Mattheus 16:13-20
Hier hebben wij ene bijzondere bespreking van Christus met Zijne discipelen betreffende Hem zelven. Het was in de delen van Cesarea Filippi, de uiterste grens van het land Kanaän ten Noorden, dáár, in dien afgelegen hoek was er misschien een mindere toevloed van mensen tot Hem dan in andere plaatsen, hetgeen Hem tijd en gelegenheid gaf tot dit bijzondere gesprek met Zijne discipelen. Wanneer evangeliedienaars eens minder te doen hebben in hun openbaren arbeid, behoren zij zo veel te meer te doen in hun eigen gezin. Christus onderwijst hier Zijne discipelen.
I. Hij doet een onderzoek naar de mening van anderen omtrent Hem, Wie zeggen de mensen, dat Ik, de Zoon des mensen, ben?
1. Hij noemt zich zelven den Zoon des mensen, hetgeen genomen kan worden.
a. Als een titel, dien Hij met anderen gemeen had. Hij werd genoemd- en terecht-de Zoon van God, want dat was Hij, Lukas 1:35, maar Hij noemde zich zelven den Zoon des mensen, want Hij is wezenlijk en waarlijk mens, geworden uit ene vrouw. Aan de hoven is het regel, om de mensen te onderscheiden naar hun hoogsten titel, maar Christus, zich ontledigd hebbende, wil, hoewel Hij de Zone Gods is, bekend wezen onder den titel en de benaming van Zoon des mensen. Ezechiël werd dikwijls aldus genoemd, om hem nederig te houden, Christus noemde zich zelven aldus, om te tonen, dat Hij nederig was. Of wel
b. Als een titel, die Hem bijzonder eigen was als Middelaar. In Daniël's visioen wordt Hij bekend gemaakt als de Zoon des mensen, Daniël 7:13. Ik ben de Messias, de beloofde Zoon des mensen. Maar,
2. Hij vraagt naar der mensen gevoelen omtrent Hem: Wie zeggen de mensen dat Ik ben? De Zoon des mensen? (Dit geloof ik, is ene betere lezing van den tekst.) Erkennen zij Mij als den Messias? Hij vraagt niet: Wie zeggen de schriftgeleerden en Farizeeën dat Ik ben? Zij waren tegen Hem bevooroordeeld, en zeiden, dat Hij een bedrieger was, in verbond met Satan, maar, Wie zeggen de mensen dat Ik ben? Hij bedoelde het gewone volk, dat door de Farizeeën geminacht werd. Christus deed deze vraag, niet als iemand, die het niet wist, want indien Hij weet wat de mensen denken, hoe veel te meer dan niet wat zij zeggen, niet als iemand, die zijn eigen lof wil horen, maar om de discipelen begerig te maken naar den goeden uitslag van hun prediking, door hun te tonen, dat Hij dit zelf ook was. Het gewone volk sprak gemeenzamer met de discipelen dan met hun Meester, en daarom kon Hij beter van hen vernemen wat zij zeiden. Christus had niet openlijk en duidelijk gezegd wie Hij was, Hij liet het aan het volk over, om dit af te leiden uit Zijne werken, Johannes 10:24, 25. Nu wilde Hij weten welke gevolgtrekkingen het volk daaruit afleidde, alsmede van de wonderen, die de apostelen in Zijn naam hadden verricht.
3. Op deze vraag geven de discipelen Hem een antwoord, vers 14. Sommigen, Johannes de Doper, enz. Er waren sommigen, die zeiden, dat Hij de Zone David's was, Hoofdstuk 12:23, en de grote Profeet. De discipelen maken echter van deze mening gene melding, zij vermeldden slechts die meningen, welke ver verwijderd waren van de waarheid, en die zij van hun landslieden hadden gehoord. Het zijn verschillende meningen, de een zegt dit, een ander wat anders. De waarheid is een, maar zij, die daarvan verschillen, verschillen ook gewoonlijk van elkaar. Aldus is Christus blijkbaar gekomen om verdeeldheid te geven, Lukas 12:51. Een zo algemeen opgemerkt Persoon zijnde, zal ieder gereed zijn zijne mening van Hem te zeggen, en: "Zo vele hoofden, zo vele zinnen." Zij, die Hem niet als den Christus wilden erkennen, dwaalden rond als in een doolhof, en volgden de jacht van iedere onzekere gissing en wilde onderstelling. Het zijn eervolle meningen, en geven de achting te kennen, die zij voor Hem hadden, overeenkomstig hun beste weten. Dit waren de gevoelens niet van Zijne vijanden, maar de sobere gedachten van hen, die Hem met liefde en bewondering volgden. Het is mogelijk goede gedachten omtrent Christus te koesteren, terwijl dit toch niet de juiste zijn, een hogen dunk van Hem te hebben, terwijl die dunk toch niet hoog genoeg is. Allen veronderstellen zij, dat Hij een van de doden opgewekte is, hetgeen wellicht voortkwam uit een verward begrip, dat zij hadden van de wederopstanding van den Messias, voor Zijne openbare prediking. Of hun denkbeelden ontstonden wellicht uit ene overgrote waardering der oudheid, alsof het niet mogelijk was, dat in hun eigen tijd een buitengewoon en voortreffelijk man kon geboren worden, maar dat zulk een man een van de ouden moest zijn, die weer tot het leven was teruggekeerd. Het zijn allen verkeerde meningen, gegrond op vergissingen, en wel op moedwillige vergissingen. Christus' leer en w onderen toonden, dat Hij een buitengewoon Persoon was, maar vanwege het geringe en onaanzienlijke van Zijn uitwendig voorkomen, zo verschillend van hetgeen zij verwachtten, wilden zij Hem niet als den Messias erkennen, wilden zij alles van Hem geloven, maar dit niet.
