Johannes 12:1-11
In deze verzen hebben wij:
I. Het vriendelijk bezoek van onzen Heere Jezus aan Zijne vrienden te Bethanië, vers 1. Hij kwam van het land zes dagen voor het pascha, en begaf zich naar Bethanië, ene stad, of vlek, zo nabij Jeruzalem gelegen, dat het tot het gebied van haar sterflijst gerekend werd. Hij nam Zijn intrek ten huize van Zijn vriend Lazarus, dien Hij nu onlangs van de doden had opgewekt. Zijne komst nu te Bethanië kan beschouwd worden:
1. Als ene voorbereiding tot het pascha, dat Hij voornemens was te vieren, hetgeen door den opgegeven datum Zijner komst-Zes dagen voor het pascha, -wordt aangeduid. Godvruchtige mensen hadden een tijd afgezonderd om zich op die plechtigheid voor te bereiden, en aldus betaamde het onzen Heere Jezus alle gerechtigheid te vervullen. Aldus heeft Hij ons een voorbeeld gegeven ener plechtige afzondering van zich zelven voor de viering der plechtigheden van het pascha, laat ons de stem horen, die ons toeroept: Bereidt den weg des Heeren.
2. Als een vrijwillig zich blootstellen aan de woede Zijner vijanden. Nu Zijne ure nabij was, kwam Hij onder hun bereik, heeft Hij zich hun vrijwillig aangeboden, hoewel Hij hun getoond had, hoe gemakkelijk Hij hun strikken kon ontkomen. Onze Heere Jezus heeft vrijwillig geleden, Zijn leven werd Hem niet afgedwongen, Hij heeft het overgegeven. Zie, Ik kom. Gelijk de kracht Zijner vervolgers Hem niet kon overweldigen, zo kon hun list Hem ook niet verrassen of overvallen, Hij stierf, omdat Hij wilde sterven. Gelijk er een tijd is wanneer het ons vergund is om voor onze veiligheid en behoud te zorgen, zo is er ook een tijd, wanneer wij geroepen worden om voor de zaak Gode ons leven in de waagschaal te stellen, zoals Paulus, toen hij, gebonden zijnde door den Geest naar Jeruzalem reisde.
3. Als een voorbeeld Zijner vriendelijkheid voor Zijne vrienden te Bethanië, die Hij liefhad, en van wie Hij weldra zal weggenomen worden. Het was een afscheidsbezoek, Hij kwam om afscheid van hen te nemen, en om hun woorden van vertroosting te laten tegen den dag der beproeving, die aanstaande was. Christus verlaat Zijn volk wel voor een wijle, maar Hij laat blijken, dat Hij in liefde, niet in toorn, van hen heengaat. Bethanië wordt hier beschreven als de stad, waar Lazarus was, welken Hij opgewekt had uit de doden. Het wonder, hier gewrocht, deed nieuwe eer afstralen op de plaats, en maakte haar merkwaardig. Christus kwam hier om te zien welk goed gebruik er van het wonder was gemaakt, want waar Christus wonderen werkt en gunstbewijzen schenkt, daar geeft Hij acht om te zien, of het voorgestelde doel er mede bereikt werd. Waar Hij overvloedig gezaaid heeft, let Hij op om te zien of het zaad opkomt.
II. Het vriendelijke onthaal, dat Zijne vrienden Hem bereidden: Zij bereiden Hem dan aldaar een avondmaal, vers 2, een feestmaal. Door sommigen wordt de vraag gesteld, of dat ook hetzelfde feestmaal was, waarvan gesproken wordt in Mattheus 26:6 en verder. en dat in het huis van Simon werd aangericht. De meeste uitleggers zijn van oordeel, dat het dit feestmaal geweest is, omdat de substantie van het bericht en velen van de omstandigheden, die er bij vermeld worden, er mede overeenkomen. Maar die maaltijd wordt gehouden na hetgeen deze twee dagen voor het pascha gezegd was, terwijl zes dagen voor het pascha wordt aangericht. Het is ook niet waarschijnlijk, dat Martha elders dan in haar eigen huis zou dienen, en daarom ben ik met Dr. Lightfoot geneigd te denken, dat het een andere maaltijd geweest is: Het feestmaal in Mattheus op den derden dag der paasweek, maar dit op den zevenden dag der week te voren, zijnde de Joodse sabbatdag, op den avond voor Hij Zijn intocht in Jeruzalem hield, het ene in het huis van Simon, het andere in het huis van Lazarus. Daar deze twee maaltijden de plechtigste en meest openbare waren, die Hem zijn aangeboden, heeft Maria Hem waarschijnlijk bij beide gelegenheden deze bewijzen van eerbied en liefde betoond, en wat zij van hare zalve de eerste maal had overgehouden, toen zij er slechts een pond van heeft gebruikt, vers 3, dat heeft zij de tweede maal gebruikt, toen zij haar geheel uitgoot op Zijn hoofd, Markus 14:3. Laat ons het verhaal er van nagaan.
