1 Koningen 19:1-8
Na zo'n openbare en merkbare openbaring van de heerlijkheid Gods en zo'n duidelijke, afdoende beslissing van het geding tussen Hem en Baäl, tot eer van Elia en beschaming van de Baälsprofeten en de algemene voldoening van het volk, nadat zij beide vuur en water van de hemel hadden zien komen op Elia's gebed, en beide in goedertierenheid jegens hen, het een de aanneming te kennen gevende van hun offerande, het andere om hun erfdeel te verkwikken toen het mat was geworden, zou men verwacht hebben, dat zij nu allen als één man weergekeerd zouden zijn tot de aanbidding van de God Israëls en Elia tot hun leidsman en Godsspraak zouden genomen hebben, dat hij van nu aan eerste staatsminister zou geweest zijn, en dat zijn bevelen wet zouden geweest zijn voor de koning en voor het volk. Maar het is geheel anders, hij, die God geëerd had, wordt veronachtzaamd, geen eerbied wordt hem bewezen, generlei gebruik van hem gemaakt, geen zorg voor hem gedragen, integendeel: hij bevindt dat het onmogelijk voor hem is om in het land Israëls, waarvoor hij zo' groten zegen is geweest en nog zo'n grote zegen zijn kon, te blijven.
1. Achab ontstak Izebels toorn tegen hem. Deze gemalin van de koning schijnt in werkelijkheid regerende koningin te zijn geweest, zoals zij dat later als koningin-weduwe geweest is, een heerszuchtige vrouw, die de koning en het koninkrijk regeerde, en deed wat zij verkoos. Achabs geweten liet hem niet toe Elia te vervolgen (er was nog iets van het bloed en de geest van een Israëliet in hem overgebleven, dat hem de handen bond), maar hij zei aan Izebel alles wat Elia gedaan had, vers 1 niet om haar tot overtuiging te brengen, maar om haar in woede te ontsteken. Er wordt niet gezegd dat hij haar aanzegde wat God gedaan had, maar wat Elia gedaan had, alsof hij door het een of andere tovermiddel vuur van de hemel had doen komen en de hand des Heeren er niet in was. Inzonderheid stelde hij haar voor wat haar het meest verwoed tegen hem zou maken, namelijk dat hij de profeten van Baäl had gedood, hij noemt hen de profeten, alsof niemand dan zij die naam waardig waren. Zij waren de goden, waar zijn hart op gezet was, en hij verzwaart hun terdoodbrenging als Elia's misdaad, zonder op te merken dat het een rechtvaardige wedervergelding was van haar ter dood brengen van Gods profeten, Hoofdstuk 18:4. Zij, die uit schaamtegevoel of vrees, zelf geen kwaad kunnen doen, wekken anderen op om het te doen, maar dan zal het toch even goed voor hun rekening komen alsof zij het zelf gedaan hadden.
II. Izebel zond Elia een dreigende boodschap vers 2, namelijk dat zij gezworen had hem binnen vier en twintig uren ter dood te laten brengen. Er was iets, dat haar verhinderde om het nu te doen, maar zij besluit dat het niet ongedaan zal blijven. Vleselijk gezinde harten worden verhard en in woede ontstoken tegen God door hetgeen hen tot overtuiging en onderwerping moest brengen. Zij zweert bij haar goden en, razende als iemand die buiten zinnen is, vervloekt zij zichzelf zo zij hem niet doodt, zonder enigerlei voorbehoud van een Goddelijke toelating. Wreedheid en verwaandheid gaan dikwijls samen in vervolgers: "ik zal vervolgen, ik zal achterhalen," Exodus 15:9. Maar hoe kwam zij er toe om hem bericht te zenden van haar voornemen, en hem aldus de gelegenheid te geven om te ontkomen? Dacht zij hem zo stoutmoedig te zijn, dat hij niet zou vluchten? Of geloofde zij zich instaat zijn vlucht te beletten? Of was er een bijzondere leiding in van Gods voorzienigheid dat zij dus verdwaasd was in haar woede? Ik ben geneigd te denken dat zij, hoewel dorstende naar zijn bloed, op dit ogenblik toch niets tegen hem durfde ondernemen uit vrees voor het volk, daar allen hem hielden voor een profeet een groot profeet, en daarom zendt zij hem slechts een boodschap om hem te verschrikken en hem uit de weg te krijgen voor het ogenblik, opdat hij niet zou voortzetten wat hij had begonnen. Dat zij haar dreigement bekrachtigt met een eed en een verwensing, bewijst volstrekt niet dat zij het meende of bedoelde, maar alleen, dat zij het hem wilde doen geloven. De goden, bij wie zij zwoer, konden haar geen kwaad doen.
