Mattheus 20:1-16
Deze gelijkenis van de arbeiders in den wijngaard heeft de strekking:
I. Ons het koninkrijk der hemelen voor te stellen, vers 1, dat is: de weg en wijze der Evangeliebedeling. De wetten van dat koninkrijk zijn niet in gelijkenissen gehuld, maar duidelijk voorgesteld, zoals in de bergrede, maar de verborgenheden van dat koninkrijk worden voorgesteld in gelijkenissen, zoals hier en in Hoofdstuk 13. Het is nodiger de plichten des Christendoms te kennen dan de begrippen of denkbeelden er van, maar van die begrippen is dan ook meer opheldering of verduidelijking nodig dan voor de plichten, en daartoe dienen de gelijkenissen.
II. Ons in het bijzonder datgene betreffende het koninkrijk der hemelen voor te stellen, hetwelk Hij aan het slot van het vorige hoofdstuk gezegd had, namelijk dat vele eersten de laatsten zullen zijn, en vele laatsten de eersten, waarmee deze gelijkenis in verband staat. Die waarheid, die schijnbaar ene tegenstrijdigheid bevat, had verdere verklaring nodig. Niets was meer ene verborgenheid in de Evangeliebedeling dan de verwerping der Joden en de roeping der heidenen. Als zodanig spreekt de apostel er van in Efeze 3:3-6, dat de heidenen mede-erfgenamen zouden zijn, ook was er niets dat de Joden meer prikkelde en ergerde dan de aanduiding hiervan. Nu schijnt het het voornaamste doel van deze gelijkenis te zijn, aan te tonen, dat de Joden het eerst in den wijngaard geroepen worden, en velen van hen zullen op die roeping komen, maar eindelijk zal het Evangelie gepredikt worden aan de heidenen, en zij zullen het aannemen, en dan met de Joden in dezelfde voorrechten delen, zij zullen medeburgers zijn der heiligen, en daarvan hadden de Joden, zelfs de gelovigen onder hen, een diepen afkeer, hoewel zonder reden. Doch de gelijkenis kan meer in het algemeen toegepast worden, en toont ons:
1. Dat God niemands schuldenaar is.
2. Dat velen, die het laatst beginnen en ten opzichte van den Godsdienst volstrekt niet veelbelovend zijn, door den zegen van God soms toch verder komen in kennis, genade en nuttigheid, dan anderen, wier ingang vroeger geschied is en die dus meer verwachting van zich gaven. Hoewel Cushi eerder op weg ging dan Ahimaäz, is Ahimaäz, den weg van het effen veld lopende, Cushi toch voorbijgekomen. Johannes is sneller van voet dan Petrus, en komt het eerst aan het graf, maar Petrus heeft meer moed, en gaat er het eerst in. Aldus zullen vele laatsten de eersten zijn. Sommigen houden dit voor ene waarschuwing aan de discipelen, die geroemd hadden op hun vroegtijdige en ijverige aanneming van Christus. Zij hebben alles verlaten om Hem te volgen, doch laat hen toezien, dat hun ijver blijft duren, laat hen voorwaarts gaan en volharden, want anders zal hun goed begin hun niet baten, zij die schenen de eersten te zijn, zouden de laatsten wezen. Soms gebeurt het dat zij, die op lateren leeftijd bekeerd werden, hen, die vroeger bekeerd zijn, voorbij hebben gestreefd. Paulus was als een ontijdig geborene, maar hij was toch nergens minder in dan de uitnemendste apostelen, en hij heeft meer gedaan dan zij, die voor hem in Christus geweest zijn. Er is enige overeenkomst tussen deze gelijkenis en die van den verloren zoon, waarin hij, die van zijn dwaalweg terugkeerde, even dierbaar was aan zijn vader als hij, die nooit gedwaald had, de eersten en de laatsten gelijk.