Sommigen: Johannes de Doper. Herodes zei dit, Hoofdstuk 14:2, en die hem omringden, waren allicht geneigd te zeggen wat hij zei. Dit denkbeeld kan versterkt zijn door hun mening, dat zij, die als martelaars stierven, voor anderen uit de doden zouden opstaan, waarop, naar sommigen denken, de tweede van de zeven zonen zinspeelt in zijn antwoord aan Antiochus, 2 Markus 7:9. De koning der wereld zal ons, die gestorven zijn voor Zijne wetten, opwekken ten eeuwigen leven. En anderen Elias, naar aanleiding ongetwijfeld van de profetie van Maleachi, Hoofdstuk 4:5.
Zie, Ik zende ulieden den profeet Elia. En dit te meer, omdat Elia, evenals Christus, vele wonderen heeft gedaan, en zelf, in zijn opgenomen worden in den hemel, het grootste wonder was.
En anderen: Jeremia, zij denken aan hem, hetzij omdat hij de wenende profeet was, en Christus dikwijls tranen stortte, of omdat God hem over de volken en over de koninkrijken had gesteld, Jeremia 1:10, zij dachten dat dit strookte met hun denkbeeld van den Messias.
Of een van de profeten. Dit toont welke eervolle, hoge gedachten zij koesterden van de profeten, en toch waren zij de kinderen van hen, die de profeten vervolgd en gedood hebben. Hoofdstuk 23:29 -31. Veeleer dan te erkennen' dat Jezus van Nazareth, iemand van hun eigen land, zulk een buitengewoon Persoon was, als door Zijne werken werd aangeduid, zeiden zij: Hij was het niet, maar een van de oudeprofeten.
II. Hij doet nu een onderzoek naar hetgeen zij van Hem dachten: Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben? vers 15. Gij zegt Mij wat andere mensen van Mij zeggen, maar hebt gij wat beters te zeggen.
1. De discipelen waren zelven beter onderwezen dan anderen, zij hadden door hun' gemeenzamen omgang met Christus veel betere gelegenheid om kennis op te doen dan anderen. Terecht verwacht men van hen, die meer middelen onder hun bereik hebben van kennis en genade dan anderen, dat zij ook een helderder en bepaalder kennis van de dingen Gods hebben dan anderen. Zij die beter dan anderen met Christus bekend zijn, moeten ook juister gevoelens omtrent Hem hebben, en in staat zijn Hem beter dan anderen te beoordelen.
2. De discipelen waren opgeleid om anderen te onderwijzen, en daarom was het een volstrekt vereiste, dat zij zelven de waarheid zouden verstaan. Gij, die het Evangelie des koninkrijks hebt te prediken, wat zijn uwe denkbeelden omtrent Hem, die u gezonden heeft? Evangeliedienaren moeten geëxamineerd, onderzocht worden, eer zij worden uitgezonden, inzonderheid moet een onderzoek worden ingesteld naar hun gevoelens omtrent Christus, en wie zij zeggen, dat Hij is, want, hoe kunnen zij als dienaren van Christus worden erkend, die of onwetend zijn, of dwaalbegrippen hebben omtrent Christus? Dit is ene vraag, die een iegelijk onzer dikwijls aan zich zelven behoort te doen: Wie zeggen wij dat de Heere Jezus is? Is Hij ons dierbaar? Draagt Hij voor ons de banier boven tien duizend? Is Hij de Welbeminde van onze ziel? Het staat goed of slecht met ons, al naar onze denkbeelden juist of verkeerd zijn betreffende Jezus Christus. Dit is alzo de vraag, laat ons nu acht geven op Petrus' antwoord op deze vraag, vers 16. Op de vorige vraag betreffende de mening, die anderen van Christus hadden, hebben verscheidenen van de discipelen geantwoord, naar zij er door het volk over hadden horen spreken, maar op deze antwoordt Petrus uit naam van al de overigen, daar zij er allen in toestemden en er mede instemden. Het karakter van Petrus leidde hem er toe om bij al zulke gelegenheden de eerste te zijn in het spreken, en soms sprak hij goed, maar soms ook niet. In elk gezelschap van mensen worden er sommigen aangetroffen van een vrijmoedig karakter en warm hart, aan wie dan den voorrang in het spreken gegeven wordt. Zodanig iemand was Petrus, toch zien wij soms ook anderen van de apostelen, die als woordvoerders van de anderen optreden, zoals Johannes, Markus 9:38, Thomas, Filippus, en Judas, Johannes 14:5, 8, 22. Zodat het er