27. Maar men kan nauwkeurig bij mij waarnemen hoe ik mij gedraag. Ik bedwing namelijk mijn lichaam en breng het tot dienstbaarheid 1). Ik sla toe op mijn lichaam als mijn eerste en voornaamste tegenstander en trek het als overwonnen achter mij. Ik doe dat, opdat ik niet enigszins, omdat ik anderen gepredikt heb en als heraut ze oproep om de strijd aan te vangen en hun de regels van de strijd bekend maak, zelf verwerpelijk wordt 2). Ik zoek voor mijn persoon, omdat ik mijzelf ook tot de wedstrijders reken, dat mij niet overkomt de prijs onwaardig geacht te worden, maar ik daarentegen met de prijs getooid uit de strijd ga.
1) De apostel voert zichzelf in als voorbeeld van een ware strijder. Ik loop of gedraag mij als Christen, zegt hij, op de wijze van één, die niet op het onzekere afloopt, maar van zijn doel wel bewust is. De eer van God, de zaligheid van zichzelf en van de naaste te bevorderen is het einddoel van al zijn arbeid. Als hij vervolgens voortgaat om zich voor te stellen als een vuistvechter, die niet in de lucht slaat, maar zijn tegenstander treft, gaat hij over tot een andere soort van wedstrijden.
Zoals hij zichzelf eerst enigermate gezien heeft in de loopbaan, zo ziet hij zich nu voor een atleet aan, voor een vuistvechter, een worstelaar; want bij de Griekse spelen werd niet alleen gelopen; er streden ook sterken met elkaar, zonder kleren, geheel met olie gezalfd, opdat het te moeilijker worden zou te grijpen en gegrepen te worden.
Bij de voorbereidingen, waardoor men zich toelegde om zich te oefenen tot de strijd met de werkelijke tegenstander, had een Skiamachie (spiegelgevecht) plaats, waarbij men luchtslagen deed. Dacht Paulus daaraan bij het woord "niet als een, die de lucht slaat", dan was zijn mening, dat hij niet in een gemakkelijk voorspel van de strijd was, zonder gevaar, maar in de hoofdstrijd zelf. Het beeld doelt echter zonder twijfel op de slagen, die bij de eigenlijke strijd missen, die door de lucht gaan en doelt op de onmannelijke, zichzelf sparende weekheid in de geestelijke strijd van de zelfverloochening. In bijzonder historische overbrenging heeft men daarbij gedacht op het gans nutteloze en doelloze gebruik dat de Korinthiërs van hun vrijheid maakten omtrent onverschillige zaken in de strijd met de zwakkeren.
Evenals bij het eerste beeld het vaste, voortdurende streven naar het doel wordt voorgesteld, zo komt het bij het tweede erop aan, dat men zijn kracht niet verspilt door onzekere slagen, die de tegenstander niet treffen, maar hem zo slaan dat men de strijd zegevierend eindigt. Nu wordt het lichaam, als het orgaan van de lagere begeerten voorgesteld als de tegenstander, die zijn bestrijder door vuistslagen overmeestert en als een overwonnene zich tot een knecht maakt.
De heiligmaking is werkelijk een strijd, die tegen ons vlees en bloed, tegen ons lichaam gericht is. De wereld kan ons het aankleven, als wij de verzoeker, de vijand van onze zaligheid in ons, hebben overwonnen. Wijzelf, zoverre wij nog uit het vlees zijn geboren en in het vlees leven, zijn onze gevaarlijke en ergste vijanden. Willen wij overwinnen in de strijd die ons is opgelegd, dan moeten wij niet tegen de wereld, maar tegen vlees en bloed de wapenen keren en de aanval richten. Ons lichaam had zich begeven in de dienst van de zonde en zijn leden haar tot werktuigen gesteld. Nu moet het lichaam, dat zich aan die slavernij gewend heeft, tot vrijheid worden gebracht en de leden, die zich geheel vanzelf weer tot haar zondige werken in beweging stellen, onder strenge tucht nemen. De apostel spaart zichzelf in deze strijd niet; hij grijpt zijn lichaam niet aan met zachte handschoenen en is er ver vanaf om het slechts zachte bestrijkingen te doen ondergaan. Hij raapt al zijn kracht samen, hij laat zware, geduchte slagen vallen, hij mikt met deze naar de plaats, waar de slagen het meest gevoelig zijn, het meest pijn veroorzaken. Hij slaat zijn tegenstander flink weg in het aangezicht, zodat het opzwelt en bont en blauw wordt (want dit betekent het woord van de grondtekst, dat door "bedwingen" is vertaald (Lukas 18:5). Hij slaat toe, al schreeuwt de vijand ook nog zo om genade; hij slaat toe, al veroorzaakt elke nieuwe slag ook weer de vreselijkste pijn. Hij slaat toe, tot de tegenpartij geheel overwonnen op de aarde ligt en zich gevangen geeft.
