Handelingen 17:16-21
Een kenner en liefhebber van de geleerdheid en wetenschap der ouden zou denken, dat hij zeer gelukkig zou geweest zijn, indien hij was, waar Paulus zich nu bevond-te Athene, te midden van de verschillende sekten der filosofen, en dat hij hun zeer veel zou te vragen hebben ter verklaring van hetgeen ons nog rest van de Atheense geleerdheid. Maar Paulus, hoewel hij ene geleerde opvoeding heeft gehad, en een vernuftig, werkzaam man was, bemoeit zich volstrekt niet met deze dingen te Athene. Hij zint op ander werk. Hij heeft zijne eigene verdere kennismaking met hun filosofie niet op het oog, hij heeft geleerd dit ijdele verleiding te noemen, en is er boven verheven, Colossenzen 2:8. Zijn werk en roeping is om in den naam van God hun wanbegrippen omtrent den Godsdienst weg te nemen, en hen te bekeren van den dienst der afgoden, en van Satan, om den levenden en waarachtigen God te dienen in Christus.
I. Wij zien hier den indruk door de gruwelijke onwetendheid en bijgelovigheid van de Atheners teweeggebracht op den Geest van Paulus, vers 16. Merk op:
1. Het bericht, dat hier van die stad wordt gegeven: zij was geheel aan afgoderij overgegeven. Dat komt overeen met hetgeen de Heidense schrijvers er van zeggen, nl. dat er in Athene alleen meer afgoden waren, dan in geheel Griekenland, en dat zij tweemaal meer heilige feesten hadden dan anderen. Welke vreemde goden hun ook werden aanbevolen, allen lieten zij toe, stonden hun een tempel af en een altaar, zodat zij schier even veel goden hadden als mensen -facilius possis deum quam hominem invenire. En nadat het rijk den Christelijken Godsdienst had aangenomen, bleef deze stad ongeneeslijk aan afgoderij overgegeven, en al de vrome edicten van de Christen keizers vermochten niet haar uit te roeien, totdat, door den inval der Gothen, die stad zeer bijzonder verwoest werd, zodat er nu nog nauwelijks iets van overig is. Het is opmerkelijk, dat waar de menselijke geleerdheid het meest bloeide, de afgoderij het veelvuldigst voorkwam, en dat wel de meest ongerijmde, de bespottelijkste afgoderij, waardoor het woord van den apostel bevestigd wordt, dat zij, zich uitgevende voor wijzen, dwaas zijn geworden, Romeinen 1:22, en in zaken van Godsdienst, meer dan alle anderen verijdeld zijn geworden in hun overleggingen. Door de wijsheid heeft de wereld God niet gekend, 1 Corinthiërs 1:21. Zij zouden tegen polytheïsme en afgoderij hebben kunnen redeneren, maar het schijnt, dat zij, die het meest aanspraak hebben gemaakt op rede, de grootste slaven zijn geweest van afgoden, zo noodzakelijk was het voor de wederherstelling, zelfs van den natuurlijken Godsdienst, dat er ene Goddelijke openbaring zou zijn, waarvan Christus het middelpunt is.
2. De ontroering, die zich op dat gezicht van Paulus heeft meester gemaakt. Paulus had niet gewenst in het openbaar op te treden, voordat Silas en Timotheus tot hem kwamen, opdat uit den mond van twee of drie getuigen al de waarheid zou bestaan, maar intussen werd zijn geest in hem ontstoken, hij was vervuld van smart, omdat hij zag hoe de ere, die aan God toekomt, aan de afgoden werd gegeven, en van medelijden met de zielen der mensen, die hij aldus aan Satan zag dienstbaar gemaakt, en door hem gevangen geleid tot zijn wil. Hij zag degenen, die trouwelooslijk handelden, en het verdroot hem, en grote beroering heeft hem bevangen. Hij was vervuld van ene heilige verontwaardiging tegen de Heidense priesters, die het volk op zulk een eindelozen weg van afgoderij voerden, en tegen hun filosofen, die beter wisten, maar er nooit een woord tegen gesproken hebben, ja, ook zelven medegingen met den stroom. II. Het getuigenis, dat hij aflegde tegen hun afgoderij, en zijne pogingen om hen tot de kennis der waarheid te brengen. Hij is niet- gelijk Witsius opmerkt-in het vuur van zijn' ijver hun tempels binnengestormd, heeft hun beelden niet omver gerukt en hun altaren niet afgebroken, de priesters niet getrotseerd of beledigd. Hij liep niet door hun straten, roepende: "Gij zijt allen de slaven van den duivel", hoewel dit maar al te waar was. Neen, hij nam de welvoeglijkheid in acht, bleef binnen de betamelijke grenzen, slechts datgene doende, wat aan een wijs en voorzichtig man voegde.