1. Zij bereidden Hem een avondmaal, want bij hen was de avondmaaltijd de voornaamste. Zij deden dit ten teken van hun eerbied en uit dankbaarheid, want een feestmaal is bereid voor vriendschap, en ten einde de gelegenheid te hebben tot vrije en aangename gesprekken met Hem, want een feestmaal is ook voor gemeenschapsoefening. Wellicht is het met toespeling op deze en dergelijke maaltijden, Christus aangeboden in de dagen Zijns vlezes, dat Hij aan hen, die de deur van hun hart voor Hem openen, belooft, dat Hij avondmaal met hen zal houden, Openbaring 3:20.
2. Martha diende, zij zelf bediende aan tafel, ten teken van haren groten eerbied voor den Meester. Hoewel zij iemand was van zeker aanzien, achtte zij het toch niet beneden zich om te dienen, als Christus aanzat, en ook wij behoren het niet als ene schande of vernedering voor ons te houden, om ons neer te buigen tot enigerlei dienst, waardoor Christus geëerd kan worden. Vroeger had Christus Martha bestraft, omdat zij zich ontrustte door veel dienens. Maar zij heeft daarom het dienen niet nagelaten, zoals sommigen doen, die, als zij bestraft worden wegens het zich overgeven aan een uiterste, knorrig en gemelijk tot het tegenovergestelde uiterste overslaan, neen, nog diende zij, niet gelijk toen, op een afstand, maar zo, dat zij onder het bereik bleef van Christus' stem, en Zijne genaderijke woorden kon horen, diegenen gelukkig achtende, die zoals de koningin van Scheba van Salomo's dienstknechten zei, gedurig voor Zijn aangezicht staan en Zijne wijsheid horen. Het is beter een dienaar te zijn aan Christus' tafel, dan een gast aan de tafel van een vorst.
3. Lazarus was een van degenen, die met Hem aanzaten. Hieruit bleek de waarheid Zijner opstanding, zoals ook Christus' opstanding hier- uit gebleken is, dat er waren, die met Hem gegeten en gedronken hebben nadat Hij uit de doden opgestaan was, Handelingen 10:41. Lazarus heeft zich na Zijne opstanding niet teruggetrokken in ene woestijn, alsof hij, na zijn bezoek in de andere wereld, nu voor altijd een kluizenaar in deze wereld moet zijn, neen, hij ging, evenals anderen, gemeenzaam om met de mensen. Hij zat aan, als een levend gedenkteken van het wonder door Christus gewrocht. Zij, die door Christus tot een geestelijk leven zijn opgewekt, worden mede gezet met Hem, zie Efeze 2:5. 6.
III. Den bijzonderen eerbied, Hem boven de overigen, betoond door Maria, door Zijne voeten met zeer kostelijke nardus te zalven, vers 3. Zij had een pond zalf van onvervalste, zeer kostelijke nardus, die zij waarschijnlijk voor eigen gebruik bij zich had, maar door den dood en de opstanding haars broeders was zij gespeend van het gebruik van al zulke dingen, en zo heeft zij er de voeten van Jezus mede gezalfd, en als nog een ander teken van eerbied voor Hem, en een niet achten van zich zelf, heeft zij ze met hare haren afgedroogd. Dit werd opgemerkt, door allen, die tegenwoordig waren, want het huis werd vervuld van den reuk der zalf. Zie Spreuken 27:16. 1. Ongetwijfeld heeft zij dit bedoeld als teken van hare liefde tot Christus, die haar en haar gezin zeer wezenlijke blijken van Zijne liefde had gegeven, en aldus beijvert zij zich om Hem haar te vergelden. Nu blijkt hieruit, dat hare liefde voor Christus:
a. Ene edelmoedige liefde was, die zo weinig spaarzaam was in hetgeen nodig was voor Zijn dienst, dat zij even vernuftig is in het bedenken van ene gelegenheid om kosten te doen voor den Godsdienst, als anderen het zijn om kosten te sparen of te vermijden. Als zij iets had, dat kostbaarder was dan iets anders, dan moet dit tot ere van Christus gebruikt worden. Zij, die Christus waarlijk liefhebben, hebben Hem zo veel meer lief dan de wereld, dat zij gaarne het beste wat zij hebben voor Hem besteden.