verre vandaan is, dat dit een bewijs zou zijn van zulk ene meerderheid van Petrus over de overige apostelen, als de Roomse kerk hem toeschrijft. Zij willen hem bevorderen tot een rechter, terwijl het uiterste wat zij van hem maken kunnen, is, dat hij slechts als de woordvoerder der jury optreedt, om voor de anderen het woord te doen, en dat nog slechts pro hâc vice -voor ditmaal, niet de permanente voorzitter, slechts de voorzitter bij deze gelegenheld. Het antwoord van Petrus is kort, maar volledig, waar en ter zake: Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods. Hier is ene belijdenis van het Christelijk geloof, gericht tot Christus, en aldus tot ene daad van Godsdienstig eerbewijs geworden. Hier is ene belijdenis van den waren God als den levenden God, in tegenstelling met de stomme en dode afgoden, en van Jezus Christus, dien Hij gezonden heeft, en wie te kennen, het eeuwige leven is. Dit is de slotsom van geheel de zaak. Het volk noemde Hem een profeet, de Profeet, Johannes 6:14, maar de discipelen erkennen Hem als den Christus, den Gezalfde, den groten Profeet, Priester en Koning der kerk, den waren Messias, beloofd aan de vaderen, op wie zij steunden en betrouwden als Hij, die komen zou. Het was groot dit te geloven van iemand, wiens uiterlijk voorkomen zo tegenstrijdig was met het algemene denkbeeld, dat de Joden van den Messias koesterden. Hij noemde zich zelven den Zoon des mensen maar zij erkenden Hem te zijn de Zoon des levenden Gods. Het denkbeeld des volks Hem betreffende was, dat Hij de geest was van een' dode, Elia, of Jeremia, maar zij weten en geloven Hem te zijn de Zoon des levenden Gods, die het leven heeft in zich zelven, en Zijn Zoon gegeven heeft het leven in zich zelven te hebben, en het Leven der wereld te zijn. Indien Hij de Zoon des levenden Gods is, dan is Hij met Hem van dezelfde natuur, en hoewel Zijne Goddelijke natuur thans omfloerst was door de wolk van het vlees, waren er toch sommigen, die door dien sluier heen zagen en Zijne heerlijkheid aanschouwden, ene heerlijkheid als des Eengeborenen van den Vader, vol van genade en waarheid. Kunnen wij nu met verzekerdheid des geloofs deze belijdenis onderschrijven? Laat ons dan in vurigheid van liefde en aanbidding tot Christus gaan en tot Hem zeggen: Heere Jezus, Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods. Christus' goedkeuring van dit antwoord, vers 17-19, waarin aan Petrus geantwoord werd als gelovige en als apostel. Als gelovige, vers 17. Christus toont zich voldaan met Petrus' belijdenis, zij behaagde Hem omdat zij zo helder en beslist was, zonder indiens of maars, gelijk wij zeggen. De bedrevenheid van Christus' discipelen in kennis en genade is Hem zeer welbehaaglijk, en Christus toont hem van waar hij de kennis dezer waarheid verkregen heeft. Bij de eerste ontdekking van deze waarheid bij het aanbreken van den Evangeliedag was het iets groots om haar te geloven, alle mensen hadden deze kennis niet, hadden dit geloof niet. Maar, Ten eerste, Petrus had dit geluk. Zalig zijt gij, Simon, Bar-Jona! Hij herinnert hem aan zijne afkomst en verheffing, de geringheid van zijn geslacht en afkomst: hij was Bar-Jona De zoon ener duive, naar sommiger lezing. Laat hij gedenken den rotssteen, waaruit hij gehouwen was, opdat hij inzie, dat hij tot deze waardigheid niet was geboren, maar door de gunst Gods er toe verkoren is geworden, het was vrije genade, waardoor hij van anderen verschilde. Zij, die den Geest ontvangen hebben, moeten gedenken wie hun Vader is, 1 Samuël 10:12. Na hem hieraan herinnerd te hebben, laat Hij hem zijne gelukzaligheid beseffen als gelovige: Zalig zijt gij. Ware gelovigen zijn in waarheid zalig, en diegenen zijn wel waarlijk gelukzalig, van wie Christus verklaart, dat zij dit zijn. Zijn zeggen dat zij dit zijn, maakt hen zalig. Petrus, gij zijt een gelukkig mens, gij, die aldus het geklank kent, Psalm 89:16.
Zalig zijn uwe ogen, Hoofdstuk 13:16. De rechte kennis van Christus gaat met zaligheid gepaard.
