4. Simon Kananites 11) en Judas Iskariot, 12) die Hem ook verraden heeft.
11) Simon droeg in het Hebreeuws de bijnaam "Kaneani", wat in Lukas 6:15 Handelingen 1:13 voor Griekse lezers terecht met "Zelotes" d. i. "ijveraar" wordt vertaald, maar vroegtijdig door afschrijvers op deze plaats en Markus 3:18 waar het Hebreeuws werd behouden, in zoverre werd misverstaan, als zou daardoor de geboorteplaats worden aangewezen, waarom men voor "Kaneani" nu eens Kananites, dan Kananaias (de Kananiet of de Kananeeër) schreef. Luther heeft het door "van Kana" vertaald, alsof Simon een landgenoot van Nathanaël (Johannes 21:2) of Bartholomeüs (No. 6) zou geweest zijn. Hij behoorde echter tot de orde van de zogenaamde Zeloten of ijveraars voor de wet, die naar het voorbeeld van Pinchas (Numeri 25:7vv. ) de overtredingen van de wet wilden wreken en later in de laatste Joodse oorlog een zo grote rol speelden. Reeds werd aangewezen 5:1) dat wij hem evenals de beide vorige Apostelen voor een van de broeders van de Heere (hoofdstuk . 13:55 Markus 6:3) houden. Zo kan het best verklaard worden, hoewel van de Apostelen onder No. 1-8 de geschiedenis van hun vroegere roeping tot navolging van Jezus, voordat zij in de kring van de twaalven werden opgenomen, bericht wordt; maar van die onder Nr. 9-11 in het geheel niets wordt gezegd, hoe zij voor het eerst met de Heere in nadere aanraking zijn gekomen. Zij stonden reeds door de geboorte als zijn broeders (zie bij hoofdstuk . 2:23) tot Hem in nauwe betrekking; zij waren als het ware Hem aangewezen; Hij kon ze bij hun vatbaarheid voor het geloof in Hem,
dat uit Johannes 20:17 en Handelingen 1:14 duidelijk blijkt en bij hun opvoeding door een vrome vatbare moeder (hoofdstuk . 27:56), niet voorbijgaan. Wanneer zij echter ook nog in andere opzichten voor ongelovig moesten worden gehouden (Johannes 7:2vv. ), zo moest Hij bij hun opneming in de kring van de Apostelen, dit evenals een zekere mate van ongeloof in alle twaalf laten welgevallen. Hoe weinig de bloedverwantschap van die drie hun een voorrang boven anderen gaf, blijkt eens daaruit, dat deze broeders van de Heere in alle vier de Apostellijsten niet in de eerste, zelfs niet in de tweede, maar eerst in de derde klasse geplaatst worden, wat zonder twijfel aan een door Jezus zelf gestelde orde doet denken; aan de andere zijde ook daaruit, dat de vierde plaats in deze derde klasse niet met de vierde broeder Joses, maar met een vreemde (Nr. 12) bezet is geworden. Is deze onze mening, die wij hier ontwikkelden, de ware, zo mogen wij verder besluiten, dat het boven aangeduide misverstand ten opzichte van de bijnaam Simon niet slechts een misverstand is, maar dat daaraan waarheid ten gronde ligt. Misschien is het alzo, dat Alfeüs, de broeder van Jozef, met zijn vrouw Maria, zo lang hij nog leefde, te Kana in Galilea woonde en omdat de vier zonen en de ongenoemde dochters verwekte. Daaruit zou duidelijk worden, hoe nu weer Maria, de moeder van de Heere, met deze zoon te Kana in Galilea een bevriend huis had, nog voordat Jezus Zijn heerlijkheid had geopenbaard (Johannes 2:1vv. ), en waarom in Johannes 21:2 Nathanaël niet naar zijn tweede naam, maar naar zijn afkomst wordt aangewezen, waarom wij ons ook de vertaling "Kananites" kunnen laten welgevallen. Het kerkelijk verhaal omtrent de latere lotgevallen van Simon en zijn werkkring geeft zeer van elkaar afwijkende berichten; niet ten onrechte is zijn gedenkdag met die van Judas (Nr. 10) op een en dezelfde datum gesteld.
Evenmin als wij met Dächsels mening, dat de "broeders van de Heere" zijn neven geweest zouden zijn, konden instemmen. evenmin geloven wij, dat Simon Kananites en Simon de broeder van de Heere dezelfde personen zijn geweest zijn. Wij stemmen liever Winer en velen anderen toe, dat deze onderscheiden personen waren.