b. Ene nederige liefde. Zij heeft hare zalve niet slechts voor Christus ten koste gegeven, maar ze met hare eigene handen over Hem uitgestort, terwijl zij een der dienaren had kunnen bevelen dit te doen, ja meer, zij heeft niet, als gewoonlijk, Zijn hoofd er mede gezalfd, maar Zijne voeten. Gelijk ware liefde gene kosten spaart, zo spaart zij ook gene moeite, als het geldt Christus ere te bewijzen. Na hetgeen Christus voor ons gedaan en geleden heeft, zijn wij wel zeer ondankbaar, als wij enigerlei dienst voor Hem te zwaar vinden, of te gering, om er ons toe neer te buigen, als Hij er wezenlijk door verheerlijkt kan worden.
c. Ene gelovige liefde, er was geloof, werkende door deze liefde, geloof in Jezus als den Messias, den Christus, den Gezalfde, die zowel priester als koning zijnde, gelijk Aäron en David gezalfd werd. Gods Gezalfde behoort onze Gezalfde te wezen. Heeft God Hem met olie der vreugde gezalfd boven Zijne medegenoten? Zo laten wij de zalve onzer beste genegenheden over Hem uitstorten boven alle Zijne mededingers. Door Christus aan te nemen als onzen Koning moeten wij instemmen met Gods bedoelingen, en Hem stellen tot ons Hoofd, dien God daartoe gesteld heeft, Hosea 1:11.
2. Het vervullen van het huis met den aangenamen reuk der zalve kan ons zeggen:
a. Dat zij, die Christus in hun hart en huis ontvangen, er een liefelijken geur in brengen. Christus' tegenwoordigheid brengt een balsem, ene olie en reukwerk mede, die het hart verblijden.
b. Ere, bewezen aan Christus, is ene vertroosting en liefelijkheid voor al Zijne vrienden en volgelingen, het is ene offerande van liefelijken reuk aan God en alle goede mensen.
IV. Judas' misnoegen over dit bewijs van eerbied jegens Christus, vers 4, 5, waar wij hebben te letten op:
1. Den persoon, die er aanmerking op maakte. Het was Judas, een van Zijne discipelen, niet een, die van hun aard was, maar slechts tot hun getal behoorde. Het is voor de slechtste mensen mogelijk, zich onder het mom van de beste belijdenis te verschuilen, en er zijn velen, die voorgeven tot Christus in betrekking te staan, zonder in werkelijkheid enigerlei vriendelijkheid voor Hem in het hart te hebben. Judas was een apostel, een prediker van het Evangelie en toch iemand, die dit blijk van vrome genegenheid voor Christus afkeurde en tegenstond. Het is treurig, om een Godsdienstig leven en een heiligen ijver te zien tegenstaan door hen, die door hun ambt verplicht zijn ze te bevorderen en aan te moedigen. Maar deze was het, die Hem verraden zou. Als koelheid van liefde en minachting van ernstige Godsvrucht gezien worden in belijders van den Godsdienst, dan is dit een treurig voorteken van hun eindelijken afval. Geveinsden, die reeds in kleine zaken hun wereldsgezindheid aan den dag leggen, zullen zich ook gans bereid tonen om aan grotere verzoekingen toe te geven.