III. In grote verschrikking is Elia toen om zijns levens wil gevlucht, waarschijnlijk `s nachts, en kwam te Berseba, vers 3. Zullen wij hem hiervoor prijzen? Wij prijzen hem niet. Waar was de moed, waarmee hij nog pas Achab en al de profeten van Baäl was tegengetreden, de moed, die hem bij zijn offer liet blijven toen het vuur Gods er op viel? Hij, die daar onversaagd stond temidden van de verschrikkingen beide van hemel en van aarde siddert op de machteloze dreigementen van een hoogmoedige, hartstochtelijke vrouw. Heere, wat is de mens? Een groot geloof is niet altijd even krachtig. Hij moest wel weten dat hij in dit tijdsgewricht aan Israël een grote dienst zou kunnen bewijzen, en hij had alle reden om op Gods bescherming te vertrouwen, zolang hij Gods werk deed, en toch vluchtte hij. In zijn vorig gevaar had God zelf hem bevolen zich te gaan verbergen, Hoofdstuk 17:3, en daarom dacht hij dat het hem ook nu geoorloofd was.
IV. Van BerSeba ging hij voorwaarts naar de woestijn, die grote huilende woestijn waarin Israël omgewandeld heeft. Berseba was zo ver van Jizreël, en lag binnen het gebied van zo goed een koning als Josafat was, dat hij daar wel veilig moest wezen, maar alsof zijn vrees hem vervolgde, kon hij, zelfs toen hij buiten het bereik was van gevaar, niet rusten, maar ging hij nog een dagreis de woestijn in. Maar misschien trok hij zich daarheen terug, niet zozeer om er veilig te zijn als wel om geheel en al afgezonderd te zijn van de wereld, ten einde zoveel vrijer en inniger gemeenschap te kunnen hebben met God. Hij liet zijn jongen te Berseba, opdat hij geheel alleen zou zijn in de woestijn, zoals Abraham zijn jongens aan de voet van de berg liet, toen hij op de berg ging om God te aanbidden, en zoals Christus in de hof zich terugtrok van Zijn discipelen. Of misschien was het, omdat hij zijn dienaar, die nog jong en teer was, niet wilde blootstellen aan de vermoeienissen en ontberingen van de woestijn, hetgeen zou wezen nieuwe wijn in oude lederzakken te doen. Zo moeten ook wij achtgeven op de lichaamsgesteldheid van onze onderhorigen, zoals God achtgeeft op het onze, wetende wat maaksel wij zijn.
V. Vermoeid zijnde van zijn reis, werd hij gemelijk (zoals kinderen als zij slaperig worden) en bad dat hij mocht sterven, vers 4. Hij verzocht voor zijn leven (zo luidt hier de kanttekening dat hij mocht sterven, want de dood is leven voor een Godvruchtige, de dood van het lichaam is het leven van de ziel. Maar dat was toch niet de reden, waarom hij wenste te sterven, het was niet de weloverdachte begeerte van de genade, zoals die van Paulus, "om ontbonden te zijn en met Christus te wezen," maar de hartstochtelijke begeerte van zijn bedorven natuur, zoals bij Job. Zij, die op deze wijze naar de dood verlangen, zijn er niet in de geschiktste gemoedstoestand voor. Izebel heeft hem de dood gezworen, en daarom gaat hij er nu in een verkeerde gemoedsbeweging om bidden, loopt hij van de dood naar de dood, maar toch met dit verschil, dat hij wenst te sterven door de hand des Heeren, wiens barmhartigheden groot zijn, en niet te vallen in de handen van de mensen, wier barmhartigheden wreed zijn. Hij wilde liever in de woestijn sterven, dan zoals de profeten van Baäl gestorven zijn overeenkomstig Izebels dreigement, vers 2, opdat de aanbidders van Baäl niet triomferen en de God van Israël lasteren, voor wie zij zich dan te sterk zouden denken, indien zij Zijn voorstander kunnen neerwerpen. "Het is genoeg", zegt hij, "ik heb genoeg gedaan, genoeg geleden, ik ben het leven moede". Zij, die zich van de zaligheid verzekerd weten in de andere wereld, zullen spoedig genoeg hebben van deze wereld. "Ik ben niet beter dan mijn vaderen" pleit hij, "noch beter in staat om die vermoeienissen te dragen, waarom zou ik er dan langer mee belast zijn dan zij? Maar is dit mijn heer Elia? Kan die grote kloekmoedige man aldus terugdeinzen voor gevaar? God heeft hem aldus aan zichzelf overgelaten, om te tonen dat, toen hij kloek en sterk was het in de Heere was en in de sterkte van Zijn macht, maar dat hij in zichzelf niet beter was dan zijn vaderen of zijn broederen.
