Markus 9:14-29
Wij hebben hier de geschiedenis van Christus' uitwerpen van den duivel uit een kind, die hier ietwat vollediger is meegedeeld dan in Mattheus 17:14 en verder. Merk hier op:
I. Christus' terugkeer tot Zijne discipelen, en de verlegenheid, waarin Hij hen vond. Hij heeft Zijn gewaad der heerlijkheid afgelegd, en kwam terug tot Zijn huisgezin om te vernemen hoe het hun gegaan was. Christus' heerlijkheid hierboven doet Hem de zaken en omstandigheden niet vergeten van Zijne kerk hier beneden, die Hij bezoekt in grote nederigheid, vers 14. En Hij kwam zeer van pas, toen de discipelen in grote verlegenheid waren, en de schriftgeleerden, die de gezworen vijanden waren van Hem en van hen, reeds enig voordeel over hen hadden verkregen. Een door den duivel bezeten kind werd tot hen gebracht, en zij konden den duivel niet uitwerpen, waarop de schriftgeleerden hen bespotten en zich ongunstig uitlieten over hun Meester, en juichten alsof zij nu de overwinning hadden behaald. Hij vond de schriftgeleerden met hen twistende ten aanhore van de schare, waardoor sommigen van hen wellicht geschokt en geërgerd waren. Zo vond Mozes, toen hij van den berg kwam, het leger van Israël in grote wanorde, zo spoedig werden Christus en Mozes gemist. Christus' terugkeer was den discipelen ongetwijfeld zeer welkom, maar gans niet welkom aan de schriftgeleerden. Maar er wordt bijzonder acht op gegeven, dat zij zeer verrassend was voor het volk, dat wellicht gereed was te zeggen: Deze Jezus, wij weten niet wat hem geschied zij. Maar toen zij Hem tot hen zagen wederkeren, werden zij verbaasd, in sommige handschriften is er bijgevoegd kai exephobêthêsan -en zij waren bevreesd, en toelopende (sommige handschriften hebben in plaats van prostrechontes het woord proschairontes, wensten Hem heil, of heetten Hem welkom) groetten zij Hem. Het is gemakkelijk te bevroeden, waarom zij verblijd waren Hem te zien, maar waarom werden zij verbaasd, zeer verbaasd, toen zij Hem zagen? Waarschijnlijk omdat er wellicht nog iets ongewoons in Zijn gelaat en voorkomen was, zoals Mozes' gelaat glinsterde toen hij van den berg neerkwam, waarom het volk vreesde tot hem toe te treden, Exodus 34:30. Zo was het ook wellicht enigermate met het gelaat van Christus, tenminste, in plaats van een voorkomen van vermoeidheid, scheen er een verwonderlijke kracht en levendigheid in de uitdrukking van Zijn gelaat, waardoor zij verbaasd werden.
II. De zaak, die de discipelen in verlegenheid bracht, werd Hem voorgelegd. Hij vroeg aan de schriftgeleerden, die naar Hij wist altijd kwellend waren voor Zijne discipelen en hen bij iedere gelegenheid tergden: Wat twist gij met dezen? Waarover loopt de twist nu? De schriftgeleerden antwoordden niet, want Zijne tegenwoordigheid bracht hen in verwarring, de discipelen antwoordden ook niet, want zij waren vertroost, en lieten de zaak nu aan Hem over. Maar de vader van het kind legde de zaak bloot, vers 17, 18.
1. Zijn kind is bezeten door een stommen geest, hij heeft de vallende ziekte, en in zijne toevallen is hij sprakeloos. Zijn toestand is zeer treurig, want waar het toeval hem ook overkomt, scheurt hem de geest, werpt hem in hevige stuiptrekkingen neer, zodat hij schier in stukken wordt gescheurd, en- hetgeen zeer smartelijk is voor hem zelven, en ontzettend voor die hem omringen-hij schuimt en knerst met zijne tanden, als iemand die zware pijn lijdt en in grote ellende is, en hoewel die aanvallen bedaren en voorbijgaan, laten zij hem toch uiterst zwak, zodat hij verdort, wegkwijnt, en er uitziet als een geraamte. Dit was voor een teder-liefhebbend vader een voortdurende beproeving. 2. De discipelen kunnen hem generlei verlichting geven: Ik heb Uwen discipelen gezegd, dat zij hem zouden uitwerpen, gelijk zij zo velen uitgeworpen hebben, en zij zouden het ook gaarne gedaan hebben, maar zij hebben niet gekund, en daarom zoudt Gij nooit op gelegener tijd kunnen komen, en heb ik hem tot U gebracht.
