Filippenzen 4:1-9
De apostel begint het hoofdstuk met vermaningen tot verscheidene Christelijke plichten.
I. Tot standvastigheid in de Christelijke belijdenis, vers 1. Dat wordt verbonden aan het slot van het vorige hoofdstuk. Zo dan, staat enz. Aangezien onze wandel in de hemelen is, en wij onzen Zaligmaker vandaar terug verwachten om er ons te brengen, laat ons vast staan. De gelovige hoop en verwachting van het eeuwige leven moeten ons aanmoedigen om vast te staan en vol te houden in de Christelijke loopbaan. Merk hier op:
1. De aanspraken zijn zeer dierbaar. Mijne geliefde en zeer gewenste broederen, mijne blijdschap en kroon, en daarna nog: geliefden. Hij geeft zijne blijdschap in hen te kennen, de liefde die hij voor hen gevoelt, opdat de vermaningen des te meer ingang bij hen mochten vinden. Hij zag hen aan als broederen, ofschoon hij een groot apostel was. Wij zijn allen broeders. Er is verscheidenheid van genaden, van gaven, van aanleg, maar vernieuwd zijnde door dezelfden Geest en naar hetzelfde beeld, zijn wij allen broeders, als kinderen van een Vader, ofschoon van verschillenden leeftijd, bouw en aanleg. Daar ze broederen waren:
A. Had hij hen lief, en beminde hen teder: Geliefde broeders, en later: geliefden. Warme toegenegenheid betaamt dienaren en Christenen voor elkaar. Broederlijke liefde moet altijd samengaan met broederlijke betrekking.
B. Hij had hen lief en verlangde naar hen, verlangde hen te zien en van hen te horen, verlangde en was ernstig begerig naar hun welzijn. Ik verlang naar u met de innerlijke bewegingen van Jezus Christus, Hoofdstuk 1:8.
C. Hij had hen lief en verblijdde zich in hen. Zij waren zijne blijdschap, hij had geen groter blijdschap dan te horen van hun geestelijke gezondheid en voorspoed. Ik ben grotelijks verblijd dat mijne kinderen in de waarheid wandelen, 2 Johannes 4, 3 Johannes 4.
D. Hij had hen lief en zij waren zijn kroon. Zijn kroon zowel als zijne blijdschap, Nooit was een hoogmoedig, eerzuchtig man zo trots op zijn eretekenen als Paulus op de bewijzen van de oprechtheid van hun geloof en gehoorzaamheid. Dat alles bereidde den weg tot nog groter achting.
2. De vermaning zelf. Staat alzo in den Heere. Zijnde in Christus, moesten zij in Hem vast staan, gestadig met Hem wandelen en standvastig blijven tot het einde. Of: vast staan in den Heere is staan in Zijne kracht en door Zijne genade, niet vertrouwende op zich zelven, en geen genoegzaamheid in zich zelven zoekende.
Wij moeten sterk zijn in den Heere en in de sterkte Zijner kracht, Efeze 4:10. Staat dus vast, gelijk gij tot hiertoe gedaan hebt, staat vast tot het einde, als mijne geliefden, mijne blijdschap en kroon, staat vast als mensen in wier welvaart en volharding ik zo grotelijks belangstel en belang heb.
II. Hij vermaant hen tot eensgezindheid en wederkerigen bijstand, vers 2, 3. Ik vermaan Euodia en ik vermaan Syntyche, dat zij eensgezind zijn in den Heere. Dit is bestemd voor twee bijzondere personen. Soms is het nodig de algemene voorschriften des Evangelies toe te passen op bijzondere personen en gevallen. Het schijnt dat Euodia en Syntyche verschil hadden, met elkaar of met de gemeente, naar aanleiding van een burgerlijke zaak-wellicht waren zij met elkaar in rechtshandel-of over enig godsdienstig onderwerp, zij waren van verschillende gevoelens en zienswijzen. "Ik bid u", zegt hij, "begeert van hen in mijnen naam, dat zij eensgezind zijn in den Heere, vrede houden en in liefde samenleven, zonder twisting of tegenspreken, en dat zij eensgezind zijn met de overige gemeenteleden, niet met woord of daad tegen hen ingaande". Daarna wekt hij hen op tot wederkerige hulp, en deze opwekking richt hij tot bijzondere personen. En ik bid ook u, gij mijn oprechte metgezel. Wie de persoon is, dien hij zijn oprechte metgezel noemt, is onzeker. Sommigen denken aan Epafroditus, die dan verondersteld wordt een van de dienaren der gemeente te Filippi te zijn geweest. Anderen denken dat het een of andere uitnemende goede vrouw zou zijn geweest, misschien Paulus' vrouw, omdat hij zijn metgezel opwekt om deze vrouwen behulpzaam te zijn, die met hem gestreden hebben. Wie de metgezel van den apostel was, moest ook de metgezel van zijne vrienden zijn. Naar het schijnt waren het vrouwen, die met Paulus in het Evangelie gearbeid hadden, niet in de openbare bediening (want dat verbood de apostel uitdrukkelijk, 1 Timotheus 2:12).