Ten tweede, Daarvan moet God de eer ontvangen, Want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard. "Gij wist dit noch door uw eigen vernuft en verstand, noch door het onderwijs of de mededeling van anderen, dit licht ontstond noch uit de natuur, noch door onderwijs en opvoeding, maar het kwam u van Mijn Vader, die in de hemelen is." De Christelijke Godsdienst is een geopenbaarde Godsdienst, hij ontstond in den hemel. Het is een Godsdienst van Boven gegeven door ene ingeving Gods, niet door de geleerdheid van filosofen, noch door de politiek van staatsmannen. Zaligmakend geloof is de gave Gods, en waar het ook bestaat, is het gewrocht door Hem, als den Vader van onzen Heere Jezus Christus, om Zijnentwil en uit hoofde van Zijn Middelaarschap, Filippenzen 1:29. Gij zijt zalig, omdat Mijn Vader u dit heeft geopenbaard. De openbaring van Christus aan ons en in ons is een onderscheidend teken van Gods liefde jegens ons en een vaste grond van ware gelukzaligheid, en zalig zij, die aldus hogelijk bevoorrecht zijn. Christus heeft wellicht iets van hoogmoed en verwaandheid ontdekt in de belijdenis van Petrus, ene listige zonde, die maar al te gemakkelijk zich ook met onze plichten vermengt. Het is voor vrome mensen moeilijk, om zich met anderen te vergelijken, zonder daarbij een hogen dunk van zich zelven te krijgen. Om dit te voorkomen, moeten wij bedenken, dat onze meerderheid boven anderen niet door ons zelven gewrocht werd, maar dat het een gevolg is van de vrije gave van Gods genade in ons, zodat wij niets hebben om op te roemen, Psalm 115:1, 1 Corinthiërs 4:7. Christus antwoordt hem als apostel of Evangeliedienaar, vers 18, 19. Petrus had in naam der kerk, Christus beleden, en tot hem wordt dus de belofte, bestemd voor de kerk, gericht. Men verliest er niets bij, door volvaardig Christus te belijden, want zij, die Hem aldus eren, zullen door Hem geëerd worden. Bij gelegenheid van deze grote belijdenis van Christus, die de hulde en trouwbelofte is der kerk, tekende Hij deze koninklijke en Goddelijke oorkonde, waardoor zij, de kerk, Hem wordt ingelijfd. Zodanig is de gemeenschap tussen Christus en de kerk, den Bruidegom en de bruid. Van den beginne af heeft God ene kerk in de wereld gehad, en zij was gebouwd op de rots van het Beloofde Zaad, Genesis 3:15. Maar dit beloofde Zaad nu gekomen zijnde, was het nodig, dat de kerk een nieuw charter, of grondwet, zou ontvangen, als Christelijke kerk, en in betrekking staande tot een Christus, die reeds gekomen is. Nu hebben wij die grondwet, en zeer te betreuren is het, dat dit woord, dat de grote steunpilaar is van Christus' koninkrijk, verwrongen is en tot den dienst van den antichrist wordt misbruikt. Maar de duivel heeft zijne listigheid aangewend om het te verkeren, gelijk hij ook met de belofte van Psalm 91:11 gedaan heeft, en wel om er zijne doeleinden mede te bereiken, Hoofdstuk 4:6, en wellicht heeft hij deze, zowel als die Schriftuurplaats, verdraaid en verdorven, omdat zij hem in den weg waren. Het doel nu van dit charter is: Ten eerste. Het wezen der kerk vast te stellen, En Ik zeg u ook. Het is Christus, die de schenking doet, Hij, die het Hoofd en de Bestuurder is der kerk, aan wie alle oordeel is overgegeven, en aan wie alle macht is ontleend, Hij, die haar in overeenstemming brengt met het gezag, ontvangen van den Vader, en met Zijn arbeid voor de zaligheid en het heil der uitverkorenen. Die schenking wordt Petrus in handen gegeven: Ik zeg u. De Oud Testamentische beloften betreffende de kerk zijn onmiddellijk aan bijzondere personen gegeven, die uitblonken door geloof en heiligheid, zoals aan Abraham en David, hetgeen hun echter gene suprematie verleende, en nog veel minder aan een hunner opvolgers, en zo is het charter des Nieuwen Testaments hier aan Petrus gegeven als agent, maar ten behoeve en gebruike van de kerk in alle eeuwen, overeenkomstig de doeleinden, daarin vervat en in bijzonderheden aangewezen. Hier nu wordt beloofd:
1. Dat Christus Zijne kerk zal bouwen op ene rots. Dit staatslichaam is gevormd onder den titel en benaming van kerk van Christus. Het bestaat uit een aantal mensenkinderen, geroepen uit de wereld en van haar afgezonderd, en gewijd aan Christus. Het is niet uwe, maar Mijne kerk. Petrus gedacht hieraan, toen hij de leraren waarschuwde, om gene heerschappij te voeren over het erfdeel des Heeren. De kerk is Christus' bijzonder eigendom. De wereld is Godes, en die daarin wonen, maar de kerk is een verkoren overblijfsel, die in betrekking staat tot God door Christus als Middelaar. Zij draagt Zijn beeld en opschrift. De Bouwheer en Maker van de kerk is Christus zelf: Ik zal bouwen. De kerk is een tempel, waarvan Christus de Bouwmeester is, Zacheria 6:11-13. Hierin was Salomo een type van Christus, evenals ook Cyrus, Jesaja 44:28. De materialen en de bewerking zijn Zijne. Door de werking Zijns Geestes in de prediking Zijns woords doet Hij zielen toe tot Zijne kerk, en zo bouwt hij haar