III. De bestraffing, die Hij hun allen gaf, vers 19, O ongelovig geslacht! hoelang zal Ik nog bij ulieden zijn? Hoelang zal Ik u nog verdragen? Dr. Hammond verstaat dit als gesproken tot de discipelen, hen bestraffende om hun niet-aanwenden van de macht, die Hij hun had gegeven, en omdat zij niet vastten en baden, zoals Hij het hun in sommige gevallen had voorgeschreven. Maar Dr. Whitby beschouwt het als ene bestraffing van de schriftgeleerden, die zich verheugden in deze teleurstelling der discipelen en gehoopt hadden hen hierdoor te verpletteren. Hen noemt Hij een ongelovig geslacht, en Hij spreekt als iemand, die hen moede is, het moede is hen te verdragen. Nooit horen wij Hem klagen: Hoelang zal Ik nog in dien staat van vernedering zijn, en van dat lijden? Maar: Hoelang zal ik nog onder dit ongelovig volk wezen en hen verdragen?
IV. De treurige toestand van het kind toen hij tot Christus gebracht werd, en de droevige voorstelling, die zijn vader er van gaf. Toen het kind Christus zag, kreeg hij een toeval: Als hij Hem zag scheurde hem terstond de geest, en hij, vallende op de aarde, wentelde zich al schuimende, alsof de duivel Christus wilde tarten en hoopte, dat Hij hem niet aan zou kunnen, zodat hij, in weerwil van Hem, het kind kon blijven bezitten. Zo verklaart Dr. Hammond den tekst, maar wij kunnen het ook zo verstaan, dat de duivel verwoed was en in des te groter toorn was ontstoken, omdat hij wist nog maar een kleinen tijd te hebben, Openbaring 12:12. Christus vroeg: Hoe langen tijd is het, dat hem dit overkomen is? En het schijnt dat de kwaal reeds oud was, het is hem overkomen van zijn kindsheid af, vers 21, hetgeen den toestand nog treuriger maakte en de genezing moeilijker. Van nature zijn wij allen kinderen der ongehoorzaamheid, en in de zodanige werkt de boze geest, en hij heeft dit gedaan van onze kindsheid af, want de dwaasheid is in het hart des jongens gebonden, en alleen de machtige genade van Christus kan haar uitwerpen.
V. Het dringend aanhouden van den vader des kinds bij Christus om genezing, vers 22.
Menigmaal heeft hij hem ook in het vuur en in het water geworpen, om hem te verderven. De duivel bedoelt het verderf van hen in wie hij heerst, en werkt, en zoekt wie hij zou mogen verslinden. Maar zo Gij iets kunt, wees met innerlijke ontferming over ons bewogen en help ons. De melaatse was overtuigd van Christus' macht, maar was niet zo zeker van Zijn wil, daarvoor had hij het woord indien nog nodig, Mattheus 8:2. Indien Gij wilt, Gij kunt. Deze arme man daarentegen verlaat zich op Zijn goeden wil, maar stelt nog een indien voor wat betreft Zijne macht, omdat Zijne discipelen, die toch duivelen hadden uitgeworpen in Zijn naam, in dit geval echter machteloos waren gebleken. Aldus wordt Christus verkort in Zijne eer door de moeilijkheden en dwaasheden Zijner discipelen.
VI. Christus' antwoord op dit verzoek, vers 23, Zo gij kunt geloven, alle dingen zijn mogelijk degenen, die gelooft. Hier:
1. Bestraft Hij stilzwijgend de zwakheid van zijn geloof. De lijder schuift het op Christus' macht, en geeft zijn ongunstige mening te kennen over de onmacht der discipelen, maar Christus keert het tegen hem zelven, en wil dat hij de teleurstelling zal wijten aan zijn eigen gebrek aan geloof: Zo gij kunt geloven. 2. Hij bemoedigt hem genadiglijk in de kracht zijner begeerte: Alle dingen zijn mogelijk degenen, die gelooft in de almachtige kracht van God, aan wie alle dingen mogelijk zijn. Of: Voor hen, die in de belofte Gods geloven, zal door de genade Gods datgene gedaan worden, dat volstrekt onmogelijk scheen. In ons handelen met Christus komt heel veel aan op ons geloof, en daaraan is zeer veel beloofd. Kunt gij geloven? Durft gij geloven? Zijt gij bereid uw al met en voor Christus te wagen? Al uw geestelijke belangen met Hem, en al uw tijdelijke belangen voor Hem te wagen? Durft gij dit? Zo ja, dan is het niet onmogelijk, dat gij, hoewel gij een groot zondaar waart, met God verzoend zult worden, hoewel gij gans onwaardig zijt, zult gij dan toch naar den hemel gaan. Indien gij kunt geloven, dan is het mogelijk, dat uw harde hart vertederd, uw geestelijke krankheden genezen worden en dat gij zwak als gij zijt toch tot den einde toe zult kunnen volharden.