12) Judas Iskarioth. Wij kunnen noch die verklaring onderschrijven, die deze bijnaam "man van Issaschar", noch die, welke hem "man van de leugen" vertaalt. Judas is door die bijnaam als "de man van Karioth", een stadje in Juda aangewezen. Op de vraag, hoe Jezus ertoe kwam, om ook deze man onder de twaalven op te nemen, omdat Hij toch zeker tevoren wist, dat deze Hem tot verrader zou worden, kan eerst worden beantwoord, wanneer het ons duidelijk is geworpen, hoe Jezus aan de man kwam. Volgens onze verklaringen bij Nr. 11 zou de Heere gemakkelijk de twaalfde plaats van de kring van Zijn discipelen met Zijn andere broeder Joses hebben kunnen aanvullen. Omdat Joses zonder twijfel later ook tot de Christelijke gemeente behoorde, zoals uit zijn vermelding in hoofdstuk . 27:56 Markus 15:40, 47 en uit Handelingen 1:14 blijkt, zo zou Hij, wanneer Hij dat had gedaan, later niet over de verlorene (Johannes 17:12) hebben hoeven te klagen - maar, hoe zou dan de Schrift vervuld zijn? Het moest zo gaan; en juist daarom, zo zouden wij beweren, omdat de twaalfde plaats die van de verrader was, heeft de Heere van Zijn vierde broeder Joses afstand gedaan. De zaak is echter nog anders voor te stellen. Met het huis van de twaalven wil Jezus het huis Jakobus en Zijn twaalf stammen voorstellen, wil Hij tevens de gehele toekomst van Zijn Kerk in alle mogelijke individualiteiten en eigenaardigheden van de Geest afbeelden; elke bijzondere aanleg en ontwikkeling, elk bijzonder karakter moot daarin een plaats hebben. Houden wij dit vast, zo moeten wij verder beweren, dat voor de twaalfde plaats Joses niet de geschikte man was, deels omdat hij eveneens een Galileeër was, aan de andere zijde omdat zijn aanleg en de eigenaardigheid van zijn karakter reeds genoegzaam in een van de overige Apostelen vertegenwoordigd was. Voor deze plaats behoorde weer iemand, die naar zijn oorspronkelijke afkomst een Judeeër was, opdat ook Juda in het huis van Jezus Zijn vertegenwoordiger zou hebben, en wel een, in wie het denkvermogen op uitstekende wijze was gevormd en ontwikkeld, opdat ook deze eigenaardigheid van geest in de Kerk, het voorbeeld van de toekomstige, een plaats zou vinden. Door de leiding van God, Zijn hemelse Vader, zag nu de Heere Judas (wij weten niet van waar en weten niet op welke weg) tot Zich geleid. Hij erkende des te duidelijker, dat juist deze Zijn verrader zou worden, omdat aan de ene zijde het voorbeeld van de verrader, Achitofel op Judea wees, en de naam van Judas maar al te zeer aan het woord van Juda in Genesis 37:27 herinnerde, en de aard van de ongelovige Joden, die tot op de huidige dag in het geld woelen, betekende, en omdat aan de andere zijde de eigenaardigheid van Judas en de gemoedsrichting van Judas de aanleg bezat, om een kind van de duivel te worden. Evenzo staan uitstekende geesten nog altijd het meest in gevaar om het geloof te verliezen, en de toekomstige antichrist zal zeker eens door bijzondere overmacht van het verstand het daartoe brengen, dat hij de mens van de zonde en het kind van het verderf (2 Thessalonicenzen 2:3) wordt. De Heere onderwierp zich ook in deze zaak aan de leiding van Zijn hemelse Vader, en wij kunnen ons wel denken, door welke gevoelens en gewaarwordingen Zijn hart bewogen zal zijn geweest bij het gebed, waarmee Hij Zich tot de Apostelkeuze voorbereidde. Reeds toen was het bij Hem: "Mijn Vader, indien het mogelijk is, zo laat deze drinkbeker van Mij voorbijgaan, maar niet zoals Ik wil, maar zoals Gij wilt. " Dat Hij later aan Judas de beurs toevertrouwde, waarbij zijn aanleg zich tot een duivelen-natuur ontwikkelde, vindt zijn verklaring in hetgeen Lampe zegt: "Het behoort tot de aanbiddenswaardige wegen van de goddelijke voorzienigheid ten opzichte van de zonde, dat de zondaars in omstandigheden worden geplaatst, waarin hun boosheid tevoorschijn moet komen; de geschiedenissen van de criminele rechtbanken geven voor deze stelling de veelvuldigste bewijzen. Nog slechts één zaak zij hierbij opgemerkt: het later door Judas' dood leeg geworden Apostelambt splitst zich in twee ambten, in dat van Matthias en in dat van Paulus. Men kan wel aanstonds aannemen, dat de eerste van geboorte een Judeeër was, hoewel hij een oog- en oorgetuige van Christus' woorden en werken geweest was van de doop van Johannes af tot aan de hemelvaart (Handelingen 1:22). Misschien besliste juist daarom het lot voor hem en niet voor de ander; juist de eigenschap van Judeeër moest door Matthias worden aangevuld. Daarentegen vond de begaafdheid met een voortreffelijk denkvermogen en met een uitstekende vorming van geest enige jaren later in Paulus zijn aanvulling. Deze is vervolgens het levend bewijs geworden, dat ook de grote geesten, de diepe denkers, de genieën onder de mensenkinderen, in Christus hun Meester vinden en zij zeer goed ootmoedige discipelen aan Zijn voeten kunnen worden, zonder hun gaven en krachten te moeten verloochenen.
