Markus 8:27-38
Wij hebben veel gelezen van de leer, die Christus gepredikt, en de wonderen, die Hij gewrocht heeft. Die wonderen waren talrijk, verbazingwekkend, van verschillenden aard en gewerkt in verschillende plaatsen tot verwondering en ontzetting van de grote scharen, die er ooggetuigen van waren. Nu is het tijd voor ons om een wijle stil te staan en de betekenis er van te overdenken. De wonderwerken, die Christus toen verbood bekend te maken, verhaald zijnde in deze gewijde Schriften, worden hierdoor verkondigd aan geheel de wereld, aan ons, aan alle tijden. Wat nu hebben wij er van te denken? Is het verhaal dezer dingen slechts bestemd om ons te vermaken, of om ons stof te leveren om er over te spreken? Neen, maar deze dingen zijn geschreven, opdat wij geloven, dat Jezus is de Christus, de Zone Gods, Johannes 20:31, en het gesprek, dat Christus nu had met Zijne discipelen zal ons helpen om op de rechte wijze over Christus' wonderen na te denken en er een recht gebruik van te maken. Er zijn drie dingen, die wij uit de wonderen, door Christus gewrocht, kunnen afleiden.
I. Zij bewijzen, dat Hij de ware Messias is, de Zoon van God en de Zaligmaker der wereld. Dit hebben de werken, die Hij deed, van Hem getuigd, en Zijne discipelen, die de ooggetuigen waren van die werken, belijden hier hun geloof er aan, en dit kan niet anders dan ons zeer aangenaam zijn, als wij er dezelfde gevolgtrekking uit afleiden.
1. Christus vroeg hun naar het gevoelen des volks omtrent Hem. Wie zeggen de mensen dat Ik ben? vers 27. Hoewel het een kleine zaak voor ons is om door mensen geoordeeld te worden, kan het ons somwijlen toch goed doen te weten wat men van ons zegt, niet opdat wij onze eigen eer zoeken, maar opdat wij van onze fouten en gebreken horen. Christus vroeg dit niet om ingelicht te worden, maar opdat zij er zelven acht op zouden geven, en dan elkaar zouden inlichten.
2. Uit hetgeen zij Hem hieromtrent berichtten bleek duidelijk, hoe hoog een denkbeeld het volk van Hem koesterde. Hoewel zij beneden de waarheid bleven, waren zij er door Zijne wonderen toch van overtuigd, dat Hij een buitengewoon persoon was, die met een Goddelijke opdracht uit de onzichtbare wereld was gezonden. Waarschijnlijk zouden zij Hem wel als den Messias erkend hebben, indien hun leraren hun het denkbeeld niet hadden ingeboezemd, dat de Messias een wereldlijk vorst moest zijn, die in buitengewone uiterlijke pracht en heerlijkheid zou verschijnen, en daarmee was het uiterlijk voorkomen van Christus niet overeen te brengen. Maar toch-wat ook de Farizeeën mochten zeggen- niemand uit het volk zei dat Hij een bedrieger was, maar sommigen zeiden, dat Hij Johannes de Doper was, anderen: Elias, en anderen: Een van de profeten, vers 28. Allen waren zij van mening, dat Hij iemand was, die van de doden was opgestaan.
3. Wat zij Hem van hun eigen gevoelen omtrent Hem zeiden, gaf te kennen welk een volkomen genoegen en voldoening zij in Hem smaakten, hoe gelukkig ze waren alles te hebben verlaten om Hem te volgen, waarvan zij, na hun proeftijd, nog hoegenaamd geen berouw hadden. Maar gijlieden, wie zegt gij dat Ik ben? Op die vraag is hun antwoord gereed: Gij zijt de Christus, de Messias zo herhaaldelijk beloofd, en zo lang verwacht, vers 29. Een Christen te zijn, dat is in oprechtheid te geloven dat Jezus is de Christus, en dienovereenkomstig te handelen, en dat Hij dit is blijkt klaarlijk uit Zijne wonderwerken. Dit wisten zij, en dit zullen zij weldra hebben te verkondigen, maar voor het ogenblik moeten zij er nog over zwijgen, vers 30, totdat het bewijs er van volledig geleverd zou wezen, en zij ook, na de uitstorting des Heiligen Geestes, volkomen bekwaam gemaakt zouden zijn, het te handhaven en te verdedigen. Dan wete zeker het ganse huis Israël's, dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk dezen Jezus, dien gij gekruist hebt, Handelingen 2:36.
