Klaagliederen 3:21-36
Hier beginnen de wolken zich te verstrooien en de lucht op te helderen, de klachten in het eerste deel van dit hoofdstuk waren zeer treurig, maar hier valt een andere toon te beluisteren, en de treurenden in Zion zien er iets vrolijker uit. Als de hoop er niet was, zou het hart breken. Om te voorkomen dat het hart geheel gebroken wordt, roept hij hier iets in zijn geheugen terug, dat reden geeft om te hopen, vers 21, dit slaat op `t geen volgt, en niet op wat vooropgaat. Ik doe in mijn hart terugkeren (zo staat in de kanttekening), wat wij in ons hart hebben gehad, en ter harte genomen, is soms alsof het totaal verloren en vergeten was, totdat God het door Zijn genade in ons hart doet terugkeren, opdat het voor ons gereed zal zijn, als wij het nodig hebben. Ik roep het in mijn geheugen terug, en word bewaard voor volkomen wanhoop. Laat ons zien, wat hij bedenkt.
I. Dat, zo slecht als het er voor staat, het aan Gods barmhartigheid te danken is, dat het er nog niet slechter mee gesteld is. Wij worden beproefd door de roede van Zijn verborgenheid, het zijn de goedertierenheden des Heeren, dat wij niet vernield zijn, vers 22. Als wij in ellende zijn, moeten wij ter bemoediging van ons geloof en hoop, opmerken, wat voor ons, zowel als wat tegen ons is. De zaken staan slecht, maar zij zouden nog slechter kunnen staan, en daarom is er hoop, dat zij beter zullen worden. Hier valt op te merken
1. Dat de stroom van de genade bemerkt wordt. De kerk van God is als de braambos van Mozes, brandende, en toch "niet verteerd," welke moeilijkheden zij ook doorworstelt, of nog te doorworstelen heeft, zij zal in de wereld blijven bestaan tot aan het einde van de tijd. Zij is vervolgd door de mensen, maar niet verlaten door God, en daarom, "al is zij neergeworpen, toch is zij niet verdorven," 2 Corinthiers 4:9, "gekastijd, maar niet vernield, als het zilver in de smeltkroes gezuiverd, maar niet weggedaan als schuim."
2. Dat ook de bron van deze stroom wordt waargenomen: "Het zijn de goedertierenheden des Heeren". Hier wordt het meervoud gebruikt om de overvloed van deze verschillende goedertierenheden. "God is een onuitputtelijke bron van genade en de Vader van de barmhartigheden." Wij hebben het allen aan Gods sparende goedheid te danken, dat wij niet vernield zijn. Anderen, om ons heen, zijn vernield, en wij zijn in hetzelfde gevaar geweest, en toch zien wij niet vernield, wij zijn aan het graf, aan de hel ontrukt. Had Hij met ons gedaan naar onze zonden, wij zouden al lang geleden vernield zijn, maar God heeft met ons gedaan, naar zijn barmhartigheden, en het is onze plicht, dat tot Zijn lof te erkennen.
II. Dat zij ook in de diepte van hun beproeving nog de tederheid van het goddelijk medelijden en de waarheid van de goddelijke belofte ondervinden. Zij hadden herhaaldelijk geklaagd, dat God geen medelijden had, Hoofdstuk 2:17, 24, maar hier erkennen zij, dat zij ongelijk hebben en,
1. Dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben, in werkelijkheid hebben zij geen einde, zelfs niet wanneer Hij ze door toorn toegesloten schijnt te hebben. De rivieren van Zijn goedheid zijn altijd vol water, en nimmer drogen ze uit. Neen, zij zijn elke morgen nieuw, iedere morgen zien wij nieuwe voorbeelden van Gods goedertierenheid jegens ons: "Hij bezoekt er ons mee in elke morgenstond, Job 7:18, elke morgen geeft Hij Zijn recht in het licht," Zefanja 3:5. Als onze vertroostingen te kort schieten, Gods barmhartigheden niet. 2. Dat Zijn trouw groot is. Hoewel het verbond verbroken scheen te zijn, zij erkenden, dat het nog steeds van kracht was, en, al ligt Jeruzalem in puin, de waarheid des Heeren is in van de eeuwigheid. Welke harde dingen wij ook verdragen moeten, wij moeten nooit harde gedachten van God koesteren, maar steeds bereid zijn te erkennen, dat Hij, beide, vriendelijk en getrouw is.