Toen de Heere Judas koos, was het verraad nog niet in zijn binnenste, maar wel de kiem ertoe. De Heere, de hartenkenner wist het. Zou de omgang met de Heere zelf die kiem niet verstikken? In die omgang moest alles zich beslissend ontwikkelen, moest alles beter of erger worden. De satan was ook hier in het midden van de kinderen van God. Maar hoe kan het samengaan, dat Judas de Apostolische gave van de wonderen ontving en toch een verrader werd? De gaven zijn onafhankelijk van het geloof en zonder waarachtig geloof zijn alle gaven ijdel. Een Bileam kon profeteren en een Saul kon het ook, en toch waren zij ontbloot van genade. Daarom vermaant Paulus niet zozeer wondergaven maar genadegaven te begeren, en onder deze is de uitnemendste de liefde; zij is de door het geloof en de hoop voortgebrachte eeuwigblijvende vrucht van de Heilige Geest.
Ik meen, dat wij bij de keuze van Judas de Apostel, de Heer ons kunnen voorstellen als de harten kennende God en als de heilige, de volkomen mens. Als God doorzag Hij alle harten, ook dat van Judas, en hoe deze het verlossingsplan dienen, de profetieën vervullen zou; zijn opname in die kring was noodzakelijk. Meer hebben wij echter Christus ons in dezen voor te stellen als de mens, de leraar bij uitnemendheid, die ons tot een voorbeeld worden moest. In Judas waren grote gaven, die van de zuurdesem doortrokken, uitnemend het Godsrijk zouden dienen, maar ook, zo Christus ten oordeel werd, ontzettend zouden uitbarsten. Nu doet Christus tegenover Judas alles wat gedaan kon worden, om hem tot een uitstekende Apostel te vormen, zoals de Evangeliën nader zullen doen kennen; zelfs de overgave van de beurs was een daad van de hoogste wijsheid; zo Judas had kunnen genezen worden, dan was dit het middel; de dief kan alleen getroffen worden door het grootst mogelijke vertrouwen, het wankelende hart door een daad van de hoogste liefde. Zo behandelt hem de Heere tot het einde toe, totdat Judas zichzelf uitstoot. Het doel van God is bereikt tot verlossing en ieder leraar heeft in Christus het volmaakte voorbeeld. Judas gaat door eigen schuld ondanks alle middelen van Christus verloren, en ook zijn zonde dient het goddelijk plan.
Als een gezelschap van enige mensen zich tot het bereiken van een gemeenschappelijk doel verenigt, dan verwachten wij bij deze mannen een zekere overeenstemming van aanleg, temperament, inborst, verstandelijke vermogens en zedelijke krachten. Waar deze overeenstemming ontbreekt, daar is reeds deze vereniging niet waarschijnlijk, en de uitvoering van het plan zelf heeft met des te grotere moeilijkheden te worstelen, naarmate dit plan groot en uitgestrekt is. Heeft deze vereniging geen geringer doel, dan de gehele wereld te misleiden, dan is de samenzwering van de tegenstrijdigste karakters tot een groot, gemeenschappelijk bedrog, een ondenkbare zaak, en de volharding in het ééns begonnen werk, zonder een enkele van dit gezelschap te licht bevonden worde, mag bijkans onder de onmogelijkheden gerangschikt worden. Maar wat zullen wij dan zeggen, als wij mensen, van de verschillendste geaardheid, driftigen, bedaarden, zwaarmoedigen, niet alleen tot hetzelfde verbond zien toetreden om de wereld te bedriegen, maar liever tot één toe zich aan de wreedste folteringen zien onderwerpen, dan een geheim te verraden, waarvan zij niets dan verachting en lijden konden inoogsten? Het persoonlijk karakter van ieder van de Apostelen door Jezus gekozen, is ons niet voldoende bekend - maar sommigen van hen kennen wij genoeg, om de gemaakte aanmerkingen met vrucht op deze keuze toe te passen. Wij vinden in dit gezelschap een oplopende, en tevens vreesachtige Petrus; een bedaarde en zachtzinnige Johannes; en dan nog een voortreffelijke Apostel, schandelijk miskend, zodat zijn naam zelfs tot een