II. Deze wonderen van Christus nemen de ergernis weg van het kruis, en verzekeren ons dat Christus door het kruis wel overwinnaar, maar niet overwonnen was. Nu de discipelen de overtuiging hadden verkregen, dat Jezus is de Christus, kunnen zij het dragen om van Zijn lijden te horen, waarvan Christus nu begint hun kennis te geven, vers 31.
1. Christus leerde Zijne discipelen, dat Hij veel moest lijden. Hoewel zij nu de algemene dwaling te boven waren gekomen, dat de Messias een wereldlijk vorst moest zijn, in zover zij geloofden, dat hun Meester, niettegenstaande de geringheid van Zijn tegenwoordigen staat, de Messias is, toch behielden zij van die dwaling nog genoeg om te geloven, dat Hij weldra in uiterlijken glans en heerlijkheid zal verschijnen, en aan Israël het koninkrijk weer zal oprichten. Om die dwaling nu geheel weg te nemen, geeft Christus hier het vooruitzicht van het tegendeel en zegt hun, dat Hij moet verworpen worden van de ouderlingen, en de overpriesters en schriftgeleerden, die, naar zij dachten, er toe gebracht zouden worden Hem te erkennen en ten troon te verheffen, dat Hij, in plaats van te worden gekroond, gedood zal worden. Hij moet worden gekruisigd, en na drie dagen weder opstaan tot een hemels leven, en om niet meer in deze wereld te zijn.
Dit woord sprak Hij vrijuit, vers 32. Hij zei het onomwonden, in duidelijk-verstaanbare uitdrukkingen. De discipelen zouden het gemakkelijk begrepen hebben, als zij niet zozeer onder de macht van het vooroordeel geweest waren. Het woord kan ook de betekenis hebben, dat Hij hun dit goedsmoeds zei en zonder enigerlei angst of verschrikking, en dat Hij wilde dat zij het op dezelfde wijze zouden horen. Hij zei dit woord kloekmoedig, als iemand die niet slechts wist, dat Hij moest lijden en sterven, maar ook besloten was dit te willen, zodat Hij het tot Zijn eigen daad en handeling maakte.
2. Petrus kantte zich hiertegen aan: Hem tot zich genomen hebbende, begon Hem te bestraf- fen. Petrus toonde hier meer genegenheid dan bescheidenheid, een ijver voor Christus en voor Zijne veiligheid, maar een ijver zonder verstand.
Hij nam Hem tot zich. Het grondwoord betekent eigenlijk: Hij greep Hem aan, of hij hield Hem vast, om Hem als het ware tegen te houden en te belemmeren, hij nam Hem in zijne armen, hij omvatte Hem (zoals sommigen het verstaan). Hij viel Hem om den hals, het niet kunnende dulden om te horen, dat zijn dierbare Meester zo zwaar lijden zou hebben te ondergaan, of wel hij nam Hem ter zijde en begon Hem te bestraffen. Dit was niet in het minst de taal van gezag, maar van de grootste genegenheid, van dien ijver voor het welvaren van hen, die wij lief hebben, die sterk is als de dood. Onze Heere Jezus heeft Zijn discipelen vergund vrijmoedig met Hem te zijn, maar Petrus heeft zich hier al te grote vrijheid veroorloofd.