3. Dat de vergelding des loons aan de heiligen gegeven zal worden, niet overeenkomstig den tijd hunner bekering, maar overeenkomstig hun toebereiding er voor door genade in deze wereld, niet naar recht van eerstgeboorte, zoals in Genesis 43:33, maar naar de mate van de grootte der volheid van Christus. Aan de apostelen, die Christus gevolgd waren in de wedergeboorte, bij het begin der Evangeliebedeling, had Christus grote heerlijkheid beloofd, Hoofdstuk 19:38, maar nu zegt Hij hun, dat zij, die op gelijke wijze Hem getrouw zijn, ook aan het einde der wereld, dezelfde vergelding des loons zullen hebben, zij zullen met Hem zitten op Zijn troon even goed als de apostelen, Openbaring 3:21. Die in de laatste dagen voor Christus lijden, zullen hetzelfde loon ontvangen als de martelaars en belijders uit de eerste eeuwen van het Christendom, hoewel dezen meer beroemdheid hebben verworven, en de getrouwe leraren van heden zullen gelijk loon ontvangen als de eerste kerkvaders. Wij hebben in deze gelijkenis twee zaken: de overeenkomst met de arbeiders, en de afrekening met hen. De overeenkomst met de arbeiders, vers 1-7, en hier zal als naar gewoonte gevraagd worden: Wie huurt hen? Een heer des huizes, een huishouder. God is de grote Huishouder, wiens wij zijn, en wie wij dienen. Als Heer des huizes heeft Hij werk, dat Hij gedaan wil hebben, en dienstknechten, die Hij wil doen arbeiden. Hij heeft een groot gezin in hemel en op aarde, dat naar Jezus Christus genoemd wordt, Efeze 3:15, en waarvan Hij de Eigenaar en Bestuurder is. God huurt arbeiders, niet omdat Hij hen of hun diensten nodig heeft-want wat kan onze rechtvaardigheid Hem aanbrengen? -maar zoals sommige barmhartige, edelmoedige heren arme mensen aan het werk houden, uit vriendelijkheid voor hen, om hen te behoeden voor luiheid en armoede, en hen te betalen voor het werk, dat zij voor zich zelven doen. Waar zij gehuurd werden? Op de markt, waar zij, totdat zij in Gods dienst gehuurd worden, ledig staan, vers 3, den gehelen dag ledig, vers 6. De ziel des mensen staat gereed om in den een of anderen dienst gehuurd te worden, zij was, evenals alle schepselen, geschapen om te arbeiden, en zij is of dienstbaar der ongerechtigheid, of der gerechtigheid, Romeinen 6:19. Door zijne verzoekingen huurt de duivel arbeiders voor zijn akker, om zwijnen te hoeden. Door Zijn Evangelie huurt God arbeiders in Zijn wijngaard, om hem te bebouwen en te bewaren, dat is paradijsarbeid. Wij staan voor de keuze, want gehuurd moeten wij worden, Jozua 24:15, Kiest u heden wie gij dienen zult. Totdat wij in den dienst van God gehuurd zijn, staan wij den gehelen dag ledig, een zondige toestand, want als wij het vuile werk van Satan doen, dan kan dat met recht een ledig staan genoemd worden. Zondaars doen niets, niets doelmatigs, niets van het grote werk, waartoe zij in de wereld gezonden werden, niets waarvan goede rekenschap kan worden gegeven. De Evangelieroeping gaat uit tot hen, die ledig op de markt staan. De markt is ene plaats van gewoel en dáár roept de Wijsheid, Prediker 1:20, 21, het is ene plaats van spel, waar de kinderen spelen, Hoofdstuk 11:16, en het Evangelie roept ons van ijdelheid tot ernst, het is ene plaats van handel en bedrijf, van geraas en van haast, en wij worden geroepen om ons daar van terug te trekken. Voor welk werk zij gehuurd zijn? Om te arbeiden in Zijn wijngaard. De kerk is Gods wijngaard, door Hem geplant, bewaterd en omtuind, de vrucht er van behoort te wezen tot eer en lof van Hem. Wij allen worden geroepen om arbeiders te zijn in dezen wijngaard. Godsdienstig werk is wijngaardswerk, snoeien, omspitten, bewateren, omtuinen, uitwieden, enz. Ieder onzer heeft een wijngaard te verzorgen, onze eigen ziel, en zij is Godes, en zij moet verzorgd en bewaard worden voor Hem. In dit werk moeten wij niet traag, langzaam of achteloos