijn Hem naar zee te volgen in gevaren en moeilijkheden. Velen zouden wel over den landweg naar den hemel willen gaan, die liever stilstaan, of teruggaan, dan zich op ene gevaarlijke zee te wagen, maar zij, die hiernamaals bij Christus willen zijn, moeten Hem thans volgen overal waar Hij hen heenvoert, -in een schip, of in ene gevangenis, zowel als in een paleis. Let hier nu op:
I. Het gevaar en de verlegenheid der discipelen op deze zeereis, en hierin bleek de waarheid van hetgeen Christus even te voren gezegd had, n.l. dat zij, die Hem volgen zich op moeilijkheden hebben voor te bereiden, vers 20. "Er ontstond ene grote onstuimigheid in de zee", vers 24. Christus kon dien storm hebben voorkomen, en hun een aangenamen overtocht hebben beschikt, maar dat zou minder tot Zijne verheerlijking hebben gestrekt en tot bevestiging van hun geloof dan hun verlossing hiertoe strekte: deze storm was om hunnentwil. Johannes 11:4. Men zou gedacht hebben, dat zij, daar Christus bij hen was, een, gunstigen wind zouden hebben, maar het was gans anders, want Christus wilde hun tonen, dat zij, die met Hem over den oceaan dezer wereld naar de andere zijde gaan, stormen moeten verwachten. De kerk is "door onweder voortgedreven ", Jesaja 54:11, slechts in hogere streken heerst ene eeuwigdurende kalmte, hier beneden is er altijd onrust en beroering. In dezen storm sliep Jezus Christus. Wij lezen nooit anders dat Christus geslapen heeft dan juist ditmaal. Dikwijls heeft Hij gewaakt, den gansen nacht bracht Hij over in het gebed tot God. Dit nu was geen slaap van zorgeloosheid, zoals van Jona in den storm, maar van heilige gerustheid en kalmte in vertrouwen op Zijn Vader. Hij sliep ten einde te tonen, dat Hij wezenlijk en waarlijk mens was, onderworpen aan de zondeloze zwakheden onzer natuur. Zijn werk maakte Hem moede en slaperig, en Hij had gene schuld, gene innerlijke vreze om Zijne rust te verstoren. Zij, die hun hoofd kunnen neerleggen op het kussen van een zuiver geweten, kunnen rustig slapen in een storm, Psalm 4:9, gelijk Petrus, Handelingen 12:6 Hij sliep ditmaal, om het geloof Zijner discipelen op de proef te stellen, of zij op Hem konden vertrouwen ook als Hij hen schijnbaar veronachtzaamde. Hij sliep, niet zo zeer uit begeerte van verkwikt te worden, als wel met het doel om te worden gewekt. Hoewel goed vertrouwd met de zee, waren de arme discipelen toch in groten angst en benauwdheid, en in hun vreze zijn zij bij hun' Meester gekomen, vers 25. Tot wie anders zouden zij ook heengaan? Het was kostelijk, dat Hij zo dicht bij hen was. Zij "hebben Hem opgewekt" met hun gebed: "Heere behoed ons, wij vergaan," wie wil leren bidden, moet naar zee gaan. Dreigende, tastbare gevaren zullen de mensen uitdrijven tot Hem, die in tijden van nood alleen helpen kan. Er is leven in hun gebed. "Heere, behoed ons, wij vergaan." Hun bede is: Heere, behoed ons. Zij geloofden, dat Hij hen kon behoeden. Christus' roeping en werk in deze wereld was te behouden, doch zij alleen zullen behouden worden, die "den naam des Heeren aanroepen," Handelingen 2:21. Zij, die door het geloof deel hebben aan de eeuwige zaligheid, door Christus gewrocht, kunnen met ootmoedig vertrouwen zich ook om tijdelijke verlossing of uitredding tot Hem wenden. Zij noemen Hem "Heere", en dan bidden zij: "Behoed ons!" Christus zal niemand behoeden of behouden, dan die Hem tot hun Heere willen aannemen, want Hij is een Vorst en Zaligmaker. Hun pleitrede is: "Wij vergaan", dat de uitdrukking is hunner vreze. Zij beschouwden hun toestand als wanhopig, en achtten zich verloren, Zij hadden in zich zelven een vonnis des doods, en nu pleiten zij: "Wij vergaan, zo God ons niet redt, zie ons dus aan met mededogen. Het was ook de taal van hun vurigheid en ij ver, zij baden als mensen aan wie het ernst is, als mensen, die smeken om hun leven. Het betaamt ons aldus te worstelen in den gebede, daarom sliep Christus, ten einde aldus dit dringend gebed uit te lokken.