VII. De belijdenis van geloof, die de arme man hierop uitsprak, vers 24, Ik geloof, Heere, riep hij. Ik ben ten volle overtuigd van Uwe macht en Uw mededogen, de genezing zal niet verhinderd worden door mijn gebrek aan geloof, Ik geloof, Heere. Hij voegt er de bede bij om genade, ten einde vaster te kunnen steunen en betrouwen op de verzekerdheid, die hij had van Christus' macht en bereidwilligheid om te behouden: Kom mijne ongelovigheid te hulp. Zelfs zij, die door genade kunnen zeggen: Heere, ik geloof, hebben nog reden om over hun ongeloof te klagen, te klagen dat zij het woord van Christus niet zo geredelijk voor zich zelven kunnen aannemen en op hun eigen omstandigheden kunnen toepassen, als zij wel moesten, en er niet zo goedsmoeds op kunnen steunen en betrouwen. Maar zij, die klagen over hun ongeloof, moeten op Christus zien en van Hem de genade verwachten om hen er tegen te helpen, en dan zal Zijne genade hun genoeg zijn. Kom mijne ongelovigheid te hulp, help mij om er vergeving voor te verkrijgen, help mij met kracht er tegen, help m ij met uwe genade voor het tekortkomende in mijn geloof, de kracht dier genade wordt in onze zwakheid volbracht.
VIII. De genezing van het kind en de overwinning, behaald op den woedenden duivel, waardoor het bezeten was. Christus zag dat de schare gezamenlijk toeliep, verwachtende den uitslag te zien van deze proeve Zijner macht en bekwaamheid, en daarom hield Hij hen niet lang in spanning en onzekerheid, maar bestrafte den onreinen geest. Merk op:
1. Het bevel van Christus aan dezen onreinen geest: "Gij stomme en dove geest, die dit arme kind stom en doof maakt, maar die zelf uw vonnis zult moeten aanhoren, en niet instaat zijn er iets tegen te zeggen, Ik beveel u, ga uit van hem, en kom niet meer in hem. Laat dit toeval niet slechts ophouden, maar nooit meer komen over het kind." Wie door Christus genezen wordt, wordt afdoend en volkomen genezen. Satan kan wel vanzelf uitgaan, maar toch weer bezit nemen, maar als Christus hem uitwerpt, dan houdt Hij hem ook buiten.
2. Hoe de onreine geest dit opnam: hij werd nog woedender, hij riep, hem zeer scheurende, hem bij het scheiden zulk een ruk gevende, dat het kind als dood werd, zo groot was zijn weerzin om zijn bezit op te geven, zo verwoed was hij om de hogere macht van Christus, zo boosaardig jegens het kind, en zo begerig om hem te doden. Velen zeiden dat het gestorven was. Zo kan de schudding, die ene ziel ondergaat op het ogenblik, dat Satans macht in haar wordt verbroken, wel vreeslijk zijn, maar die schudding opent de deur voor blijvende vertroosting.
3. Hoe het kind volkomen hersteld was, vers 27, Jezus hem bij de hand grijpende -kratêsas -richtte hem op, en hij stond op, en alles was wel. IX. De reden, die Hij gaf aan de discipelen, waarom zij dien duivel niet hadden kunnen uitwerpen. Zij vroegen Hem alleen-dat is: met Hem alleen zijnde: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitwerpen? Opdat het verkeerde, dat er in hun doen was, een andermaal vermeden zou worden, en opdat zij niet aldus openlijk beschaamd zouden worden gemaakt, en Hij zei het hun, vers 29, Dit geslacht of dit soort kan nergens door uitgaan dan door bidden en vasten. Welk verschil er werkelijk mocht wezen tussen deze en andere soorten, er schijnt geen ander te zijn, dan dat de onreine geest dezen armen lijder had bezeten van zijne kindsheid af, dat versterkte zijn invloed en bevestigde hem in zijn bezit. Als slechte gewoonten door het lange aanhouden er van ingeworteld zijn, en op het verjaringsrecht beginnen te pleiten, dan zullen zij, evenals chronische ziekten, zeer moeilijk te genezen zijn. Kan de Moorman zijne huid veranderen? De discipelen moeten niet denken, dat zij hun werk altijd even gemakkelijk kunnen verrichten. In sommige gevallen zullen zij zich de uiterste moeite moeten geven, maar Christus kan door een woord te spreken tot stand brengen, hetgeen de discipelen slechts door bidden en vasten vermogen te doen.