III. Dat God het algenoegzame geluk is van Zijn volk, en dat altijd blijven zal, en dat zij Hem verkozen hebben, en zich op Hem verlaten om dat te zijn, vers 24. De Heere is mijn deel, zegt mijn ziel, dat is:
1. "Als ik al wat ik in de wereld had, verloren heb, vrijheid, levensonderhoud, en bijna het leven zelf, toch heb ik bij God niets verloren". Ons deel op aarde zal vergaan, maar God is ons deel in eeuwigheid.
2. "Zolang God mijn deel is, heb ik genoeg, ik heb zoveel als een voldoende tegenwicht vormt tegen al mijn ellende en al wat ik verloren heb." Waarvan wij ook beroofd worden ons deel is zeker.
3. "Dat is het, waarop ik mij verlaat en waar ik in berust. Daarom zal ik op Hem hopen. Op Hem wil ik vertrouwen en mij in Hem bemoedigen, als alle andere steun en bemoediging mij ontbreekt." Het is onze plicht om God tot het deel van onze ziel te maken, en dan van Hem als ons deel gebruik te maken en ons daarmee te troosten, te midden van onze weeklachten.
IV. Dat zij, die met God te doen hebben, zullen bevinden, dat het niet tevergeefs is op Hem te betrouwen, want,
1. Hij is goed voor hen, die dat doen, vers 25. Hij is goed voor iedereen, Zijn barmhartigheden zijn over alle Zijn werken, al het schepsel proeft Zijn goedheid. Maar in bijzondere mate is Hij goed dengenen, die Hem verwachten, van de ziel, die Hem zoekt. Zolang onze smart wordt verlengd, en onze verlossing uitgesteld, moeten wij geduldig op God wachten, dat Hij in genade tot ons terugkere. Terwijl wij Hem vetwachten door het geloof, moeten wij Hem zoeken in het gebed, onze ziel moet Hem zoeken, anders zoeken wij niet om te vinden. Ons zoeken zal ons helpen wachten. En hun, die zo wachten en zoeken, zal God genadig zijn, Hij zal hun weldadigheden wonderbaar maken.
2. Zij, die dat doen, zullen bevinden, dat het goed voor hen is, vers 26. Het is goed, dat men hope en stil zij op het heil des Heeren dat wil zeggen, het is onze plicht, en tegelijk onze onuitsprekelijke troost en voldoening om te hopen, dat het komen zal, al schijnen de moeilijkheden, die het in de weg liggen, onoverkomelijk, om stil te zijn, totdat het komt, al toeft het wat lang, en niet met God te twisten of onrustig te worden, maar in de goddelijke leiding te berusten. "Vader, Uw wil geschiede". Als wij dit bedenken, mogen wij hopen, dat het einde tenslotte goed zal zijn.