II. De macht en de genade van Jezus Christus, aangewend ter hunner hulp. Toen ontwaakte de Heere Jezus, Psalm 78:65. Christus kan slapen als Zijne kerk zich in een storm bevindt, doch Hij zal zich niet verslapen, de gezette tijd om Zijne verdrukte kerk gunst te betonen, zal komen, Psalm 102:14. Hij bestrafte Zijne discipelen, vers 26, "Wat zijt gij vreesachtig, gij kleingelovigen?" Hij bestraft hen niet wijl zij Hem stoorden door hun gebed, maar wijl zij zich zelven verontrustten door hun vreze. Christus heeft hen eerst bestraft en daarna verlost, dit is Zijne wijze van doen: eerst bereidt Hij ons toe om een zegen te ontvangen, en dan geeft Hij ons dien. Let hier nu op:
1. Zijn mishagen van hun vreze. "Wat zijt gij vreesachtig? Gij! Mijne discipelen! Laten de zondaren in Zion bevreesd zijn, laten Heidense zeelieden sidderen in een storm, gij behoort niet alzo te wezen. Stelt eens een onderzoek in naar de redenen van uwe vreze, en overweegt dan die redenen, denkt er over na.
2. Zijne ontdekking van de bron en oorzaak hunner vreze: Gij kleingelovigen!". Velen hebben wel waar geloof, maar zijn er zwak in, en dan richt het weinig uit. Christus' discipelen zijn op een stormachtigen dag zeer geneigd tot vrees, dan kwellen zij zich door de gedachte, dat alles slecht met hen gaat, en komen tot de gevolgtrekking, dat alles nog erger voor hen zal worden. Die onmatige vreze in tijden van storm komt voort uit de zwakheid van ons geloof, terwijl het geloof het anker onzer ziel moest wezen, en de roeiriemen van het gebed in beweging moest brengen. Door het geloof zouden wij door den storm heen kunnen zien naar de veilige kust, en ons kunnen bemoedigen door de hoop, dat wij daar weldra aan zullen landen. De vreesachtigheid van Christus' discipelen in een storm, en hun ongeloof, dat er de oorzaak van is, mishagen den Heere Jezus ten hoogste, want het komt Zijne ere te na, en maakt beroering in hun ziel. "Hij bestrafte de winden", het eerste deed Hij als de God der genade en den Opperheer van het har t, die kan doen wat Hem behaagt in ons, het tweede deed Hij als de God der natuur, de Opperheer der wereld, die wat Hem behaagt kan doen voor ons. Het is dezelfde macht, die "het bruisen der zeeën stilt", en het gedruis der vreze. Zie hoe gemakkelijk dit geschiedde-door het spreken van een woord. Mozes gebood de wateren met een staf: Jozua met de arke des verbonds: Elisa met den mantel van den profeet: maar Christus met een woord. Zie Zijne volstrekte heerschappij over alle schepselen, hetgeen strekt zowel tot Zijne eer, als tot het geluk der Zijnen. Hoe krachtdadig was de uitwerking van Zijn woord! "Er werd grote stilte," en dat wel plotseling. Gewoonlijk is er na een storm nog zoveel beroering in het water, dat het nog lang duurt eer het tot volkomen kalmte komt. Maar als Christus het woord spreekt, komt niet slechts de storm tot bedaren, maar ook de uitwerkselen er van houden op. Grote stormen van twijfel en vreze in de ziel, onder de macht van den geest der dienstbaarheid, eindigen soms in ene wonderbare kalmte, verwekt door den Geest der aanneming. Dit wekte hun verbazing op, vers 27, "De mensen verwonderden zich." Zij hadden veel ervaring van de zee, maar nooit in hun ganse leven hadden zij een storm zo plotseling zien bedaren en gevolgd worden door zo volkomen kalmte. Het toonde al de tekenen en kenmerken van een wonder: "Het is van den Heere geschied, en het is wonderlijk in hun ogen." Let nu op: Hun bewondering van Christus: "Hoedanig een is deze!" Christus is weergaloos. Alles aan Hem is bewonderenswaardig. Niemand is zo wijs, zo machtig, zo beminnelijk als Hij. De reden daarvoor: "Dat ook de winden en de zee Hem gehoorzaam zijn." Christus moet bewonderd worden vanwege Zijne macht over wind en zee. Anderen kunnen voorgeven krankheden te genezen. Hij alleen heeft het ondernomen de winden te gebieden. Wij kennen den weg niet van den wind, Johannes 3:8, en nog veel minder kunnen wij hem beheersen of bedwingen, maar Hij, "die den wind uit Zijne schatkamers voortbrengt," Psalm 135:7, "verzamelt hem in Zijne vuisten," Prediker 30:4. Hij, die dit kan doen, kan alles doen, kan genoeg doen om ons vertrouwen in Hem op te wekken, ook op den stormachtigsten dag, van binnen en van buiten. Jesaja 26:4. De Heere "heeft gezeten over den watervloed", en Hij is "geweldiger dan het bruisen van grote wateren." Door de zee te gebieden toonde Christus zich dezelfde, die "de wereld gemaakt heeft, toen, op Zijn schelden, de wateren vloden, Psalm 104:7, 8, gelijk zij thans op Zijn schelden stil werden.