Ik sta de vrouw niet toe dat zij lere, maar door de dienaren te onderhouden, de zieken te bezoeken, de onwetenden te onderwijzen, de dwalenden terecht te brengen. Zo kunnen vrouwen de dienaren helpen in het Evangelie. Nu, zegt de apostel, help gij haar. Zij, die anderen helpen, behoren geholpen te worden als daar reden voor bestaat. Help haar, dat is, breng ze tot elkaar, sterk haar handen, moedig haar aan in haar moeilijkheden. Ook met Clemens en de andere mijne medearbeiders. Paulus had liefde voor al zijne medearbeiders, en daar hij den zegen van hun bijstand ondervonden had, wist hij hoe aangenaam het voor hen zou zijn om ook anderen bij te staan. Van zijn medearbeiders zegt hij: welker namen zijn in het boek des levens, dat is: zij zijn van eeuwigheid door God uitverkoren, of ingeschreven in het boek, waarin het gezelschap vermeld staat, dat het voorrecht van het eeuwige leven heeft, een zinspeling op de gewoonten van Joden en heidenen, om de vrije inwoners ener stad in een register te boeken. Zo lezen wij: hun namen zijn in den hemel opgeschreven, Lukas 10:20, Ik zal hun namen geenszins uitdoen uit het boek des levens, Openbaring 3:5, en :die geschreven zijn in het boek des levens des Lams, Openbaring 21:7. Er is een boek des levens, en daar staan namen in, niet enkel letters en voorwaarden. Wij kunnen dat boek niet inzien, of weten welke namen er in geschreven staan, maar wij mogen, naar het oordeel der liefde, verwachten dat zij, die arbeiden in het Evangelie en getrouw zijn in het werk van Christus aan de zielen, daarin geschreven staan.
III. Hij vermaant hen tot heilige vreugde en blijdschap in God. Verblijdt u in den Heere ten allen tijde, wederom zeg ik u: verblijdt u, vers 4. Al onze blijdschap moet in God uitlopen, en onze gedachten van God moeten verblijdende gedachten zijn. Verblijdt u in den Heere, Psalm 37:4. Als mijne gedachten binnen in mij vermenigvuldigd werden (bedroevende en pijnlijke gedachten) hebben Uwe vertroostingen mijne ziel verkwikt, Psalm 119:19, en onze overdenking van Hem zal zoet zijn, Psalm 104:34.. Het is onze plicht en ons voorrecht ons in God te verblijden, en ons altijd in Hem te verblijden, ten allen tijde en in alle omstandigheden, ook als wij om Zijnentwil lijden of door Hem bedroefd worden. Wij mogen niet kwaad van Hem denken of van Zijne wegen, omdat wij in Zijnen dienst bezwaren ontmoeten. Er is in God reden van blijdschap genoeg voor ons, ook in de slechtste omstandigheden ter wereld. De apostel heeft dit reeds gezegd in 3:1. Voorts mijne broeders, verblijdt u in den Heere. En hier zegt hij het wederom. Verblijdt u in den Heere te allen tijd, wederom zeg ik u: verblijdt u. Blijdschap in God is een grote plicht van veel gevolgen in het Christelijk leven, en de Christenen moeten er gedurig weer toe geroepen worden. Wanneer godvrezenden niet voortdurend blijde zijn, is het hun eigen schuld,
IV. Hier worden wij vermaand tot wellevendheid en bescheidenheid, goedgezindheid jegens onze broederen: Uwe bescheidenheid zij allen mensen bekend, vers 5. Vervalt in onverschillige dingen niet in uitersten, vermijdt dweepzucht en vooringenomenheid, oordeelt zachtmoedig over anderen. Het woord to epieikes betekent een goede gezindheid jegens anderen, en dat is uitgelegd in Romeinen 14.. Sommigen verstaan er onder een geduldig verdragen van droefenissen, of een matig genot van werelds goed, en dat laatste sluit wel goed aan bij de volgende woorden. De reden is: de Heere is nabij. De overweging van onzes Meesters nadering om rekening te houden, moet ons terughouden van het slaan onzer mededienstknechten, ons ondersteunen in ons lijden, en onze begeerte naar uitwendige goederen betomen. Hij zal wraak nemen op uwe vijanden en uw geduld belonen.
V. Hier is ene waarschuwing tegen verontrustende en terneerslaande bezorgdheid, vers 6. Weest in geen ding bezorgd, mêden merimnaate, dezelfde uitdrukking als in Mattheus 6:25 :Weest niet bezorgd voor uw leven, dat is: vermijdt angstige bezorgdheid en aftrekkende gedachten in de behoeften en moeilijkheden van het leven. Het is de plicht en het belang der Christenen om zonder bezorgdheid te leven. Er is een zorg van vlijtigheid, die onze plicht is en bestaat uit wijs vooruitzien en nuchter overleg, maar er is ook een zorg van vooruitlopen en wantrouwen, welke onze zonde en dwaasheid is, en die enkel dient om den geest neer te slaan en te verstrooien. Weest in geen ding bezorgd, zo dat ge daardoor God zoudt wantrouwen en ongeschikt voor Zijn dienst worden.