3. Christus bestrafte hem om zijn tegenstand, vers 33. Hij keerde zich om als iemand, die beledigd is, en zag Zijne discipelen aan, om te zien of zij van hetzelfde gevoelen waren en hierin met Petrus instemden, opdat, indien dit zo was, zij de bestraffing ook voor zich zelven zouden aanhoren, die Hij nu aan Petrus zou geven, en zei: Ga heen, achter Mij, Satan. Weinig heeft Petrus gedacht zulk een scherpe bestraffing te zullen ontvangen voor zo vriendelijk bedoeld afraden, wellicht heeft hij integendeel verwacht thans evenveel lof te zullen ontvangen voor zijne liefde als hij kort tevoren ontvangen heeft voor zijn geloof. Christus ziet in hetgeen wij zeggen en doen het verkeerde, waarvan wij ons zelven niet bewust zijn, en Hij weet van welken geest wij zijn, als wij het zelf niet weten.
a. Petrus sprak als iemand, die den raad en de bedoelingen Gods niet recht verstond, en er ook niet behoorlijk over had nagedacht. Als hij dagelijks zulke blijken en bewijzen zag van de macht van Christus, dan kon hij hieruit opmaken, dat Hij nooit gedwongen of genoodzaakt kon worden om te lijden. Zijn machtigste vijanden konden Hem niet overweldigen, wie krankheden en dood, wie winden en golven, ja wie zelfs de duivelen gedwongen waren te gehoorzamen. En als hij dagelijks zoveel zag van de wijsheid van Christus, dan kon hij hieruit opmaken, dat Hij niet zou verkiezen te lijden, of het moest voor een groot en heerlijk doel zijn, daarom had hij Hem niet moeten tegenspreken, maar had hij behoren te berusten. Hij beschouwde Zijn dood slechts als een martelaarschap, zoals die der profeten, en hij dacht dat dit voorkomen kon worden, hetzij door een weinig zorgzaam te zijn om de overpriesters niet te vertoornen, of door hen uit den weg te blijven. Maar hij wist niet dat de zaak nodig was ter verheerlijking van God, ter verderfenis van Satan en ter verlossing der mensen, dat de overste leidsman onzer zaligheid door lijden geheiligd zou worden, om alzo vele kinderen tot de heerlijkheid te leiden. De wijsheid van den mens is volslagen dwaasheid, als zij aan Gods raadsbesluiten perken wil stellen. Het kruis van Christus, het grootste voorbeeld van Gods macht en wijsheid, was voor sommigen een steen des aanstoots, ene ergernis, en voor anderen was het dwaasheid.
b. Petrus sprak als iemand, die den aard van Christus' koninkrijk niet recht begreep, en er niet behoorlijk over had nagedacht. Hij dacht het zich wereldlijk en menselijk, terwijl het geestelijk en Goddelijk is. Gij verzint niet de dingen, die Gods zijn, maar die der mensen zijn, ou phroneis -gij bedenkt niet, aldus wordt dit woord overgezet in Romeinen 8:5. De dingen der mensen meer te bedenken dan de dingen Gods, onze eigen eer, ons gemak en onze veiligheid meer dan de dingen Gods en Zijne eer en Zijn koninkrijk, is een zeer grote zonde, en de wortel van veel zonde, en die zonde is zeer algemeen onder Christus' discipelen, en dit zal blijken in tijden van lijden, die tijden van verzoeking, wanneer zij, in wie de dingen der mensen de overhand hadden, in gevaar zijn van afval. Gij zijt niet wijs in de dingen Gods -zo zou men het oorspronkelijke ook kunnen lezen-maar in de dingen der mensen. Het is van groot gewicht en belang om na te gaan in welk geslacht wij voorzichtig of wijs zijn, Lukas 16:8. Het schijnt verstandig overleg te zijn, om moeilijkheid uit den weg te gaan, maar als wij daardoor ook plicht uit den weg gaan, dan is dit vleselijke wijsheid, 2 Corinthiërs 1:12, en in het einde zal het blijken dwaasheid te zijn.