zijn, maar arbeiders, werkende, onze eigen zaligheid werkende. Het werk voor God laat geen beuzelen toe. Men kan wel lui en ledig naar de hel gaan, maar wie naar den hemel wil gaan, moet arbeiden. Wat zal hun loon wezen? Hij belooft, ten eerste. Een penning, vers 2. De Romeinse penning had ene waarde van 0.75 van ons geld, een dagloon voor een dagwerk, en dit loon voldoende voor het onderhoud van een dag. Dit bewijst niet, dat het loon van onze gehoorzaamheid aan God uit de werken is, of als iets, dat door Hem aan ons verschuldigd is moet worden aangemerkt, neen het is, naar genade, vrije genade, Romeinen 4:4, of dat er enigerlei evenredigheid is tussen onzen dienst en des hemels heerlijkheid, neen, als wij alles gedaan hebben, zijn wij nog onnutte dienstknechten, maar het duidt aan, dat ons een loon, en wel een genoegzaam loon, is voorgesteld. Ten tweede. Zo wat recht is, vers 4-7. God zal voorzeker niet ten achter blijven om den dienst, die voor Hem geschiedt, te belonen, nooit is iemand er bij tekort gekomen, als hij voor God gearbeid heeft. De kroon, die ons is voorgesteld, is ene kroon der rechtvaardigheid, welke de rechtvaardige Rechter geven zal. Voor welken termijn zij gehuurd waren? Voor een dag. Het is slechts het werk van een dag, dat hier gedaan wordt. De tijd des levens is de dag, waarin wij moeten werken de werken desgenen, die ons in de wereld gezonden heeft. Het is een korte tijd, het loon is voor de eeuwigheid, het werk is slechts voor een dag, van den mens wordt gezegd, dat hij als een dagloner zijn dag afdoet, Job 14:6 1). Het behoort ons aan te zetten tot spoed en naarstigheid bij ons werk, dat wij slechts zo weinig tijd hebben om in te werken, en dat zo spoedig de nacht komt, waarin niemand werken kan, en als ons groot werk onafgedaan blijft, en onze dag is voorbij, dan is het voor eeuwig gedaan met ons. Het moet ons ook bemoedigen in betrekking tot het harde en moeilijke van ons werk, dat het slechts voor een dag is, de naderende schaduw, waarnaar de dienstknecht hijgt, zal beide rust en het loon des werks met zich brengen, Job 7:2. Laat ons dit in geloof en lijdzaamheid blijven verbeiden. Er wordt ook aandacht gewijd aan de verschillende uren van den dag, waarop de arbeiders gehuurd werden. De apostelen werden uitgezonden in de eerste en de derde ure van den Evangeliedag. Zij hadden een eerste en een tweede zending, terwijl Christus op aarde was, en hun werk was het om de Joden te roepen. Na Christus' hemelvaart, omtrent de zesde en de negende ure, gingen zij uit op dezelfde boodschap, het Evangelie predikende alleen aan de Joden, het eerst aan die, welke in Judea waren, en daarna aan hen, die in de verstrooiing waren, maar eindelijk, toen het ongeveer de elfde ure was, hebben zij de heidenen tot hetzelfde werk en dezelfde voorrechten geroepen als de Joden, en hun gezegd dat er in Christus Jezus geen onderscheid zou zijn tussen Jood en Griek. Maar dit kan, en wordt ook gewoonlijk, toegepast op de verschillende tijdperken des levens, waarin de zielen tot Christus worden bekeerd. De gewone, algemene roeping om te komen en in den wijngaard te arbeiden, gaat uit tot iedereen, maar er is ook een bijzondere roeping, en die bijzondere roeping is krachtdadig, wanneer wij er gevolg aan geven, dat is, als wij op de roepstem, die tot ons uitgaat, ook werkelijk komen.
Ten eerste. Sommigen worden krachtdadig geroepen, zij beginnen te arbeiden in den wijngaard als zij nog jong zijn. Zij worden vroeg in den morgen gezonden, die reeds in hun tedere jaren genade ontvangen en hun Schepper gedenken. Johannes de Doper was geheiligd van moeders lijf aan, en daarom was hij groot, Lukas 1:15, Timotheus van kinds af, 2 Timotheus 3:15 :Obadja vreesde den Heere van zijne jonkheid af. Zij, die zulk ene reize hebben te doen, moeten zich bijtijds op weg begeven, hoe eerder, hoe beter.