1. Hij ging naar de synagoge der Joden, die, hoewel vijanden van het Christendom, vrij waren van afgoderij. Hij verenigde zich met hen in hetgeen goed bij hen was, en nam de gelegenheid waar, die hem daar gegeven was, om met hen te handelen voor Christus, vers 17. Hij sprak met de Joden, redeneerde met hen, stelde hun de vraag: waarom zij, daar zij toch den Messias verwachtten, Jezus niet wilden aannemen. Dáár vond hij degenen, die Godsdienstig waren, die de afgodstempels hadden verlaten, en zich in de Synagoge der Joden hielden, en met dezen sprak hij om hen tot de Christelijke kerk te brengen, waarvan de synagoge der Joden slechts als een voorportaal was.
2. Hij trad in gesprek met allen, die zich aan hem voordeden, over de zaken van den Godsdienst. Op de markt, en tei agorai, op de beurs, of handelsplaats, heeft hij dagelijks gehandeld, dat is: twistgesprekken gevoerd met degenen, die hem voorkwamen, of met wie hij in gezelschap kwam, Heidenen, die nooit in de synagoge der Joden kwamen. De ijverige pleitbezorgers van de zaak van Christus, zullen bereid zijn in alle gezelschappen, naar de gelegenheid er toe zich voordoet, haar voor te staan, voor haar te spreken. De dienstknechten van Christus moeten het niet voldoende achten om eens in de week een goed woord voor Hem te spreken, zij behoren dagelijks tot hen, die zij ontmoeten, eervol en met eerbied van Hem te spreken.
III. Het onderzoek, dat sommigen van de filosofen naar de leer van Paulus instelden. Merk op:
1. Wie zij waren, die met hem streden, die in gesprek met hem traden en hem tegenstonden. Hij handelde met allen, die hij in de plaatsen van samenkomst ontmoette, of liever in de plaatsen van gesprekken of twistredenen. De meesten namen gene notitie van hem, gingen hem minachtend voorbij, achtten op geen enkel woord, dat hij zei. Maar sommigen uit de filosofen, achtten het toch wel der moeite waard, om er hun opmerkingen op te maken, en dat waren zij, wier beginselen het meest strijdig waren met het Christendom. a De Epicuriërs, die meenden, dat God ten enenmale is, gelijk zij, een vadsig, werkeloos Wezen' dat op niets acht neemt, noch enig verschil stelt tussen goed en kwaad. Zij wilden noch erkennen, dat God de wereld gemaakt heeft, noch dat Hij haar bestuurt, en evenmin, dat de mens ene gewetenszaak behoeft te maken van hetgeen hij zegt of doet, daar hij gene straf te vrezen, en gene beloning te verwachten heeft, tegen alle welke loszinnige, atheïstische denkbeelden het Christendom gekant is. De Epicuriërs gaven zich toe in allerlei zingenot, plaatsten hun geluk in hetgeen Christus ons geleerd heeft ons in de eerste plaats te verloochenen.
b. De Stoïcynen, die zich in alle opzichten even goed achtten als God, en zich evenzeer toegaven in de grootsheid des levens als de Epicuriërs in de begeerlijkheid des vlezes en de begeerlijkheid der ogen. Dien zij voor een deugdzaam mens hielden, was in geen enkel opzicht de mindere van God zelven, ja hij stond boven Hem. Esse aliquid quo sapiens antecedat Deum. -Er is in den wijze iets, waardoor hij God overtreft, zegt Seneca. Daar staat het Christendom lijnrecht tegenover, daar het ons leert ons zelven te verloochenen en te vernederen, alle vertrouwen in ons zelven te laten varen opdat Christus alles zij in alles. 2. Wat hun meningen waren omtrent hem, sommigen waren zoals die over Christus, vers 18.