op met levende stenen, 1 Petrus 2:5. Gods gebouw zijt gij, en bouwen is een werk in voortgang. In deze wereld is de kerk slechts in fierie -in formatie, zoals een huis, dat gebouwd wordt. Het is voor allen, die het goede wensen voor de kerk ene vertroosting, dat Christus, die Goddelijke wijsheid en macht heeft, ondernomen heeft haar te bouwen. Het fondament, waarop zij gebouwd is, is deze rots. Laat de bouwmeester nog zo goed zijn werk doen, indien het fondament rot is, zal het gebouw geen stand houden. Laat ons dus wèl acht geven en zien wat het fondament is, en dit moet bedoeld zijn van Christus, want niemand kan een ander fondament leggen, Jesaja 28:16. De kerk is gebouwd op ene rots, een vast, sterk en duurzaam fondament, dat door den tijd niet verwoest zal worden, en ook onder het gewicht van het gebouw niet weg zal zinken. Christus zou Zijn huis niet op zand bouwen, want Hij wist, dat er stormen zullen ontstaan. Ene rots is hoog. Psalm 61:3. Christus' kerk staat niet op gelijken bodem met deze wereld. Ene rots is groot, en strekt zich ver uit, evenzo ook het fondament der kerk, en hoe groter hoe vaster. Het zijn niet de vrienden der kerk, die haren grondslag willen verkleinen of vernauwen. Zij is gebouwd op deze rots, gij zijt Petrus, hetgeen betekent een steen, of rots. Christus heeft hem dien naam gegeven, toen Hij hem voor het eerst riep, Johannes 1:43, en hier bevestigt hij hem. "Petrus, gij beantwoordt aan uwen naam, en gij zijt een degelijk discipel, standvastig, en op wie men zich verlaten kan. Petrus is uw naam, en kracht en duurzaamheid zijn in u. Gij wordt niet bewogen met de golven van der mensen afwisselende denkwijze omtrent Mij, gij zijt bevestigd en versterkt in de tegenwoordige waarheid", 2 Petrus 1:2. Van de vermelding van dezen betekenisvollen naam is de aanleiding genomen tot deze beeldspraak van het bouwen op ene rots. Ten eerste. Sommigen verstaan onder deze rots Petrus zelf als apostel, de voornaamste, hoewel niet de prins der twaalven, de oudste onder hen, maar niet overste over hen. De kerk is gebouwd op het fondament van de apostelen, Efeze 2:20. De eerste stenen van dit gebouw werden gelegd in en door hun bediening, vandaar dat er gezegd is, dat hun namen geschreven zijn in de fondamenten van het nieuwe Jeruzalem, Openbaring 21:14. Daar nu Petrus de apostel is, door wiens hand de eerste stenen der kerk gelegd zijn in bekeerlingen uit de Joden en uit de Heidenen, Handelingen 2 en 10, kan hij in zekeren zin gezegd worden de rots te zijn, waarop zij gebouwd was. Cefas was iemand, die een pilaar geacht was, Galaten 2:9. Maar het klinkt vreemd om iemand, die den eersten steen legt van een gebouw, dat slechts ene voorbijgaande handeling is, het fondament te noemen, waarop het gebouwd is, dat iets blijvends is. Doch al ware dit zo, dan zou dit toch niet kunnen dienen om de aanspraken te ondersteunen van den bisschop van Rome, want Petrus bezat die hoogste waardigheid niet, welke hij voor zich opeist, en nog veel minder kon die dus overgaan op zijne opvolgers, en het minst van allen op de bisschoppen van Rome, die zo ver van de waarheid des Christendoms zijn afgeweken.
Ten tweede. Onder deze rots verstaan anderen Christus, Gij zijt Petrus, gij hebt den naam van een steen, maar op deze rots, wijzende op zich zelven, zal Ik Mijne kerk bouwen. Wellicht leide Hij Zijne hand op Zijne borst, als toen Hij zei: Breekt dezen tempel, toen Hij sprak van den tempel Zijns lichaams. Toen heeft Hij naar aanleiding van den tempel, waarin Hij zich bevond, aldus van zich zelven gesproken, en daardoor aan sommigen aanleiding gegeven om Hem hierin verkeerd te verstaan, en zo heeft Hij hier naar aanleiding van den naam Petrus van zich zelven gesproken als van de Rots, en hierdoor aanleiding gegeven aan sommigen om te denken, dat Hij van Petrus sprak. Maar dit moet opgehelderd worden door de vele schriftuurplaatsen, waarin van Christus gesproken wordt als het enige Fondament der kerk, zie 1 Corinthiërs 3:11, 2 Petrus 2:6. Christus is zowel de Stichter als het Fondament der kerk, Hij trekt de zielen, en trekt ze tot zich, met Hem zijn ze verenigd, op Hem steunen zij, van Hem zijn zij steeds afhankelijk.
Ten derde. Anderen verstaan onder deze rots de belijdenis, die Petrus aflegde van Christus, en dit komt op hetzelfde neer met het te verstaan van Christus zelf. Het was ene goede belijdenis, die Petrus betuigd heeft: Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods, de overigen daarmee instemmende. Welnu, zegt Christus, dit is de grote waarheid, waarop Ik Mijne kerk zal bouwen.
1. Neem deze waarheid weg, en de algemene kerk valt ter aarde. Indien Christus niet de Zoon van God is, dan is het Christendom bedrog, en de kerk ene hersenschim, onze prediking is ijdel, en ijdel is ook uw geloof, en zo zijt gij nog in uwe zonden. 1 Corinthiërs 15:14-17. Indien Jezus niet is de Christus, dan zijn zij, die Hem erkennen, niet van de kerk, maar bedriegers en bedrogenen.