Ten tweede. Anderen ontvangen de krachtdadige, zaligmakende roeping en genade op den middelbaren leeftijd. Ga, werk in den wijngaard, op de derde, zesde, of negende ure. De kracht der Goddelijke genade wordt verheerlijkt in de bekering van sommigen, als zij temidden van hun wereldse genietingen, of onder het najagen van wereldse doeleinden worden aangegrepen, gelijk dit met Paulus geschied is. God heeft werk voor alle leeftijden, geen tijd is ongeschikt om er zich in tot God te wenden. God zal niemand afwijzen, die zich wil laten huren, want nog is er plaats. Ten derde. Anderen worden in hun ouderdom in den wijngaard gehuurd, ter elfder ure, als het laat is op den levensdag, en er nog slechts een uur van de twaalf is overgebleven. Niemand wordt gehuurd op de twaalfde ure, als het leven voorbij is, dan is ook de gelegenheid voorbij, maar zolang er leven is, is er hoop. 1. Er is hoop voor oude zondaren, want, indien zij zich in oprechtheid tot God wenden, zullen zij ongetwijfeld door Hem aangenomen worden, waar berouw komt nooit te laat. En
2. Wij kunnen hopen, dat oude zondaren tot waar berouw en bekering gebracht zullen worden. Voor de almachtige genade is niets te zwaar of te moeilijk, zij kan de huid des Moormans en de vlekken des luipaards veranderen, zij kan hen aan den arbeid doen gaan, die de gewoonte van luiheid en lediggang hadden aangenomen. Nicodemus kan wedergeboren worden, oud zijnde, en de oude mens, die verdorven is, kan worden afgelegd. Maar laat niemand daarom zijne bekering uitstellen, tot hij oud geworden is. Het is waar, dezen werden nog ter elfder ure in den wijngaard gezonden, maar niemand had hen tevoren gehuurd, of aangeboden hen te huren. De heidenen zijn ter elfder ure ingekomen, maar het was omdat hun tevoren het Evangelie niet gepredikt was geworden. Zij, die in de derde of de zesde ure Evangelieaanbiedingen hebben ontvangen, maar ze hebben weerstaan en afgewezen, zullen ter elfder ure voor zich niet kunnen zeggen, wat dezen gezegd hebben: Niemand heeft ons gehuurd. En evenmin kunnen zij er zeker van zijn, dat iemand hen ter negender of ter elfder ure zal huren. Daarom-niet om iemand te ontmoedigen, maar om allen op te wekken-moet in herinnering worden gehouden, dat het nu de welaangename tijd is. Indien wij Zijne stem willen horen, moet het heden zijn. De afrekening met de arbeiders. Zij had plaats, als het nu avond geworden was. Als naar gewoonte werden toen de dagloners bijeengeroepen en betaald. De avond is de tijd der afrekening, de bijzondere rekening en verantwoording moet afgelegd worden aan den avond onzes levens, want na den dood komt het oordeel. De getrouwe arbeiders zullen hun loon ontvangen als zij sterven, dit wordt uitgesteld tot aan dien tijd, opdat zij het geduldig verbeiden, maar niet langer, want God zal overeenkomstig den door Hem zelven gestelden regel handelen: Op zijn dag zult gij zijn loon geven, en de zon zal daarover niet ondergaan, Deuteronomium 24:15. Als Paulus, de getrouwe arbeider, sterft, is hij terstond met Christus. Het loon zal niet verdaagd worden tot aan den morgen der opstanding, maar dan, aan den avond der wereld, zal de algemene afrekening geschieden, wanneer een iegelijk zal wegdragen hetgeen door het lichaam geschiedt. Als de tijd ten einde is, en daarmee ook de wereld des arbeidens en der gelegenheid, dan begint de toestand der vergelding, roep dan de arbeiders en geef hun het loon. Leraren roepen hen om hun werk te doen in den wijngaard, de dood roept hen uit den wijngaard, om hun penning te ontvangen, en voor hen, voor wie de roeping in den wijngaard krachtig is geweest, dat is, voor hen, die op die roepstem gekomen zijn, zal de roeping uit den wijngaard vreugdevol wezen. Merk op, dat zij niet om hun loon kwamen voor zij geroepen werden, wij moeten met geduld en lijdzaamheid wachten op Gods tijd voor onze rust en voor ons loon, ons regelen naar de klok onzes Meesters. Op den groten dag zal de laatste bazuin de arbeiders roepen, 1 Thessalonicenzen 4:16. Dan zult gij roepen, zegt de goede en getrouwe dienstknecht, en ik zal antwoorden. Bij het roepen der arbeiders moeten zij beginnen met de laatsten, en zo tot de eersten komen. Laat hen, die ter elfder ure komen, niet achtergesteld worden bij de anderen, maar, opdat zij niet ontmoedigd worden, het eerst worden geroepen. Op den groten dag zullen die in Christus gestorven zijn wel eerst opstaan, maar die levend overgebleven zijn, op dewelke de einden der eeuwen gekomen zijn (de elfde ure van den dag) zullen tezamen met hen opgenomen worden in de lucht. Geen voorkeur zal aan rang van ouderdom worden gegeven, een iegelijk zal opstaan in zijn lot, in het einde der dagen. Hoe die afrekening was, en daarbij zullen wij hebben te letten: Ten eerste. Op de algemene