Mattheus 19:13-15
Wij hebben hier Christus' welkom aan enige kinderkens, die tot Hem gebracht werden, waarbij wij hebben te letten op:
I. Het geloof van hen, die ze brachten. Er wordt ons niet gezegd hoe velen er tot Hem gebracht werden, maar zij waren zo klein dat zij op den arm gedragen moesten worden, kinderen van een, of wellicht twee jaren. Het bericht luidt: Toen werden kinderkens tot Hem gebracht, opdat Hij de handen hun zou opleggen en bidden. Waarschijnlijk waren het ouders, voogden of verzorgsters, die ze brachten, en hierin toonden zij:
1. Hun eerbied voor Christus, en de hoge waarde, die zij hechtten aan Zijn gunst en zegen. Zij, die Christus verheerlijken door zelven tot Hem te komen, moeten Hem ook nog verder verheerlijken door allen tot Hem te brengen, op wie zij invloed kunnen oefenen. Geef Hem aldus de eer van Zijn onnaspeurlijken rijkdom der genade, Zijn overvloeiende, nimmer falende volheid. Wij kunnen Christus niet beter eren dan door gebruik van Hem te maken.
2. Zij bewezen goedheid en vriendelijkheid aan hun kinderen, niet twijfelende, of het zou hun tot welzijn en zegen strekken, zowel voor deze wereld als voor de toekomende, dat zij door Jezus gezegend werden, en Hij voor hen bad, daar zij Hem beschouwden als een buitengewoon persoon, een profeet, indien al niet als een priester en koning, en de zegen van zo iemand werd zeer begeerd en gewaardeerd. Anderen brachten hun kinderen tot Christus, om ze door Hem te laten genezen, als zij ziek waren, maar deze kinderen leden toen onder generlei ziekte, zij begeerden slechts een zegen voor hen. Het is kostelijk, als wij zelven tot Christus komen, en onze kinderen tot Hem brengen, eer wij tot Hem gedreven worden door ramp of nood, Hem niet slechts te bezoeken, als wij in benauwdheid zijn, maar ons tot Hem te begeven in het gevoel onzer algehele afhankelijkheid van Hem, en van het goed en de weldadigheid, die wij van Hem verwachten, dit is Hem welbehaaglijk. Zij begeerden, dat Hij hun de handen zou opleggen en bidden. De oplegging der handen was een plechtige handeling, inzonderheid bij het uitspreken van den vaderlijken zegen. Jakob heeft dit gedaan, toen hij de zonen van Jozef zegende en aannam, Genesis 48:14. Het geeft liefde en gemeenzaamheid te kennen, gepaard aan macht en gezag, en geeft ook te kennen dat er kracht van uitwerking is verleend aan den zegen. Aan hen, voor wie Christus bidt in den hemel, legt Hij Zijne hand op door Zijn Geest. Kinderkens kunnen tot Christus gebracht worden als behoevende Zijn zegen, en als instaat zijnde dien te ontvangen. Daarom moeten zij tot Hem gebracht worden. Wij kunnen voor onze kinderen niet beter doen, dan ze over te geven aan den Heere Jezus, opdat Hij in hen werke en voor hen bidde. Wij kunnen slechts een zegen voor hen vragen, Christus alleen kan den zegen gebieden.
Il. De fout der discipelen in hen te bestraffen. Zij keurden hun verzoek af als ijdel, en bestraften hen, die dat verzoek gedaan hadden, als vrijpostig en lastig. Zij hebben of gedacht, dat het beneden hun waardigheid was van hun Meester om acht te slaan op kleine kinderen, behalve voor het geval, dat zij ziek waren, of dat Hij genoeg vermoeienis had door Zijn ander werk, en zij dus niet wilden, dat Hij er van afgeleid werd. Zij kunnen ook van mening zijn geweest, dat, indien zulk een verzoek gunstig werd opgenomen, de kinderen uit de gehele landstreek tot Hem gebracht zouden worden, en dan zouden zij er nooit het einde van zien. Het is kostelijk voor ons, dat er in Christus meer liefde en tederheid is, dan in de besten van Zijne discipelen. En laat ons van Hem leren, om geen gewillige, welmenende zielen te ontmoedigen, als zij naar Christus vragen, al zijn zij ook zwak. Als Hij het gekrookte riet niet verbreekt, behoren wij dit ook niet te doen. Zij, die Christus zoeken, moeten het niet vreemd vinden, als zij tegenstand en bestraffing ontmoeten, zelfs van vrome mensen, die denken, dat zij Christus' zin en bedoeling beter kennen dan wel het geval is.