2. Het voorwendsel, waaronder hij zijn misnoegen verborg, vers 5. Waarom is deze zalve, die toch bestemd schijnt voor een vroom gebruik, niet verkocht voor drie honderdpenningen (dat is voor f 102 van ons geld) en den armen gegeven?"
a. Hiermede wordt ene schandelijke ongerechtigheid bedekt met een schoonschijnend voorwendsel, want Satan verandert zich in een engel des lichts.
b. Hier wordt door wereldse wijsheid een afkeurend oordeel uitgesproken over Godvruchtigen ijver, als zich schuldig makende aan een onverstandig en slecht beheer van goederen. Zij, die zich zelven overschatten van wege hun wereldse staatkunde, en anderen onderschatten wegens hun ernstige Godsvrucht, hebben meer van den geest van Judas in zich, dan zij willen erkennen.
c. Hier wordt barmhartigheid jegens de armen als voorwendsel gebruikt, om een blijk van liefde jegens Christus af te keuren, en alzo tot een dekmantel gemaakt van geldgierigheid. Velen weigeren om iets ten koste te leggen aan liefdadige doeleinden, onder voorwendsel van op te leggen voor zulke doeleinden: terwijl toch, als de wolken vol geworden zijn, zij plasregen uitstorten op de aarde. Judas vroeg: Waarom is dit niet den armen gegeven? Waarop het gemakkelijk is te antwoorden: Omdat het beter aan den Heere Jezus besteed was. Wij moeten niet denken, dat zij geen welbehaaglijk werk doen, die het niet doen op onze wijze, en zoals wij wensen, dat zij het zullen doen, alsof alles als onverstandig en ongeschikt, of ongepast gehouden moet worden, dat zich niet regelt naar onze wijze van zien. Hoogmoedige mensen vinden ieder zonder overleg, die geen overleg gepleegd heeft met hen.
3. Hoe Judas' geveinsdheid en bedrog hierin ontdekt werden, vers 6. Hier is de opmerking van den evangelist er over, onder de leiding van Hem, die het hart doorgrondt: Dit zei hij, niet omdat hij bezorgd was voor de armen -gelijk hij voorgaf-maar omdat hij een dief was, en de beurs had.
a. Het kwam niet voort uit een beginsel van liefdadigheid: Niet omdat hij bezorgd was voor de armen. Hij had geen mededogen met hen, gene bezorgdheid voor hen, wat bekommerde hij zich om de armen! Wat gingen zij hem aan, anders dan om zijne oogmerken te dienen, n.l. om eigen voordeel door hen te bevorderen? Zo zijn er velen, die met warmte strijden voor de macht der kerk, en anderen voor hare zuiverheid, terwijl wellicht van hen gezegd kan worden: Niet dat zij bezorgd zijn voor de kerk: het is hun om het even, of hare ware belangen af of toenemen, maar onder voorwendsel van de belangen der kerk te behartigen, zoeken zij slechts hun eigene wereldse belangen te bevorderen. Simeon en Levi wendden ijver voor de besnijdenis, niet omdat zij iets gaven om het zegel des verbonds, evenmin als Jehu zich om den Heere der heirscharen bekommerde, toen hij zei: Ga met mij, en zie mijn ijver aan voor den Heere.
b. Het kwam voort uit een beginsel van hebzucht. Deze zalve, bestemd zijnde voor zijn Meester, zou hij er liever de waardij in geld voor gehad hebben, om het in de algemene kas te storten, waarvan hem het beheer was opgedragen, en dan wist hij wel wat er mede te doen. Merk op, dat Judas de penningmeester was, d.i. de penningen van Christus huisgezin beheerde, waarom hij, gelijk sommigen denken Iskariot, d.i. de beursdrager, genoemd wordt.