betaling, vers 9, 10. Zij ontvingen ieder een penning. Allen, die met volharding in goeddoen, heerlijkheid, en eer, en onverderflijkheid zoeken, zullen ongetwijfeld het eeuwige leven verkrijgen, Romeinen 2:7, niet als huurloon voor de waardij van hun werk, maar als de gave van God. Hoewel er trappen van heerlijkheid zijn in den hemel, zal er toch voor ieder een volkomen gelukzaligheid zijn. Zij die van het Oosten en Westen komen, zij, die laat komen, zij, die van de wegen en heggen gehaald worden, zullen met Abraham, Izaak en Jakob aanzitten aan hetzelfde feestmaal, Hoofdstuk 8:11. In den hemel zal ieder vat vol zijn, boordevol, hoewel alle vaten niet even groot zijn en dus niet van gelijken inhoud kunnen zijn. Bij de verdeling van de toekomstige geneugten zal, evenals bij het inzamelen van het manna, hij die veel verzameld heeft niet overhouden, en hij, die weinig verzameld heeft, niet tekortkomen Exodus 16:18. Zij, die door Christus wonderdadig gespijzigd werden, waren van verschillende grootte, mannen, vrouwen en kinderen, maar allen aten zij en werden verzadigd. Het geven van het loon voor een gehelen dag aan hen, die geen tiende deel van het werk van een dag gedaan hadden, toont aan dat God Zijne beloningen uitdeelt naar Zijne genade en vrijmacht en niet naar schuld. De besten der arbeiders en zij, die het vroegst beginnen, hebben nog zoveel ledige ruimten in hun tijd, zoveel verloren ogenblikken, en hun arbeid voor God niet vol zijnde, kan in waarheid van hen gezegd worden, dat zij van de twaalf uur nauwelijks een in den wijngaard gearbeid hebben. Maar omdat wij onder de genade zijn, en niet onder de wet, zal toch die dienst, hoe gebrekkig ook, maar in oprechtheid verricht, niet slechts aangenomen, maar door vrije genade rijkelijk beloond worden. Vergelijk Lukas 17:7, 8 met Lukas 12:37. De verdediging, of verontschuldiging, aangevoerd tegenover hen, die zich aan deze gelijke uitdeling ergerden. De omstandigheden hiervan dienen ter versiering der gelijkenis, maar het algemene doel is klaarblijkelijk, dat de laatsten de eersten zullen zijn.
Wij hebben hier:
1. De ergernis, die er door werd opgewekt, vers 11, 12. Zij murmureerden tegen den heer des huizes, niet alsof er in den hemel ontevredenheid of murmurering is, of zijn kan, want ontevredenheid is tegelijk schuld en smart, en geen van beiden kan in den hemel bestaan. Maar er kan zijn, en er is dikwijls, ontevredenheid en murmurering betreffende den hemel en de hemelse dingen, terwijl zij nog in het vooruitzicht zijn in deze wereld. Dit wijst op de afgunst, verwekt bij de Joden wegens de toelating der heidenen in het koninkrijk der hemelen. Gelijk de oudste broeder in de gelijkenis van den verloren zoon gemelijk was en morde wegens de ontvangst, die aan zijn jongeren broeder ten deel viel, en wegens zijns vaders grootmoedigheid jegens hem, zo hebben ook deze arbeiders met hun meester getwist, en aanmerking op hem gemaakt, niet zozeer omdat zij niet genoeg hadden ontvangen, als wel omdat anderen met hen gelijk werden gesteld. Zij, evenals die oudste broeder, roemen op hun goede diensten: Wij hebben den last des daags en de hitte gedragen. Dat was alles wat zij er van zeggen konden. Van de zondaars wordt gezegd, dat zij arbeiden ten vure, Habakuk 2: 13, terwijl Gods dienstknechten, op zijn ergst genomen, toch slechts in de zon arbeiden, niet in de hitte van den ijzeren oven, maar slechts in de hitte des daags. Nu hebben deze laatsten slechts een uur gearbeid, en dat wel in het koele gedeelte van den dag, en toch hebt gij hen ons gelijk gemaakt. De heidenen, nog zo kortelings geroepen, genieten evenveel van de voorrechten in het koninkrijk van den Messias als de Joden, die zolang in den wijngaard der Oud Testamentische kerk hebben gearbeid, onder het juk der ceremoniële wet, in verwachting van dat koninkrijk. Er is in ons een sterke geneigdheid om te denken, dat wij te weinig en anderen te veel hebben van de tekenen van Gods gunst, en dat wij te veel en anderen te weinig van het werk Gods doen. Zeer geneigd zijn wij allen de verdienste van anderen te onderschatten, en de onze te overschatten. Wellicht geeft Christus hier aan Petrus een wenk, om niet al te zeer te roemen, zoals hij scheen te doen, toen hij zei, alles verlaten te hebben om Christus te volgen, alsof hij en de overigen van hen, die aldus den last en de hitte des daags gedragen hebben, een hemel apart moesten hebben. Het is voor hen, die meer dan gewoon voor God doen en lijden, moeilijk, om door de gedachte er aan niet opgeblazen te worden en te denken, dat zij er bijzondere verdienste door hebben. Paulus heeft zich hiervoor gewacht, toen hij, hoewel de voornaamste der apostelen zijnde, zich zelven als niets achtte, ja minder dan de minste der heiligen.