a. Sommigen noemden hem een klapper, of beuzelaar. Zij dachten, dat hij sprak zonder enigerlei plan of bedoeling, wat hem zo maar inviel, zoals mensen met ene zieke verbeelding. Wat wil toch deze klapper zeggen? ho spermologos houtos, deze verstrooier van woorden, die daar heengaat, hier en daar een ijdel woord of verhaal heenwerpende, zonder enigerlei bedoeling of betekenis, of, deze opraper van zaden. Sommigen van de critici zeggen ons, dat het woord ene soort van vogeltje aanduidt, dat niets waard is, noch voor het spit, noch voor de kooi deugt, en zaden, die onbedekt op den weg of op den akker liggen oppikt, en daarvoor heen en weer huppelt.
Avicula parva quæ semina in triviis dispersa colligere solet. Voor de gelijke van zulk een erbarmelijk, verachtelijk dier zagen zij hem aan. Of wel zij dachten, dat Paulus van plaats tot plaats ging met zijne denkbeelden om er geld voor te krijgen, hier een penning en daar een penning, zoals vogels hier en daar een zaadje oppikken. Zij beschouwden hem als een ledigloper, een liedjeszanger, zoals wij zeggen.
b. Anderen noemden hem een verkondiger van vreemde goden, en dachten, dat hij sprak met het doel om zich hierdoor gewichtig te maken. En indien hij vreemde goden had aan te bieden, dan zou hij er gene betere markt voor kunnen vinden dan te Athene. Hij heeft wel niet, zoals velen, direct en openlijk vreemde of nieuwe goden verkondigd, maar zij dachten, dat hij dit scheen te doen, omdat hij hun Jezus en de opstanding verkondigde. Van zijne eerste komst onder hen heeft hij telkens en nogmaals van deze twee dingen gesproken, die ook inderdaad de voornaamste leerstellingen zijn van het Christendom-Christus en een toekomende staat, Christus onze Weg, en de hemel ons doel, en hoewel hij dit gene goden noemde, dachten zij toch, dat hij ze tot goden wilde maken. Ton Jêsoun kai tên anastasin, "zij hielden Jezus voor een nieuwen god, en anastasis, de opstanding, voor ene nieuwe godin " Aldus verloren zij het nut der Christelijke leer, door haar in ene Heidense spraak te hullen, alsof in Jezus te geloven, en de opstanding te verwachten een aanbidden was van nieuwe demonen.
3. Hun voorstel om hem in het openbaar een volledig en onpartijdig gehoor te verlenen, vers 19, 20. Zij hebben slechts hier en daar enige fragmenten van zijne leer gehoord, en zullen er gaarne beter op de hoogte van komen.
a. Zij beschouwen haar als iets vreemds en verbazingwekkends, zeer verschillend van de wijsbegeerte, die gedurende vele eeuwen te Athene onderwezen werd. "Het is ene nieuwe leer, waarvan wij het doel en de strekking niet begrijpen. Gij brengt enige vreemde dingen voor onze oren, waarvan wij nooit te voren gehoord hebben, wij weten niet wat er van te maken." Hieruit blijkt wel, dat zij onder al de geleerde boeken, die zij bezaten, de boeken van Mozes en de profeten of niet hadden, of er geen acht op hadden geslagen, want anders zou de leer van Christus niet zo volkomen nieuw en vreemd voor hen geweest zijn. Er was slechts een boek in de wereld, dat door Goddelijke ingeving was geschreven, en dat was het enige boek, dat hun onbekend was, en dat, als zij er behoorlijk acht op hadden willen slaan, reeds op de eerste bladzijde den groten strijd onder hen omtrent den oorsprong van het heelal beslist zou hebben.
b. Zij verlangen er meer van te weten, alleen maar omdat het iets nieuws en vreemds was, "Kunnen wij niet weten welke deze nieuwe leer is? Of moet zij (zoals de mysteriën der goden) een diep geheim blijven? Als het kan, zouden wij gaarne weten, en wij wensen, dat gij ons zeggen zult, wat toch dit zijn wil, opdat wij er over kunnen oordelen." Dit was een billijk voorstel, het was voegzaam dat zij zouden weten wat deze nieuwe leer is, eer zij haar omhelsden, en zij waren redelijk genoeg haar niet te veroordelen, voordat zij er genoegzame kennis van hadden.