2. Neem het geloof aan, en de belijdenis van, deze waarheid weg van ene bijzondere kerk, en zij houdt op deel uit te maken van de kerk van Christus, en vervalt tot den staat en de hoedanigheid van ongeloof. Dit is articulus stantis et cadentis ecclesiæ -het artikel, waarmee de kerk staat of valt, de grote scharnier, waarop de deur der behoudenis draait. Zij, die dit laten glippen, houden zich niet aan het fondament, en hoewel zij zich Christenen noemen, weerspreken zij zich zelven, want de kerk is een heilig gezelschap, steunende op de zekerheid en gewisheid dezer grote waarheid, en "Groot is deze waarheid, en zij heeft overmocht,"
3. Christus belooft hier Zijne kerk, als zij gebouwd is, te bewaren en in stand te houden: De poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen, noch tegen deze waarheid, noch tegen de kerk, die er op gefundeerd is, zullen zij iets vermogen. Hiermede wordt te kennen gegeven, dat de kerk vijanden heeft, die tegen haar strijden, en haar zoeken te verderven. Die vijanden worden hier voorgesteld door de poorten der hel, dat is: de stad der hel (welke lijnrecht staat tegenover deze hemelse stad, deze stad des levenden Gods). De poorten der hel zijn de machten van het rijk des duivels, het hoofd en de hoornen van den draak, waarmee hij krijg voert tegen het Lam, alles wat uit de poorten der hel komt en aldaar verzonnen, uitgedacht en voortgebracht is. Dezen strijden tegen de kerk door de waarheden des Evangelies tegen te staan, de instellingen des Evangelies te verderven en te verkeren, vrome leraren en goede Christenen te vervolgen, hen door list of geweld te trekken of te drijven naar hetgeen onbestaanbaar is met de zuiverheid van den Godsdienst. Dit is het doel en oogmerk van de poorten der hel: den naam van Christendom uit te delgen, Psalm 83:5, den mannelijken zoon te verslinden, en deze stad met den grond gelijk te maken. Dit verzekert ons, dat de vijanden der kerk hun doel niet zullen bereiken. Zo lang de wereld zal bestaan, zal Christus er ene kerk in hebben, waarin Zijne waarheden en instellingen zullen beleden en gehandhaafd worden, in weerwil van allen tegenstand van de machten der duisternis, zij zullen tegen haar niet overmogen Psalm 129:1, 2. Dit is geen waarborg voor ene bijzondere kerk, of voor kerkregeerders dat zij nooit zullen dwalen of afvallig worden, en dus niet te gronde zullen gaan, maar wèl dat de Christelijke Godsdienst altijd ergens een bestaan zal hebben, hoewel niet altijd in dezelfde mate van zuiverheid en luister, maar toch altijd zo, dat zij niet geheel afgesneden of vernietigd zal worden. De vrouw leeft, al is het dan ook in de woestijn, Openbaring 12:14, neergeworpen, doch niet verdorven, 2 Corinthiërs 4:9, als stervende, en ziet, wij leven, 2 Corinthiërs 6:9. In sommige bijzondere ontmoetingen met den vijand kan de kerk wel eens verslagen worden, maar in den groten, beslissenden veldslag zal zij meer dan overwinnaar blijken te zijn. Bijzondere, individuele gelovigen worden in de kracht Gods bewaard door het geloof tot de zaligheid, 1 Petrus 1:3.
Ten tweede. Het andere deel van dit charter dient om de orde en de regering der kerk vast te stellen, vers 19. Als ene stad of ene maatschappij in wording treedt, worden er ambtenaren aangesteld, aan wie macht wordt gegeven, om ten algemene nutte werkzaam te zijn. Ene stad zonder bestuur is een chaos. Nu is de instelling der kerkregering hier uitgedrukt door het overgeven der sleutelen, en daarmee de macht, om te binden en te ontbinden. Dit moet niet verstaan worden van enigerlei bijzondere macht, waarmee Petrus werd bekleed, alsof hij de enige deurwachter was van het koninkrijk der hemelen, en dien sleutel David's had, die den Zone David's alleen toebehoort, neen, al de apostelen en al hun opvolgers, die als Evangeliedienaren de kerk van Christus leiden en besturen naar de regelen van het Evangelie, zijn hiermede bekleed. "Wij allen, die priesters zijn, hebben in den persoon van den gelukzaligen apostel Petrus, de sleutelen van het koninkrijk der hemelen ontvangen", zegt Ambrosius . Slechts werden de sleutelen het eerst aan Petrus in handen gegeven, omdat hij de eerste was, die de deur des geloofs voor de Heidenen heeft geopend, Handelingen 10:28. Gelijk de koning, door aan ene corporatie een charter te geven, de magistraten machtigt om de gerechtshoven te houden in zijn naam, gebeurde zaken te onderzoeken om er overeenkomstig de wet in te beslissen, en hetgeen aldus regelmatig gedaan wordt, bevestigt, zo heeft Christus, Zijne kerk hebbende gevestigd, het leraarsambt ingesteld tot bewaring der orde en van een geregeld bestuur, en om toe te zien, dat Zijne wetten behoorlijk worden opgevolgd, Ik zal u geven de sleutelen. Hij zegt niet: Ik heb ze gegeven, of Ik geef ze thans, maar Ik zal het doen, bedoelende na Zijne opstanding. Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij deze gaven gegeven, Efeze 4:8, toen is die macht werkelijk verleend, niet slechts aan Petrus, maar aan al de overigen, Hoofdstuk 28:19, 20, Johannes 20:21. Hij zegt niet: De sleutelen zullen gegeven worden, maar: Ik zal ze geven, want de leraren ontlenen hun gezag aan Christus, en al hun macht moet gebruikt worden in Zijn naam, 1 Corinthiërs 5:4.