III. Deze wonderen van Christus moeten ons allen aansporen om Hem te volgen, wat het ons ook moge kosten, niet alleen omdat zij ene bevestiging waren van Zijne zending, maar omdat zij ook ene verklaring waren van Zijn bedoelen en van de strekking dier genade, die Hij ons aangebracht heeft, duidelijk te kennen gevende dat Hij voor onze blinde, dove, verlamde, melaatse, zieke, door den duivel bezeten zielen doen zou, wat Hij gedaan heeft voor het lichaam van die velen, die zich in die benauwdheden en kommer tot Hem hebben gewend. Het is dikwijls opgemerkt, hoe grote scharen tot Hem zijn toegestroomd om in verschillende noden en omstandigheden hulp van Hem te verkrijgen. Dit nu is geschreven opdat wij geloven, dat Hij de grote Geneesmeester is der zielen, en ons als kranken onder Zijne behandeling stellen, en den leefregel volgen, dien Hij ons voorschrijft. En hier zegt Hij ons op welke voorwaarden wij toegelaten kunnen worden, en Hij riep de schare tot zich, die bescheiden op een afstand gebleven was, terwijl Hij in gesprek was met Zijne discipelen, om dit ook te horen. Dat is hetgeen, waar allen belang bij hebben om het te weten en te overdenken, indien zij verwachten dat Christus hun ziel zal genezen.
1. Zij moeten zich niet toegeven in gemakzucht voor het lichaam, want, vers 34,. Zo wie achter Mij wil komen, om geestelijk genezen te worden, zoals deze lieden komen om van hun lichaamskwalen genezen te worden, die verloochene zich zelven, die leide een leven van zelfverloochening, van doding van het vlees en verachting van de wereld. Laat hem zijn eigen geneesmeester niet willen wezen, maar afzien van alle betrouwen in zich zelven en zijn eigen gerechtigheid en kracht, en hij neme zijn kruis op, hij richte zich naar het voorbeeld van een gekruisigden Jezus, en schikke zich naar den wil van God in alle beproevingen, die over hem komen, en aldus blijve hij Mij volgen, zoals velen van hen gedaan hebben, die door Christus werden genezen. Zij, die door Christus genezen willen worden, moeten tot Hem gaan, moeten met Hem spreken, moeten onderricht en bestraffing van Hem ontvangen, evenals zij, die Hem volgden, en zij moeten besluiten Hem nooit te zullen verlaten.
2. Zij moeten niet bezorgd zijn, neen, niet voor het leven des lichaams, als zij het niet kunnen behouden zonder Christus te verlaten, vers 35. Worden wij door de woorden en werken van Christus genodigd en gedrongen Hem te volgen? Laat ons dan neerzitten en de kosten overrekenen, of wij onze voorrechten in en door Christus kunnen stellen zelfs boven het leven, of wij het denkbeeld kunnen dragen, om Christus' wil en om des Evangelies wil het leven te verliezen. Als de duivel discipelen en dienaren achter zich trekt, verbergt hij het ergste voor hen, spreekt hun alleen van het genot en genoegen, maar volstrekt niet van het gevaar aan zijn dienst verbonden, Gij zult den dood niet sterven. Maar al wat er is van moeite en gevaar in den dienst van Christus, zegt Hij ons van tevoren. Hij zegt ons dat wij zullen lijden, dat wij wellicht zullen sterven, voor Zijne zaak, en Hij stelt de ontmoedigingen niet als minder, maar als groter voor dan zij gewoonlijk zijn, opdat het blijke, dat Hij oprecht met ons handelt, en er niet voor vreest dat wij het ergste zullen weten, want de voordelen, aan Zijn dienst verbonden, kunnen rijkelijk opwegen tegen de nadelen en ontmoedigingen, zo wij slechts onpartijdig de ene tegenover de andere willen stellen. Kortom:
a. Wij moeten er niet voor vrezen het leven te verliezen, mits het zij om Christus' wil, vers 35.