Paulus wil hier niet gelijk geven aan een valse ascese, deze veroordeelt hij (Filippenzen 2:23): maar wel wil hij dat de vrijheid van het vlees beperkt wordt en wil hij de Korinthiërs vermanen in een waarlijk Christelijke zin het vlees met de lusten en begeerlijkheden te kruisigen (Galaten 5:13).
2) De apostel vergelijkt zijn prediken, waardoor hij anderen tot de strijd tegen het vlees en tot het nieuwe leven van de geest in Christus Jezus opwekt, met het werk van een heraut, die de regels van de strijd bekend maakte en de strijders tot de strijd opriep. Hij roept ook hier zijn lezers op tot de geestelijke strijd: hij wekt ieder in het bijzonder onder hen op om te strijden, zodat men de prijs waardig wordt. Tevens wil hij waken dat hij niet zelf nutteloos blijft, doordat hij zelf niet doet wat hij zegt. Hij wil uit de strijd gaan als een, die met de prijs van de overwinning bekroond is, opdat zijn voorbeeld zijn lezers tot een licht zij en hen tot de strijd aanvuurt.
Deze is de ware theologie, dat de leraar ook zelf gehoorzaamt aan het woord van de waarheid, dat hij als voorbeeld de kudde voorgaat en toont dat het mogelijk is. Die daarin Christus volgt, is Hem aangenaam en de mensen tot nut.
Niet dat Paulus niet van zijn zaligheid verzekerd was, maar hij was tevens innig overtuigd dat zijn verheven bediening in de gemeente hem niet zou behouden, dat, hoewel hij een apostel - de apostel van de heidenen was - die overvloediger gearbeid had dan al de overigen tezamen, hoewel duizenden door zijn prediking bekeerd waren, toch wist hij, dat dit hem niet voor verwerping vrijwaren kon. Judas had ook anderen gepredikt en was toch ook zelf verworpen geworden. Zo was ook Paulus overtuigd dat hij, als hij hier op aarde in de zonde geleefd had, in de hemel verwerpelijk zou zijn. Hij wist dat er een onverbreekbaar verband gelegd is tussen een leven in de zonde en een eeuwige verwerping en daarom was dit hem steeds een sterke aansporing tot heilige ijver voor de dienst van de Heere. "Verwerpelijk bevonden te worden", dat was hetgeen hij boven alles vreesde. Hetzelfde woord wordt vaker vertaald door "verworpen. " Het is afkomstig van het zuiveren van de metalen, waarvan men het schuim, of het deel dat weggeworpen wordt, verwerpelijk of verworpen noemt. Wat zegt het: verwerpelijk te worden! De goddelozen zullen van Gods aangezicht verworpen worden (Mattheus 25:41): "Ga weg van Mij, vervloekten (2 Thessalonicenzen 1:9): "Welke tot straf lijden zullen het eeuwig verderf, van het aangezicht van de Heere en van de heerlijkheid van Zijn sterkte. a) Zij zullen zijn verre van Christus. Nu zijn de goddelozen vaak zeer dicht in de nabijheid van Christus. Hij staat aan hun deur en Hij klopt. De hele dag houdt Hij Zijn handen tot hen uitgestrekt. Hij spreekt tot hen in de Bijbel en door de prediking van het Evangelie. Hij roept: Kom hier tot Mij en Ik zal u rust geven. Dan: die tot Mij komt, zal ik geenszins uitwerpen. Maar als Christus eenmaal dit vonnis heeft uitgesproken: "Ga weg van Mij, vervloekten", dan klopt Hij niet meer aan de deur van het hart - dan geen dringende nodiging - geen liefelijke