Vl. God heeft hem in die woestijn gespijzigd door een engel, in die woestijn, in welker gebrek en gevaar hij zich moedwillig had geworpen, en waarin hij, indien God hem niet genadig ondersteund had, omgekomen zou zijn. Hoe oneindig veel beter handelt God met Zijn gemelijke, ondeugende kinderen dan zij verdienen! In een vlaag van moedeloosheid wenst Elia te sterven. God had hem niet nodig, maar bedoelde hem nog verder te eren, en daarom zond Hij een engel om hem in het leven te behouden. Het zou soms zeer slecht met ons gesteld zijn, als God ons aan ons woord hield en ons ons dwaas verzoek zou toestaan. Gebeden hebbende dat hij mocht sterven, legde hij zich neer en sliep, vers 5, wensende misschien in zijn slaap te sterven, en niet weer te ontwaken, maar hij wordt opgewekt in zijn slaap, en vindt zich niet alleen wèl voorzien van brood en water, vers 6, maar, wat meer was, bediend door een engel, die over hem gewaakt had toen hij sliep, en hem tweemaal riep om te eten, toen het voedsel voor hem gereed was, vers 5, 7. Hij behoefde niet te klagen over de onvriendelijkheid van de mensen, als die hem aldus vergoed werd door de dienst van de engelen. Aldus voorzien zijnde, had hij reden te denken dat het hem beter ging dan de profeten van het bos, die van Izebels tafel aten. Overal waar Gods kinderen zijn, zijn zij op huns Vaders grond, en daarom ook onder huns Vaders oog en zorg. Zij kunnen dwalen in een woestijn, maar God heeft hen niet verlaten, daar kunnen zij, evenals Hagar, Hem zien, die leeft en hen ziet, Genesis 16:13.
Eindelijk. In de kracht van deze spijze wordt hij naar Horeb, de berg Gods, gevoerd, vers 8. Daar heeft de Geest des Heeren hem gebracht, waarschijnlijk wel tegen zijn eigen bedoeling, ten einde gemeenschap met God te oefenen in dezelfde plaats, waar Mozes gemeenschap met Hem heeft geoefend. De engel zei hem ten tweeden male te eten, omdat hij een lange reis voor zich had, vers 7. God weet waar Hij ons voor bestemt, al weten wij het niet, voor welke diensten Hij ons wil gebruiken, welke beproevingen ons nog wachten, en Hij draagt zorg voor ons, en voorziet ons van genade, die ons genoeg is. Hij, die de reis bepaalt, zal er het schip voor provianderen. Zie, hoeveel verschillende middelen God heeft gebruikt om Elia bij het leven te behouden, Hij heeft hem voedsel laten brengen door raven, heeft zijn spijze vermenigvuldigd, dan weer door een engel, en nu heeft Hij, om te tonen dat de mens niet alleen bij brood zal leven, hem veertig dagen in het leven gehouden zonder spijs, zonder rust en zonder slaap waardoor hij nog te minder naar voedsel verlangde, maar altijd de doolhof van de woestijn doorwandelende, een dag voor ieder jaar van Israëls omwandeling, maar hij heeft noch voedsel nodig, noch verlangt hij er naar. De plaats heeft hem ongetwijfeld herinnerd aan het manna, en hem aangemoedigd om te hopen dat God hem hier onderhouden zal, en hem ter bestemder tijd weer vandaar wegvoeren zal, evenals Hij er Israël van weggevoerd heeft, hoewel zij, evenals hij, gemelijk en mistrouwend waren geweest.