1. De macht nu, die hier verleend wordt, is ene geestelijke macht, ene macht, die het koninkrijk der hemelen aangaat, dat is, de kerk, dat gedeelte er van, dat hier op aarde strijdt, de Evangeliebedeling, daarmee is het, dat de apostolische macht, en de macht der Evangeliedienaren van doen heeft. Het is gene burgerlijke, of wereldlijke macht, die hiermede verleend wordt, Christus' koninkrijk is niet van deze wereld, hun instructies, die zij daarna ontvingen, betroffen dingen, die het koninkrijk Gods aangaan. Handelingen 1:3.
2. Het is de macht der sleutelen, die gegeven is, ene toespeling op de gewoonte, om mensen in zulk of zulk ene plaats met gezag te bekleden, door hun de sleutelen dier plaats te geven. Of gelijk de heer des huizes de sleutels geeft aan den hofmeester, de sleutels van de bergplaatsen der provisies, opdat hij aan iedereen in het huis ter rechter tijd het bescheiden deel spijze zal geven, Lukas 12:42, en, overeenkomstig de regelen van het gezin, het te weigeren, als daartoe de gelegenheid zich voordoet. Leraren zijn dienaars en huisverzorgers, 1 Corinthiërs 4:1, Titus 1:7. Eljakim, die den sleutel had van het huis van David, was aangesteld over het huis, Jesaja 22:20-22.
3. Het is ene macht om te binden en te ontbinden, dat is (de beeldspraak der sleutelen volhoudende) te sluiten en te openen. Jozef, die heer was over Farao's huis, en uitdeler van den voorraad, had macht om zijne vorsten te binden naar zijn lust en zijne oudsten te onderwijzen, Psalm 105:21, 22. Als de voorraden en schatten van het huis voor iemand gesloten zijn, dan is hij gebonden. Ik verbied u het gebruik van vuur en water, en als zij hem weer geopend zijn, dan is hij van dien band ontbonden, dan is de censuur opgeheven, en hij is weer in vrijheid gesteld.
4. Christus heeft beloofd de rechte bedeling van die macht te zullen erkennen, Hij zal de uitspraak Zijner huisbezorgers door Zijne eigene goedkeuring bekrachtigen: Zo wat gij zult binden op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn, en zo wat gij ontbinden zult op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn. Niet alsof Christus zich hiermede verbonden heeft, om elke censuur der kerk, of zij terecht of ten onrechte is uitgesproken, te bekrachtigen, maar de zodanige, die overeenkomstig het woord is-als de sleutel goed is omgedraaid -is verzegeld in den hemel, dat is: het woord des Evangelies in den mond van een getrouw leraar moet beschouwd worden, niet als het woord eens mensen, maar als het woord Gods, en als zodanig moet het worden aangenomen, 1 Thessalonicenzen 2:13, Johannes 13:20. De sleutelen nu van het koninkrijk der hemelen zijn: De sleutel der leer, genaamd de sleutel der kennis. " Uwe taak en werk zal wezen aan de wereld den wil van God te verklaren, zowel ten opzichte der waarheid als der plichtsbetrachting, en daartoe zult gij uwe opdracht, uwe geloofsbrieven en volledige instructies hebben, om te binden en te ontbinden." In de gewone spreekwijze der Joden van dien tijd betekende dit te ontzeggen of te vergunnen, iets onwettig of ongeoorloofd te verklaren was te binden, iets als wettig of geoorloofd te verklaren was te ontbinden. Nu hadden de apostelen ene buitengewone macht van dien aard, sommige dingen, door de wet van Mozes verboden, moesten thans toegestaan worden, zoals het eten van deze of gene spijze, sommige dingen, die dáár toegelaten waren, moesten nu worden verboden, zoals de echtscheiding, en de apostelen werden gemachtigd dit aan de wereld te verkondigen, en de mensen konden dit op hun woord geloven. Toen aan Petrus zelf eerst geleerd werd, en hij daarna aan anderen leerde, om niets gemeen of onrein te heten, werd deze macht uitgeoefend. Tevens is hiermede aan alle evangeliedienaren de gewone macht verleend om het Evangelie te prediken als daartoe aangewezen ambtsdragers, om den volke in den naam van God en overeenkomstig de Schrift bekend te maken wat goed is, en wat de Heere van hen eist. En zij, die al den raad Gods verkondigen, gebruiken deze sleutelen op de rechte wijze. Handelingen 20:27. Sommigen zien in het geven der sleutelen ene toespeling op de gewoonte de Joden bij het bevorderen van iemand tot doctor der wet, welke bestond in hem de sleutels ter hand te stellen van de kast, waarin het boek der wet bewaard werd, waarmee te kennen werd gegeven, dat hij gemachtigd was het te nemen en te lezen, en het binden en ontbinden zou dan heen wijzen naar de manier van het openen en sluiten der boeken. Die boeken waren rollen, men sloot ze door ze te binden met ene koorde, die zij dan los moesten maken, om het boek te kunnen openen. Christus geeft Zijnen apostelen macht om het boek des Evangelies voor het volk te openen of te sluiten, al naar de omstandigheden dit