roepstemmen meer. Christus is de enige weg tot de Vader, maar de toegang tot die weg is dan voor eeuwig ontzegd. Christus is de enige deur, maar die is dan voor eeuwig gesloten. Met Christus te zijn, dat zal eigenlijk de hoogste zaligheid van de verlosten uitmaken. "Heden zult u met Mij zijn. " Hebbende begeerte om ontbonden te worden en met Christus te zijn. Zo zullen wij altijd met de Heere zijn, Zijn dienstknechten zullen Hem dienen en zij zullen Zijn aangezicht aanschouwen. Dit maakt de stof van de eeuwige vreugde uit in het hart van de verlosten. Maar de goddelozen zullen van deze zaligheid buitengesloten zijn. "Bind hem handen en voeten en werp hem uit in de buitenste duisternis. " b) Verre van God. - Het is waar, de goddelozen kunnen nooit uit de tegenwoordigheid van God verbannen worden (Psalm 139:8). "Bedde ik mij in de hel, zie, U bent daar. " Job zegt: "De hel is naakt voor Hem en geen deksel is er voor het verderf (Job 26:6). Door de kracht van Zijn almacht heeft Hij het verderf geformeerd en door de adem van Zijn mond heeft Hij het ontstoken (Jesaja 30:33). "De adem van de Heere zal hem aansteken als een zwavelstroom. " Maar zij zullen verstoken zijn: ten eerste van de zaligheid, die bij God gesmaakt wordt. God sprak tot Abraham: "Ik ben uw schild en uw loon zeer groot. " God geeft Zichzelf geheel aan de gelovige ziel en zegt tot haar: Ik zal u tot een God zijn. Asaf zegt: "God is de rotssteen van mijn hart en mijn deel in eeuwigheid. Wie kan de zaligheid beschrijven van hen die bij God zijn, die God, de oneindige God, tot hun deel hebben ontvangen? Daar zal de mens buiten Christus voor eeuwig van verstoken zijn. God zal uw deel niet zijn. Al zijn krachten en eigenschappen zullen tegen u gekeerd zijn. Ten tweede: van de liefde van God. "In uw goedgunstigheid is het leven. " Deze liefde van God wordt door de gelovigen reeds op aarde genoten. Een straal van Gods vriendelijk aangezicht is genoeg om het hart van de Christen met meer dan engelen blijdschap te vervullen en het hart van de eenzame weduwe van vreugde in haar binnenste te doen juichen. Van dit alles zullen zij, die niet in Christus gevonden worden, voor eeuwig zijn uitgesloten en in plaats daarvan zal de toorn van God in alle eeuwigheid op hen blijven. Vreselijk is het om te vallen in de handen van de levende God. " Ten derde: Zij zullen buitengesloten zijn van Gods zegeningen. God is de bron van alle zegen. Al het geschapene is slechts in zoverre goed en liefelijk voor ons, als God wil, dat dit zij. De zon verwarmt ons, het voedsel, dat wij nuttigen, onderhoudt ons leven, onze vrienden veraangenamen ons bestaan, omdat God hen dit in het hart geeft en Hij het zo gewild heeft. Al de vreugde van deze aarde is het afschijnsel van dat ongeschapen licht; maar scheidt de mens van zijn God en alles verkeert in tastbare duisternis. God is de bron van alle blijdschap, scheidt de mens geheel van zijn God en geen schepsel kan hem de geringste vreugde meer doen smaken, ziedaar wat het zegt om verwerpelijk, voor eeuwig van God afgescheiden te worden. Al bestond er geen poel van vuur, dit zou op zichzelf reeds een hel zijn.