scheldnaam geworden is, maar wiens heersend karakter was een onbegrensde liefde tot Jezus; ik bedoel de brave, maar zwaarmoedige Thomas. Voegt deze namen in uw gedachten bij elkaar, en, mij dunkt, de volgende aanmerkingen zullen als vanzelf bij u oprijzen. Indien Jezus enige mensen uit de menigte had willen uitkiezen, om haar te misleiden, dan deed Hij inderdaad een dwaze keuze, dat Hij mensen van zulke strijdige karakters tot zijn vertrouwde vrienden benoemde. Een bedrieger zou toch van tevoren de onwaarschijnlijkheid berekend hebben, dat zijn bedrog op al deze mensen in een gelijke mate zou werken, zodat zij allen zich aan hem zouden hechten en blijven hechten; hij zou berekend hebben, dat een bedrog, waardoor zich de vurige, voorbarige, en niet genoeg nadenkende Petrus liet wegslepen, waarschijnlijk door een diepe, peinzende Thomas ontdekt zou worden, of ten minste geen gerede ingang bij hem zon vinden; met één woord, hij zou berekend hebben, dat een zoveel mogelijke gelijkheid van karakters, de eerste voorwaarde was, om twaalf mensen gelijkelijk te kunnen misleiden. Indien Jezus deze mensen uit de menigte had uitgelezen om hun de bedrieglijke rol, die Hij spelen wilde, te ontdekken, en een verbond met hen te sluiten, om Hem in Zijn werk behulpzaam te zijn, ook dan was Zijn keuze even onbegrijpelijk. Hij verklaarde aan Zijn discipelen, dat Hij op de puinen van de Joodse en heidense godsdienst een rijk wilde stichten, dat alle volken van de aarde zou omvatten; hoe was het vooruit te zien, dat een zwaarmoedige Thomas ooit onder dat verdrag zijn naam tekenen, of, bij ervaring van duizend hinderpalen, zijn woord gestand zou doen? - Jezus verklaarde aan Zijn discipelen, dat hun leven een onafgebroken strijd zou zijn met de diep ingewortelde vooroordelen van hun landgenoten, dat zij met alle standen van de maatschappij in onenigheid zouden raken, dat wolven hen overal zouden omringen; kon dat leven voor de zachtzinnige en vredelievende Johannes enige aantrekkelijkheid hebben? - Jezus verklaarde eindelijk aan Zijn discipelen, dat zij in de loopbaan, die zij intraden, geen erekroonen zouden behalen, maar dat lijden, ballingschap en dood het loon van hun arbeid zou zijn; kon een bedrog, dat onder zulke voorwaarden gepleegd moest worden, een Petrus behagen, Petrus die geen moed genoeg had om voor een dienstmaagd staande te houden, dat hij een leerling van Christus was? Eindelijk moet het verschillend karakter van de Apostelen hen bij de onbevooroordeelde rechter van alle verdenking van dweperij vrijpleiten. Er is, in zo verre wij de twaalf discipelen van de Heere kennen, niet één onder hen, wiens karakter niet vatbaar zou zijn voor die opwinding van een verhitte verbeelding, die wij met de naam van dweperij gewend zijn te bestempelen. Maar dat deze ongelijke karakters in één en dezelfde zaak, op een gelijke wijze zouden dwepen, dit houden wij voor een zielkundige onmogelijkheid. Indien een Thomas begint te dwepen, dan wordt hij een monnik of kluizenaar; maar vervalt een Petrus tot deze ongelukkige stemming van het gemoed, dan predikt hij misschien een kruistocht. En echter deze mensen zien wij de handen inéén slaan. Zij vereren dezelfde Meester, verkondigen dezelfde leer, handelen in één zin en geest, bekrachtigen dezelfde besluiten, werken naar dezelfde maatregelen, onderwerpen zich aan dezelfde gevaren, en sterven met dezelfde belijdenis op de lippen. Neen, deze mensen waren geen bedrogenen, geen bedriegers, geen dwepers. Innige overtuiging van de waarheid was de band van hun vriendschap, verenigde de ongelijkste mensen, smolt aller belangen, aller harten tezamen, en de Godskracht uit de hoogte voltooide de eendracht van de Apostelen, opdat zij elkaar zouden liefhebben, zoals Christus hen had liefgehad. (E. A. BORGER).