vereisen. Zie over de uitoefening van deze macht, Handelingen 13:46, 18:6. Als de leraren in den naam van Christus vergeving en vrede prediken aan de boetvaardigen, toorn en vloek verkondigen aan de onboetvaardigen, dan handelen zij volgens dit hun gezag van binden en ontbinden. De sleutel der tucht, hetgeen slechts de toepassing is van het vorige met betrekking tot bijzondere personen naar ene juiste schatting van hun karakter en hun handelingen. Het is gene wetgevende macht, die hiermede verleend wordt, maar ene rechtsmacht. De rechter maakt de wet niet, hij verklaart slechts wat wet is, en na een onpartijdig onderzoek van de zaak, spreekt hij dienovereenkomstig het vonnis uit. Dat is de macht der sleutelen, waar zij gegeven is met betrekking tot het lidmaatschap der kerk en de voorrechten, die daaraan zijn verbonden. Christus' dienstknechten hebben macht om tot de kerk toe te laten: Gaat henen, onderwijst al de volken, hen dopende, hen die geloof in Christus belijden en Hem willen gehoorzamen, zult gij, door den doop, als leden der kerk toelaten, hen en hun zaad. De dienaren moeten tot de bruiloft toelaten hen, die genood zijn, en diegenen weren, die blijkbaar ongeschikt zijn voor zo heilig ene gemeenschapsoefening. Zij hebben macht om hen uit te werpen en af te snijden, die hun lidmaatschap der kerk verbeurd hebben, dat is binden, aan ongelovigen de toepassing der Evangeliebeloften en de zegelen daarvan te ontzeggen, en aan de zodanige, die in een gans bittere gal en samenknoping der ongerechtigheid blijken te zijn, te verklaren, dat zij geen deel of lot in dit woord hebben, gelijk Petrus dit aan Simon den Tovenaar verklaard heeft, al was hij ook gedoopt, dat is hen over te laten aan het oordeel Gods. Zij hebben macht tot wederherstelling en weer toelating van hen, die uitgeworpen waren, maar berouw hebben getoond, te ontbinden, die zij hadden gebonden, hun verklarende, dat, zo hun berouw oprecht is, hun de belofte der vergeving toekomt. De apostelen hadden ene wonderbare gave van de geesten te onderscheiden, maar zelfs zij handelen naar den regel van het uitwendig gedrag, Handelingen 8:21, 1 Corinthiërs 5:1, 2 Corinthiërs 2:7, 1 Timotheus 1:20, waarnaar ook heden de leraren kunnen oordelen, indien zij bekwaam en getrouw zijn.
Eindelijk. Hier is het bevel van Christus aan Zijne discipelen, om dit vooralsnog geheim te houden, vers 20. Toen verbood Hij Zijn discipelen, dat zij iemand zeggen zouden, dat Hij was Jezus, de Christus. Wat zij voor Hem hadden beleden, moeten zij nog niet wereldkundig maken, en dat wel om verscheidene redenen, 1. Omdat dit de tijd was der toebereiding voor Zijn koninkrijk. De grote zaak, die thans gepredikt werd, was, dat het koninkrijk der hemelen nabíj was gekomen, en daarom moest aangedrongen worden op hetgeen geschikt was, om voor Christus den weg te bereiden, zoals de leer der bekering, niet in grote waarheid, waarin en waardoor het koninkrijk der hemelen werkelijk gevestigd moest worden. Alles is schoon op zijn tijd, en bereid uw werk en bouw daarna uw huis, Prediker 24:27, is een goede raad.
2. Christus wilde, dat Zijn Messiasschap zou blijken uit Zijne werken, en wilde liever dat dezen van Hem zouden getuigen, dan dat Zijne discipelen het deden, omdat hun getuigenis slechts was als Zijn eigen getuigenis, en daarop stond Hij niet, Johannes 5:31, 34. Hij was zo zeker van het getuigenis en bewijs Zijner wonderen, dat Hij van anderer getuigenis afzag, Johannes 10:25, 38.
3. Indien zij geweten hadden, dat Hij was Jezus, de Christus, dan zouden zij den Heere der heerlijkheid niet gekruist hebben, 1 Corinthiërs 2:8.
4. Christus wilde, dat Zijne apostelen dit niet zouden prediken, voordat zij op het meest afdoend getuigenis konden wijzen ter bevestiging hiervan. Grote waarheden kunnen geschaad worden, als men ze verklaart of bekend maakt, voordat zij voldoende bewezen kunnen worden. Nu was het grote bewijs, dat Jezus de Christus is, gelegen in Zijne opstanding: daarmee is Hij krachtelijk bewezen te zijn de Zoon van God, en daarom heeft de Goddelijke wijsheid niet gewild, dat deze waarheid gepredikt zou worden, voordat dit ter staving er van kon worden aangevoerd.
5. Het was nodig dat de predikers van zo groot ene waarheid begiftigd zouden zijn met ene grotere mate des Geestes, dan de apostelen op dit ogenblik nog hadden, daarom moesten zij wachten met haar in het openbaar te verzekeren, totdat de Geest over hen zou uitgestort zijn. Maar toen Christus verheerlijkt, en de Geest was uitgestort, zien wij hoe Petrus van de daken verkondigde, wat hier in een hoek was geschied, Handelingen 2:36, dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, want, gelijk er een tijd is om te zwijgen, zo is er ook een tijd om te spreken.