2. De ergernis weggenomen. Drie dingen worden door den heer des huizes aangevoerd in antwoord op dien waan der kwaadwilligheid.
a. Dat de klager niet kon zeggen, dat hem onrecht was geschied, vers 13, 14. Hij houdt zijne rechtvaardigheid staande: Vriend, ik doe u geen onrecht. Hij noemt hem vriend, want in ons spreken en redeneren met anderen moeten wij ons van zachte woorden, maar krachtige argumenten bedienen. Indien onze minderen gemelijk en tergend of prikkelend zijn, moeten wij ons hierdoor niet in drift laten ontsteken, maar kalm met hen blijven spreken. Het is een onbetwistbare waarheid, dat God geen onrecht kan doen. Dit is het kroonrecht van den Koning der koningen. Is God onrechtvaardig? De blote gedachte doet den apostel huiveren, Dat zij verre, roept hij, Romeinen 3:5, 6. Zijn woord moet al ons murmureren tot zwijgen brengen, dat God, wat Hij ons ook moge doen of ons moge onthouden, ons geen onrecht doet. indien God aan anderen de genade schenkt, die Hij ons onthoudt, dan bewijst Hij hun goedheid, maar ons doet Hij daarmee geen onrecht, en goedheid of milddadigheid jegens anderen, waarin geen onrecht jegens ons is gelegen, behoort niet onder onze afkeuring te vallen. Daar het vrije genade is, gegeven aan hen, die haar bezitten, is alle roem uitgesloten, en daar het vrije genade is, welke onthouden is aan hen, die haar niet hebben, is ook murmureren voor altijd buitengesloten, opdat alle mond gestopt worde, en alle vlees zwijge voor het aangezicht des Heeren. Om den murmureerder er van te overtuigen, dat hij geen onrecht deed, herinnert hij hem aan de overeenkomst. Zijt gij niet met mij eens geworden voor een penning? En indien gij hebt, hetgeen waarvoor gij met mij overeengekomen zijt, dan hebt gij geen reden om over onrecht te klagen, gij ontvangt wat u toekomt. Hoewel God niemands schuldenaar is, behaagt het Hem toch om zich door Zijn eigen belofte tot een schuldenaar te maken. Door en in Christus komen de gelovigen met Hem overeen ten opzichte van het voordeel, voortvloeiende uit deze belofte, en Hij zal bij Zijn deel der overeenkomst blijven. Het is goed voor ons, om dikwijls na te denken over hetgeen wij met God zijn overeengekomen. Ten eerste. Vleselijkgezinde wereldlingen komen met God overeen voor hun penning in deze wereld, zij verkiezen hun deel in dit leven, Psalm 17:14. In deze dingen zijn zij bereid hun loon te ontvangen, Hoofdstuk 6:2, 5, hun troost, Lukas 6:24, hun goed, Lukas 16:25, en daarmee zullen zij weggezonden worden, zullen zij afgesneden zijn van geestelijke en eeuwige zegeningen, en hiermede doet God hun geen onrecht, zij hebben wat zij verkozen, den penning, waarvoor zij overeengekomen zijn. Zo zal hun oordeel wezen, zij zelven hebben het beslist. Ten tweede. Gehoorzame gelovigen komen met God overeen voor hun penning in de toekomende wereld, en zij moeten gedenken, dat zij daarvoor overeengekomen zijn. Zijt gij niet overeengekomen om daar Gods woord voor te nemen? Dat hebt gij, en wilt gij nu heengaan en met de wereld overeenkomen? Zijt gij niet overeengekomen om tevreden te zijn met den hemel als uw deel, uw al, en met niets minder dan dat? En zult gij nu uw geluk zoeken in het schepsel? Daarom:
1. Houdt hij hem aan de overeenkomst, vers 14. Neem het uwe en ga heen. Indien wij dit verstaan van hetgeen het onze is door schuld of volstrekten eigendom, dan zou het een schrikkelijk woord zijn, als wij weggezonden worden met hetgeen wij het onze kunnen noemen, en met niets meer, dan is het met ons gedaan, dan zijn wij verloren. Het hoogste schepsel moet in het niet verzinken, indien hij heen moet gaan met hetgeen slechts het zijne is. Maar indien wij het verstaan als hetgeen het onze is door schenking, de vrije gave van God, dan leert het ons vergenoegd te zijn met hetgeen wij hebben. In plaats van te morren, omdat wij niet meer hebben, laat ons blijde en dankbaar zijn met en voor hetgeen wij hebben. Indien God in enigerlei opzicht voor anderen beter is dan voor ons, dan hebben wij toch geen reden van klagen, daar Hij immers voor ons zoveel beter is dan wij verdienen, Hij geeft ons onzen penning, hoewel wij onnutte dienstknechten zijn.
2. Hij zegt hem dat het hun, op wie hij zo wangunstig is, toch even goed zal gaan als aan hem zelven: Ik wil dezen laatsten ook geven gelijk als u, ik ben daartoe besloten, ik wil. De onveranderlijkheid van Gods voornemens en bedoelingen in het uitdelen Zijner gaven moest ons murmureren tot zwijgen brengen. Indien Hij het wil, past het ons niet daar iets tegen in te brengen, want heeft Hij enig ding voor, wie zal Hem dan afkeren? En Hij antwoordt niet van al Zijne daden, ook betaamt het niet dat Hij dit zou doen.
b. Hij had geen reden om met den meester te twisten, want wat deze gaf was het zijne, vers 15. Gelijk hij tevoren zijne rechtvaardigheid betuigd en bewezen heeft, zo bewijst hij nu zijne vrijmacht: Is het mij niet geoorloofd, te doen met het mijne wat ik wil? God is de eigenaar van alle goed, Zijn bezit er van is volstrekt, vrijmachtig en onbeperkt. Daarom kan Hij Zijne zegeningen en weldaden geven, of onthouden, al naar het Hem behaagt. Wat wij hebben, is het onze niet, en daarom is het ons niet geoorloofd er mede te doen wat wij willen, maar wat God heeft, is het Zijne, en dit zal Hem rechtvaardigen: Ten eerste. In al de beschikkingen Zijner voorzienigheid. Als God ons ontneemt wat ons dierbaar was en dat wij node konden missen, dan moeten wij onze ontevredenheid hierover tot zwijgen brengen met dit: Mag Hij met het Zijne niet doen wat Hij wil? Hij heeft genomen, maar oorspronkelijk heeft Hij gegeven. Aan zulke afhankelijke schepselen als wij zijn past het niet, om met onzen Soeverein te twisten. Ten tweede. In al de bedelingen Zijner genade, God geeft of onthoudt de genademiddelen en den Geest der genade, al naar het Hem behaagt. Niet, dat er in den wil van God geen overleg is, want wat ons toeschijnt willekeurig te zijn geschied, zal ten laatste blijken wijselijk en met heilige doeleinden te zijn gedaan. Maar het is genoeg om aan alle murmureerders en tegensprekers het zwijgen op te leggen, dat God vrijmachtig Heer is over allen en alles, en met het Zijne doen kan wat Hij wil. In Zijne hand zijn wij als leem in de hand des pottenbakkers, en het voegt ons niet Hem de wet te willen voorschrijven, of met Hem te twisten.