Zo wie zijn leven zal willen behouden, door Christus af te wijzen en te weigeren om tot Hem te komen, of door Hem te verloochenen, na in belijdenis tot Hem te zijn gekomen, die zal het verliezen, hij zal het genot en genoegen verliezen van zijn natuurlijk leven, den wortel en de oorsprong van zijn geestelijk leven, en al zijne hoop op het eeuwige leven. Dat is de slechte koop, dien hij voor zich zelven heeft gesloten. Maar wie zijn leven zal verliezen, in waarheid gewillig zal zijn om het te verliezen, het in de waagschaal zal stellen, het zal afleggen, als hij het niet kan behouden zonder Christus te verloochenen, die zal het behouden. Hij zal er onuitsprekelijk veel door winnen, want het verlies van zijn leven zal hem vergoed worden door het betere leven. Men beschouwt het als ene soort van beloning van hen, die hun leven verliezen in den dienst van hun vorst en hun vaderhand, dat hun nagedachtenis geëerd wordt, en er voor hun gezin zorg wordt gedragen, maar wat betekent dit in vergelijking met de beloning, die Christus schenkt in het eeuwige leven aan allen, die voor Hem zijn gestorven?
b. Wij moeten vrezen onze ziel te verliezen, ja al zouden wij daardoor de gehele wereld winnen, vers 36, 37. Want wat zou het den mens baten, zo hij de gehele wereld won, en al den rijkdom, de eer en de genietingen, die zij biedt, door Christus te verloochenen, en zijner ziele schade leed? Het is waar, zei bisschop Hooper `s avonds voor hij den marteldood stierf, het is waar: het leven is zoet, en de dood is bitter, maar de eeuwige dood is bitterder, en het eeuwige leven is zoeter. Gelijk de zaligheid des hemels met Christus genoeg is om op te wegen tegen het verlies van het leven om Christus' wil, zo is het gewin van de gehele wereld in zonde niet genoeg, om op te wegen tegen het verderf der ziel door de zonde. Wat het is, dat de mensen doen om hun leven te behouden en de wereld te gewinnen, zegt Hij ons in vers 38, en hoe noodlottig het gevolg daarvan voor hen zijn zal. Zo wie zich Mijns en Mijner woorden zal geschaamd hebben in dit overspelig en zondig geslacht, dien zal zich de Zoon des mensen ook schamen. Iets dergelijks hebben wij in Mattheus 10:33. Maar hier wordt het vollediger uitgedrukt. Het nadeel, waaronder de zaak van Christus lijdt in deze wereld, is dat zij erkend en beleden moet worden in een overspelig en zondig geslacht. Zodanig is het geslacht des mensdoms, het is afgehoereerd van God in de onreine omhelzingen van de wereld en het vlees, liggende in den boze. Sommige eeuwen en sommige plaatsen zijn meer bijzonder overspelig, en zondig, zoals de eeuw en de plaats, waarin Christus geleefd heeft. In zulk een tijd en onder zulk een geslacht wordt de zaak van Christus tegengestaan en neergeworpen, en zij, die haar erkennen en belijden, zijn blootgesteld aan smaad en verguizing, en zij worden overal bespot en tegengesproken. Er zijn velen die, hoewel zij moeten erkennen dat de zaak van Christus een rechtvaardige zaak is, haar zich evenwel schamen, vanwege den smaad, dien het belijden er van tengevolge heeft. Zij schamen zich hun betrekking tot Christus, zij schamen zich het geloof, dat zij hechten aan Zijne woorden, omdat hun geweten hen daartoe dringt en noodzaakt. Zij kunnen het niet dragen scheef aangezien te worden en smaadheid te lijden, en daarom laten zij hun belijdenis varen en drijven af op den stroom van den algemeen heersenden afval. Maar er komt een dag, wanneer de zaak van Christus even schitterend en doorluchtig zal zijn, als zij nu gering en verachtelijk schijnt te wezen, als de Zoon des mensen komt in de heerlijkheid Zijns Vaders, met de heilige engelen, als de ware Shechina, het afschijnsel van de heerlijkheid Zijns Vaders en de Heere der engelen. Die zich Christus schamen in deze wereld, waar Hij veracht is, hunner zal Hij zich schamen in de wereld, waar Hij tot in eeuwigheid wordt aangebeden. Diegenen zullen dan niet delen in Zijne heerlijkheid, die thans niet in Zijne versmaadheid hebben willen delen.