V. Dat beproevingen werkelijk goed voor ons zijn, en als wij ze weten te dragen, ons zeer veel goed zullen doen. Het is niet alleen goed te hopen en te wachten op het heil des Heeren, maar het is goed, terzelfder tijd onder de druk te zijn, vers 27 :het is goed voor een man, dat hij het juk in zijn jeugd draagt. Velen van de jongelingen waren in gevangenschap gevoerd. Om hen daarin geduldig te maken, zegt hij tot hen, dat het goed voor hen was, het juk van die gevangenschap te dragen, en zij zouden bevinden, dat het dat was, als zij zich maar wilden schikken in hun toestand, en hun best doen om aan Gods bedoeling, waarmee Hij dat zware juk op hen gelegd had, te beantwoorden. Het is zeer toepasselijk op het juk van Gods geboden. Het is goed voor jongelingen, dat juk in hun jeugd op te nemen, wij kunnen niet te vroeg beginnen met vroom te zijn. Het zal onze godsdienst te meer aannemelijk voor God maken en gemakkelijker voor ons zelf, als wij die waarnemen, terwijl wij nog jong zijn. Maar hier schijnt het juk van de beproeving bedoeld te zin. Velen hebben bevonden, dat het goed is het in hun jeugd te dragen het heeft nederig en ernstig gemaakt, en aan de wereld gespeend, die anders trots en onrustig zouden geweest zijn, als een kalf. dat aan het juk nog niet gewend is. Maar wanneer dragen wij het juk zo dat het werkelijk goed voor ons is, het in onze jeugd te dragen? Hij antwoordt in de volgende woorden.
1. Wanneer wij rustig en stil zijn onder onze beproevingen, wanneer wij eenzaam zitten en stil zwijgen, niet met onze klachten van de een naar de ander lopen, waarmee wij onze rampen verzwaren, niet twisten met de leidingen van de Voorzienigheid met ons, maar ons in afzondering terugtrekken, opdat wij mogen toezien ten dage des tegenspoeds, en eenzaam zitten opdat wij met God en in ons eigen hart spreken mogen, alle ontevreden, wantrouwende gedachten tot zwijgen brengen, en de hand op de mond leggen, zoals Aäron, die onder een zeer zware beproeving, zich stilhield. Wij moeten stil zijn, als die het juk niet eigenzinnig op ons genomen hebben, maar ons geduldig onderwierpen, toen God het ons oplet. Wanneer zij, die in hun jeugd beproefd worden, zich naar hun beproeving schikken, hun nek onder het juk buigen en er zich op toeleggen aan Gods doel, waarmee Hij dat opgelegd heeft, te beantwoorden, dan zullen zij bevinden, dat het goed voor hen is het te dragen, want het geeft van zich de vreedzame vrucht van de gerechtigheid dengenen, die er door geoefend zijn.
2. Wanneer wij nederig en geduldig zijn onder onze beproeving. Hij zal vrucht plukken van zich juk, die zijn mond in het stof steekt, niet alleen de hand op de mond legt, ten teken van onderwerping in zijn beproeving aan de wil van God, maar die in het stof steekt, ten teken van smart en schaamte en verafschuwing van zichzelf, bij de herinnering aan zijn zonde, en als een, die volkomen terug en op de rechte weg gebracht is, en als degenen, die overwonnen zijn, gedwongen om het stof te lekken, Psalm 72:9. Aldus moeten wij ons zelf vernederen, dan is er misschien verwachting. Als er een of andere weg is om onder onze beproevingen, goede verwachting te verkrijgen en te verzekeren, dan is het deze weg, en toch moeten wij zeer bescheiden in onze verwachtingen zijn moeten het alleen als mogelijk beschouwen, als die weten, dat wij het ten enenmale onwaardig zijn. Die waarlijk vernederd zijn om hun zonden, zullen blijde zijn goede hoop te verkrijgen door Gods genade, op welke voorwaarden ook, al moeten zij hun mond in het stof steken, en die hoop willen hebben, moeten dat doen, en het aan de vrije genade toeschrijven als zij enige bemoediging ontvangen, die hun hart bewaren kan voor het wegzinken in het stof, als zij hun mond daarin steken.