c. Hij had gene reden om zijn mededienstknecht te benijden, of toornig op hem te zijn, omdat hij niet eerder in den wijngaard kwam, want hij was niet eerder geroepen. Hij had geen reden om toornig te zijn omdat de meester hem een gehelen dag loon uitbetaalde, daar hij toch het grootste gedeelte van den dag verbeuzeld had, want: Is uw oog boos, omdat ik goed ben? Zie hier: Den aard der afgunst: een boos oog. Het oog is dikwijls zowel de toegang als de uitgang dier zonde. Saul zag dat David voorspoedig was, en toen had hij het oog op David, 1 Samuël 18:9, 15. Het is een boos oog, dat misnoegd is over het goede. dat anderen hebben, en hun nadeel begeert. Dit is verdriet voor ons zelven, het verwekt God tot toorn, en het is kwaadwilligheid jegens onzen naaste, ene zonde, waarin noch genot, noch gewin, noch eer is gelegen, het is een kwaad, iets dat enig en alleen kwaad is. Zie hier het verzwarende van die zonde: Het is, omdat ik goed ben. Nijd is ongelijkvormigheid met God, die goed is en goed doet, en zich verlustigt in goed doen: het is een tegenzin in Zijne handelingen, een mishagen in hetgeen Hij doet en Hem behaagt. Het is een direct overtreden van de twee grote geboden, dat van liefde tot God, in wiens wil wij behoren te berusten, en dat van liefde tot onzen naaste, in wiens welvaren wij ons behoren te verblijden. Aldus neemt de slechtheid van den mens aanleiding uit de goedheid van God, om nog overvloediger zondig te zijn. Eindelijk: Hier is de toepassing der gelijkenis, vers 16, in de opmerking, die er de aanleiding toe was, Hoofdstuk 19:30. Vele eersten zullen de laatsten zijn, en vele laatsten de eersten. Er waren velen, die Christus thans volgden in de wedergeboorte, toen het koninkrijk der hemelen begon opgericht te worden, en deze Joodse bekeerlingen schenen anderen vooruit te zijn. Om nu hun roemen te voorkomen of tot zwijgen te brengen, zegt Christus hun:
1. Dat zij wellicht nog voorbijgestreefd zullen worden door hun opvolgers, want hoewel zij anderen voor waren in het belijden, zou het toch kunnen zijn, dat anderen hen voorbijstreven in kennis, genade en heiligheid. De kerk uit de heidenen, die toen nog niet was geboren, de wereld der heidenen, die toen nog ledig op de markt stond, zal een groter aantal van voortreffelijke, zegenrijke Christenen voortbrengen, dan onder de Joden gevonden werden.
Al meer en meer zullen de kinderen der eenzame voortreffelijker zijn dan de kinderen der getrouwde, Jesaja 54:1. Wie weet, of de kerk in haren ouderdom niet meer vet en groen zal zijn dan ooit tevoren, om te verkondigen dat de Heere recht is. Het is waar, de oorspronkelijke Christenheid bezat meer van de zuiverheid en kracht van dien heiligen Godsdienst, dan gevonden worden in de ontaarde eeuw, waarin wij leven, evenwel, wie zal zeggen wat arbeiders niet nog in den wijngaard gezonden zullen worden in de elfde ure van den dag der kerk, in de Philadelphische periode, en wat overvloedige uitstorting des Geestes dan plaats zal hebben, meer dan wat ooit gezien werd?
2. Dat er voor hen reden was om te vrezen, dat zij zelven ten laatste nog als geveinsden zullen bevonden worden, want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren Dit wordt toegepast op de Joden, Hoofdstuk 22:14, zo was het toen, en zo is het nog, velen worden geroepen door de algemene roeping, die niet verkoren zijn met een zaligmakende uitverkiezing. Allen, die van eeuwigheid af uitverkoren zijn, worden geroepen met een krachtdadige roeping in den volheid des tijds, Romeinen 8:30, zodat wij, onze roeping vastmakende, ook onze verkiezing vastmaken, 2 Petrus 1:10, maar zo is het niet met de uitwendige roeping, velen zijn geroepen, maar weigeren, Prediker 1:24, ja, gelijk zij geroepen worden tot God, zo keren zij zich af van Hem, Hosea 11:2, 7, waaruit blijkt dat zij niet uitverkoren waren, want de uitverkorenen hebben het verkregen, Romeinen 11:7. Er zijn, in vergelijking met de velen, die Christenen genoemd worden, slechts weinige verkoren Christenen. Daarom is het voor ons van zeer groot belang om onze hoop op den hemel te bouwen op de rots der eeuwige uitverkiezing, en niet op het zand der uitwendige roeping. En wij behoren te vrezen om niet als slechts schijn-Christenen bevonden te worden, en aldus werkelijk achter te blijven, ja, dat wij niet als onteerde Christenen uitkomen, en aldus schijnen achtergebleven te zijn, Hebreeën 4:1.