III. De gunst onzes Heeren Jezus over deze kinderen, en de wijze, waarop Hij die toonde.
1. Hij bestrafte de discipelen, vers 14. Laat af van de kinderkens, en verhindert hen niet, en Hij herstelt hun vergissing door te zeggen: want dezulke is het koninkrijk der hemelen. De kinderen van gelovige ouders behoren tot het koninkrijk der hemelen en zijn leden van de zichtbare kerk. Dezulke, niet slechts dezulke in gemoedsgesteldheid en neiging (dat zou ene reden kunnen geweest zijn, waarom duiven en lammeren tot Hem gebracht zouden worden) maar dezulke in leeftijd is het koninkrijk der hemelen, aan hen behoren de voorrechten van het lidmaatschap der zichtbare kerk, zoals vanouds onder de Joden. U komt de belofte toe en uwe kinderen, Ik zal Mijn verbond oprichten. om u te zijn tot een God, en uwen zade na u. Zij zijn daarom welkom aan Christus, die bereid is diegenen te ontvangen, die, als zij niet uit zich zelven kunnen komen, tot Hem gebracht worden. En dit is zo met betrekking tot de kinderkens zelven, over welke Hij bij alle gelegenheden zorg getoond heeft, en die, delende in de boze invloeden van de zonde van den eersten Adam, nu ook moeten delen in den rijkdom der genade van den tweeden Adam. Immers, wat zou er anders worden van des apostels parallel, 1 Corinthiërs 15:22, Romeinen 5:14, 15, enz. ? Hen die aan Christus gegeven worden als deel van het door Hem vrijgekochte, zal Hij geenszins uitwerpen. Dit is ook zo met het oog op het geloof der ouders, die ze brachten, en ze voorstelden als levende offeranden. Ouders zijn van nature aangesteld om voor het welzijn hunner kinderen op te komen en te zorgen, en daarom neemt Christus hun overgave van hen aan als hun eigen daad en handeling. Daarom duidt Hij het hun ten kwade, die kinderen willen verhinderen tot Hem te komen, hen willen uitsluiten, die Hij heeft ontvangen, hen uitwerpen uit het erfdeel des Heeren, zeggende: Gijlieden hebt geen deel aan den Heere, Jozua 22:27, en het water zouden willen weren om hen te dopen, die indien de belofte vervuld is van Jesaja 44:3, voor zoveel wij weten, den Heiligen Geest hebben ontvangen, zo goed als wij.
2. Hij ontving de kinderkens, en deed wat van Hem begeerd werd, Hij legde hun de handen op, dat is: Hij zegende ze. De krachtigste gelovige leeft niet zozeer doordat hij Christus heeft aangegrepen, als wel daardoor, dat Jezus hem gegrepen heeft, Filippenzen 3:12, niet zozeer doordat hij God kent, maar veel meer doordat hij van God gekend is, Galaten 4:9, en daartoe is ook het kleinste kind geschikt. Als zij hun handen niet kunnen uitstrekken tot Christus, kan Hij hun toch de handen opleggen, en hen aldus tot de Zijnen maken, en hen als de Zijnen erkennen. Het is, dunkt mij, opmerkelijk, dat Hij, toen Hij dit gedaan had, van daar vertrok, vers 15. Alsof Hij achtte daar nu genoeg gedaan te hebben, toen Hij het recht had gehandhaafd van de lammeren Zijner kudde, en hiermede gezorgd had voor ene opvolging van onderdanen in Zijn koninkrijk.