3. Wanneer wij zacht en nederig zijn jegens hen, die de werktuigen tot onze ellende zijn, en als wij vergevensgezind zijn, vers 30. Hij zal van het juk profeteren, die "zijn wang geeft dien, die hem slaat, en hem liever de andere toekeert," Mattheus 5:39, dan terug te slaan. Onze Heere Jezus heeft ons daarvan een voorbeeld nagelaten, want Hij gaf Zijn rug aan die Hem sloegen, Jesaja 50:6. Wie verachting en smaad kon dragen, en geen schelden voor schelden en geen bitterheid voor bitterheid vergeldt, die als hij zat van smaad is, die voor zich houdt en niet beantwoordt en zelfs niet terugwerpt op hen, die ze hem hebben aangedaan, maar ze uitstort voor de Heere, zoals degenen deden, "wier ziele veel te zat was van de verachting van de hovaardigen," Psalm 123:4, die zal bevinden, dat het goed is om het juk te dragen, en dat het zijn geestelijk welzijn bevorderen zal. In `t kort samengevat: "Indien de verdrukking lijdzaamheid werkt, dan werkt de lijdzaamheid bevinding, en de bevinding hope, en de hope beschaamt niet."
Vl. Dat God genadiglijk tot Zijn volk zal terugkeren met de troost, waaraan zij behoefte hebben, naar de grootheid van Zijn goedertierenheid, vers 31, 32. Daarom is de lijder zo geduldig, en zo berouwvol, omdat hij gelooft, dat God genadig en barmhartig is, wat een krachtige beweegreden is, beide tot evangelisch berouw en christelijk geduld. Hiermee kunnen wij ons staande houden,
1. Dat, al zijn we neergeworpen, wij toch niet weggeworpen zijn, als de vader zijn zoon kastijdt, is dat geen onterving.
2. Al mag het een tijd lang schijnen, dat wij weggeworpen zijn, als de troost, die wij verlangen, er niet is, en het heil, dat wij begeren, ver af, toch zijn wij in werkelijkheid niet weggeworpen, niet in eeuwigheid verstoten, Hij zal niet altijd met ons twisten.
3. Dat, welke smart ons ook aankleeft, God ze voor ons bestemd heeft, en, dat Hij de hand er in heeft. Hij is het, die de smart veroorzaakt, en daarom mogen wij verzekerd zijn, dat ze uit goedheid en met wijsheid verordend is, en het is maar "voor een weinig tijds, en zo het nodig is, dat wij bedroefd worden", 1 Petrus 1:6.
4. Dat God goedertierenheden en vertroostingen bewaard heeft, ook voor die Hij zelf bedroefd heeft. Wij moeten er ver vandaan zijn, te denken, dat, hoewel God onze smart, veroorzaakt, de wereld ons helpen en verlossen zal. Neen, Dezelfde, die de smart veroorzaakt heeft, moet ook verlichting brengen, of wij gaan te gronde. "Una eademque manusrulnus opemque tulit- Dezelfde hand bracht de wonde toe en heelde ze." Hij heeft geslagen, Hij zal ons verbinden, Hosea 6:1.
5. Dat, wanneer God terugkeert om genadiglijk met ons te handelen, het niet zal zijn naar onze verdienste, maar naar Zijn goedertierenheden, naar de grootheid van Zijn goedertierenheden zo onwaardig zijn wij, dat niets dan overvloedige genade ons helpen kan, en wat mogen wij daar niet van verwachten? En dat God onze smart veroorzaakt, behoort volstrekt geen ontmoediging te zijn voor die verwachtingen.
VII. Dat, als God smart veroorzaakt, dat met wijze en heilige bedoelingen is, en Hij heeft geen welgevallen aan onze rampen, vers 33. Wel is waar plaagt en bedroeft Hij des mensen kinderen, al hun smart en beproevingen zijn van Hem. Maar Hij doet het niet graag, niet van harte, zo staat er.
1. Hij bedroeft ons nooit, dan, als wij er reden toe geven. Hij deelt Zijn ongenade niet uit, zoals Zijn gunsten, "ex mero motu-louter naar welbehagen." Als Hij ons vriendelijkheid bewijst, is dat, omdat het Hem zo goeddunkt, maar als Hij bitterheid tegen ons schrijft, dan is dat beide, omdat wij ze verdienen en nodig hebben.