c. De plaats, waar zij hem brachten voor deze openlijke bekendmaking van zijne leer, was de Areopagus, hetzelfde woord, dat in vers 22 is overgezet door heuvel van Mars. Het was hun stadhuis, waar de magistraten vergaderden voor de openbare zaken, en de gerechtshoven hun zittingen hielden, en het was als de schouwplaats in de universiteit of van de scholen, waar de geleerden bijeen kwamen om elkaar hun denkbeelden en meningen mede te delen. Het gerechtshof, dat hier zitting hield, was vermaard om zijne billijkheid waardoor men er zich van alle kanten op beriep. Loochende iemand een god, dan was hij aan de bestraffing van dit hof blootgesteld. Diagoras werd door dit hof ter dood veroordeeld als een smader van de goden, en zonder goedkeuring van deze rechters mocht geen nieuwe god worden toegelaten. Daarheen brachten zij Paulus, niet om er verhoord te worden als een misdadiger, maar om er gehoord te worden als een kandidaat.
4. De algemene hoedanigheid, die aan het volk van deze stad bij die gelegenheid wordt toegeschreven, vers 21 Allen die van Athene, dat is: de inboorlingen van die plaats, en de vreemdelingen, die er ter hunner ontwikkeling en beschaving verblijf hielden, besteedden hun' tijd tot niets anders dan om wat nieuws te zeggen en te horen, hetgeen aangeduid wordt als de reden, waarom zij zo nieuwsgierig waren naar de leer van Paulus, niet omdat zij goed, maar omdat zij nieuw was. Het is een treurig karakter, dat hier aan deze lieden toegeschreven wordt, en toch zijn er velen, die hen navolgen.
a. Zij waren zeer voor het gezellig verkeer, voor onderlinge gesprekken. Paulus vermaant zijn leerling aan te houden in het lezen en overdenken, 1 Timotheus 4:13, 15, maar deze lieden verachtten die ouderwetse manier om kennis te verkrijgen, en gaven de voorkeur aan zeggen en horen. Goed gezelschap kan den mens wel zeer nuttig wezen en zal veel bijdragen tot de beschaving van iemand, die een goeden grond gelegd heeft in de studie, maar zeer vluchtig en oppervlakkig zal de kennis wezen, die alleen door gesprek en omgang verkregen is.
b. Zij hielden van nieuwigheid, wat nieuws te zeggen en te horen. Zij waren voor nieuwe ontwerpen en nieuwe denkbeelden in de filosofie, nieuwe vormen en nieuwe plannen in regeringszaken en staatkunde, en in den Godsdienst voor nieuwe goden, die van nabij gekomen waren, Deuteronomium 32:17, nieuwe demonen, nieuwerwetse beelden en altaren, 2 Koningen 16:10, zij hielden van verandering. Lang te voren had Demosthenes, een hunner redenaars, hun ten laste gelegd in een zijner philippica's, dat hun gewone vraag op de markt, of waar zij elders bij elkaar kwamen, was: ei ti legetai neooteron, of er iets nieuws was.
c. Zij bemoeiden zich met anderer zaken, waren er nieuwsgierig naar, en gaven geen acht op hun eigene zaken. Klapachtige lieden zijn altijd bemoeiallen, 1 Timotheus 5:13. Zij besteedden hun tijd tot niets anders. En zeer zwaar zal het hun vallen rekenschap te geven van hun tijd, die hem aldus doorbrengen. De tijd is kostbaar, en hij spoedt zich voort naar de eeuwigheid, maar zeer veel er van wordt verspild in nutteloze gesprekken. De nieuwe voorvallen mede te delen, of te horen mededelen, die door Gods voorzienigheid worden gewerkt onder ons eigen volk, of bij onze naburen en vrienden, kan nu en dan zeer nuttig wezen, maar ons als nieuwsventers voor te doen, en onzen tijd in niets anders door te brengen is te verliezen wat zeer kostbaar is voor het gewinnen van hetgeen al zeer weinig waarde heeft.