VI. Als een uitstekend middèl tegen ontzenuwende bezorgdheid beveelt hij ons het voortdurend gebed aan: Laat uwe begeerten in alles, door bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God.
1. Wij moeten niet enkel bepaalde tijden voor het gebed hebben, maar wij behoren te bidden bij elke bijzondere aanleiding. In alles door bidden en smeken. Indien enig ding onzen geest bezwaart, moeten wij hem tot kalmte brengen door gebed, wanneer onze zaken verward of treurig staan, moeten wij daardoor leiding en ondersteuning zoeken.
2. Wij moeten dankzeggingen bij onze gebeden en smekingen voegen. Wij moeten niet alleen trachten het goede te verkrijgen, maar ook danken voor ontvangen barmhartigheden. Dankbare erkenning van hetgeen ons geschonken werd, geeft de rechte gesteldheid aan de ziel en is een goede aanbeveling voor verdere gaven.
3. Bidden is het bekendmaken van onze begeerten aan God. Laat uwe begeerten bekend worden aan God. God heeft natuurlijk niet nodig, dat wij Hem mededelen wat onze behoeften of begeerten zijn, want dat weet Hij beter dan wij Hem kunnen zeggen, maar Hij wil het van ons horen, Hij wil dat wij onze begeerten en verlangens zullen tonen, onze waardering van Zijn goedertierenheid zullen te kennen geven en onze afhankelijkheid van Hem zullen gevoelen.
4. Het gevolg daarvan zal zijn: De vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uwe harten en uwe zinnen bewaren in Christus Jezus, vers 7. De vrede Gods, dat is, het vertroostend gevoel van onze verzoening met God en ons deel aan Zijn gunst, en de hoop op hemelsen zegen en blijdschap in God hiernamaals, -welke alle verstand te boven gaat, die een groter goed is dan voldoende gewaardeerd of behoorlijk uitgedrukt kan worden: Hetgeen in geen mensen hart is opgekomen, 1 Corinthiërs 2:9. Deze vrede zal onze harten en zinnen bewaren in Christus Jezus, hij zal ons terughouden van zondigen in onze moeilijkheden en van wegzinken daaronder, ons kalm en rustig houden, zonder ontsteltenis door hartstocht en met inwendige voldoening. Gij zult allerlei vrede bewaren, want men heeft op U vertrouwd, Jesaja 26:3.
VII. Wij worden opgewekt om een goeden naam te verkrijgen en te bewaren, zowel bij God als bij de mensen. Al wat waarachtig is, enz., vers 8. Eerbied voor waarheid in onze woorden en handelingen, beleefdheid en voorkomendheid in ons gedrag, overeenkomstig onze omstandigheden en levenstoestanden. Al wat eerlijk is en wat rechtvaardig is, overeenkomende met de wetten van rechtvaardigheid en gerechtigheid, in alle onze handelingen tegenover mensen en zonder de onheilige inmenging van zonden. Al wat rein is en wat lieflijk is, beminnelijk is, ons bemind maken zal, en maken dat er goed van ons gesproken wordt, en gedacht, ook door anderen. Indien er enige deugd en enige lof is, enig ding, werkelijk deugdzaam en aanbevelenswaardig. Merk op:
1. De apostel wil, dat deze Christenen ook zelfs van hun heidense naasten zullen leren, indien die iets goeds hebben. Indien er enige deugd is, bedenkt die, volgt hen na in hetgeen er deugdzaams in hen mocht zijn, en laat hen in geen geval u in goedheid achter zich laten. Wij mogen ons niet schamen iets goeds te leren van slechte mensen, of van hen die niet zo bevoordeeld zijn als wij.
2. Deugd heeft haar lof en zal dien ontvangen. Wij moeten wandelen in al de wegen der deugd en daarin blijven, en dan: of de mensen ons al dan niet prijzen, zullen wij roem bij God hebben, Romeinen 2:29. In deze dingen stelt hij zichzelf tot voorbeeld, vers 9. Hetgeen gij ook geleerd, en ontvangen en gehoord en in mij gezien hebt, doet dat. Paulus was in leer en leven een man uit een stuk. Wat zij in hem gezien hadden, dat hadden zij ook van hem gehoord. Hij kon zowel zich zelven als zijne leer ten voorbeeld stellen. Het geeft grote kracht aan hetgeen wij anderen zeggen, wanneer wij er ons op beroepen kunnen dat zij het ook in ons gezien hebben. En dan zal de God des vredes met ons zijn, om ons dicht bij onzen plicht jegens Hem te houden. De Heere is met ons omdat wij met Hem zijn.