2. Hij kastijdt niet met genoegen. Hij heeft geen welgevallen in de dood des zondaars, of de onrust van de heiligen, maar kastijdt ze met zekeren weerzin. Hij komt van Zijn plaats om te kastijden, want Zijn plaats is, het verzoendeksel, Hij heeft geen welgevallen aan de ellende van een van Zijn schepselen, maar als het Zijn eigen volk betreft, is Hij er zover vandaan, dat Hij bedroefd is om hun beproevingen en Zijn ziel is smartelijk aangedaan door de ellende van Israël.
3. Hij behoudt Zijn vriendelijkheid voor Zijn volk ook wanneer Hij het beproeft. Als Hij de kinderen des mensen niet van harte plaagt, veel minder Zijn eigen kinderen. Hoe het zij, God is hun goed, Psalm 13:1, en door het geloof kunnen wij liefde in Zijn hart zien, ook als wij misnoegen op Zijn gelaat en de roede in Zijn hand zien.
VIII. Dat, al maakt Hij gebruik van mensen als Zijn hand, of liever als werktuigen in Zijn hand, tot kastijding van Zijn volk, het er toch ver af is, dat Hij met welgevallen de onrechtvaardigheid hunner handelingen zou zien en het onrecht, dat zij hun doen, vers 34-36. Al bereikt God Zijn eigen plannen door het geweld van de redeloze en goddeloze mensen daar volgt nog niet uit, dat Hij dat geweld goedkeurt, hoewel Zijn volk soms in de verzoeking is dat te denken, Habakuk 1:13 :Waarom zoudt Gij aanschouwen, die trouwelooslijk handelen. Op tweeërlei wijs wordt het volk van God gekweld en verdrukt door zijn vijanden en de profeet verzekert ons hier, dat God geen van beide goedkeurt.
1. Als de mensen hen door wapengeweld benadelen, keurt God dat niet goed. Hij zelf verbrijzelt niet alle gevangenen van de aarde onder Zijn voeten, maar Hij let op het geschrei van de gevangenen, ook keurt Hij het niet goed, dat anderen het doen, ja, Hij is er zeer misnoegd over. Het is barbaars om die liggen te vertreden, en die gebonden zijn en zich niet verdedigen kunnen, te verbrijzelen.
2. Als de mensen hun kwaad doen, onder bescherming van de wet, en onder voorwendsel recht te spreken, -als zij het recht van de ellendige roven, zodat zij niet kunnen ontdekken, wat hun rechten zijn of ze niet verkrijgen kunnen, omdat zij buiten hun bereik zijn, -als zij een mens verongelijken in zijn twistzaak, en een onbillijke beslissing geven, of een onrechtvaardig vonnis vellen, dan moeten zij weten,
a. Dat God hen ziet. Zij staan voor het aangezicht des Allerhoogsten, vers 35. Wat zij doen, doen zij onder Zijn ogen en wekt Zijn gramschap op. Zij moeten wel weten, dat het zo is, en daarom trotseren zij Hem, als zij het doen. Hij is de Allerhoogste, Wiens gezag over hen zij verachten, door hun gezag over hun onderdanen te misbruiken, zonder te bedenken, "dat die hoger is dan de hoge, er acht op neemt," Prediker 5:8.
b. Dat God hun Zijn goedkeuring niet schenkt. Hier ligt meer in dan er uitgedrukt wordt. Het verkeren van het recht, en het verongelijken van de rechtvaardigen, zijn een grote belediging voor God, en, al maakt Hij er gebruik van om Zijn volk te kastijden, toch zal Hij vroeger of later afrekenen met hen, die het doen. Hoezeer God een tijd lang de boosdoeners voorspoedig laat zijn, en Zijn eigen doel er mee bereikt, toch keurt Hij daarom hun boosheden niet goed. Het zij verre, dat God ongerechtigheid zou doen, of hen, die ze doen, zou steunen.