Ten eerste. Zie dus hier, waarvan Jezus en Zijne discipelen moesten leven. Het was slechts weinig, zij hadden land noch koopwaren, schuren noch pakhuizen, slechts ene beurs, of, gelijk sommigen denken, ene kist, of koffer, waarin zich slechts het nodige bevond voor hun onderhoud, en zo er iets meer in was, gaven zij het aan de armen. Dit droegen zij met zich overal waar zij heengingen. Omnia mea mecum porto. Al wat ik bezit, draag ik bij mij. Deze beurs, of schatkist, werd voorzien door de bijdragen van goede, godvruchtige lieden, en de Meester en Zijne discipelen hadden alles gemeen. Laat dit onze schatting voor wereldsen rijkdom doen dalen, en ons dood of onverschillig maken voor een grootsen staat, en tevreden met ene armoedige wijze van leven, zo dit ons lot is, dat het ook des Meesters lot geweest is, om onzentwille is Hij arm geworden. Ten tweede. Zie, wie de rentmeester was van het weinige, dat zij hadden, het was Judas, hij was de beursdrager. Het was zijn ambt om te ontvangen en te betalen, en wij bevinden niet, dat hij er ooit rekening en verantwoording van heeft overgelegd. Hij was hiertoe aangesteld. Hetzij:
1. Omdat hij de minste was van de discipelen, het was niet Pertus, of Johannes, die tot rentmeester was aangesteld (hoewel het een post van vertrouwen en gewin was), maar Judas, de minste van hen. Wereldlijke ambten leiden een evangeliedienaar tot afwijking, vernederen en verlagen hem, zie 1 Corinthiërs 6:4. De eerste staatsdienaren in Christus' koninkrijk weigerden om zich met de zaken der inkomsten in te laten, Handelingen 6:2.
2. Omdat hij den post begeerde. In zijn hart beminde hij het om geld in handen te hebben, en zo werd hem dan de beurs toevertrouwd, hetzij:
a. Uit vriendelijkheid, om hem genoegen te doen, en hem dus te verplichten trouw te zijn aan zijn Meester. Onderdanen worden soms misnoegd op de regering, omdat zij teleurgesteld worden in hun verwachting van bevordering, maar Judas had hierover niet te klagen, hij verkoos de beurs te hebben, en hij had haar. Of:
b. als een oordeel over hem, om hem te straffen voor zijne geheime ongerechtigheid, datgene werd hem in handen gegeven, hetwelk hem ten valstrik zou worden. Ene sterke neiging tot zonde van binnen, wordt dikwijls rechtvaardiglijk gestraft met sterke verzoekingen tot zonde van buiten. Wij hebben weinig redenen om de beurs lief te hebben, of om er trots op te zijn, want wij zijn er op zijn hoogst toch slechts rentmeesters, of beheerders, van, en het was Judas, iemand van een slecht karakter en-vergeef mij de uitdrukking-voor hangen geboren, die beheerder der beurs is geweest. De voorspoed der zotten zal hen verderven. De beurs was hem toevertrouwd, maar hij was een dief, dat is: hij had neiging tot stelen. Heersende liefde tot geld is diefstal in het hart, evenals toorn en wraakzucht moord zijn in het hart. Of misschien heeft hij zich daadwerkelijk schuldig gemaakt aan verduistering van Zijns Meesters goed, en heeft hij voor zijn eigen gebruik aangewend wat voor de algemene kas werd gegeven. Sommigen maken de gissing, dat hij er nu op bedacht was zijne eigene beurs te vullen en dan weg te lopen en zijn Meester te verlaten, daar hij Hem zo veel over naderend onheil had horen spreken, waarmee hij in generlei opzicht genoegen kon nemen. Zij, aan wie het beheer en de beschikking over publieke fondsen worden toevertrouwd, hebben wel zeer nodig om zich door vaste beginselen van rechtvaardigheid en eerlijkheid te laten leiden, opdat er gene vlek aan hun handen kleve, want hoewel sommigen het voor ene aardigheid houden om het gouvernement, de kerk, of het land te bedriegen, zullen zij toch, daar bedriegen stelen is, en daar ene gemeenschap van hoger belang is dan een bijzonder persoon, en haar te bestelen dus grote zonde is, bevinden, dat het schuldige van diefstal en het deel en lot van dieven alles behalve ene zaak is om mede te schertsen. Judas, die het in hem gestelde vertrouwen heeft verraden, zal spoedig daarna ook zijn Meester verraden.
V. Christus' rechtvaardiging van Maria's daad, vers 7, 8. Laat af van haar. Hiermede gaf Hij Zijn aannemen te kennen van hare vriendelijkheid. (Hoewel Hij volkomen dood was voor al de genietingen der zinnen, heeft Hij toch, daar het een teken was van haren goeden wil, er Zijne ingenomenheid mede te kennen gegeven) en zorgde Hij er voor, dat zij er niet lastig om werd gevallen. "Vergeef haar", zou men hier kunnen lezen, "verontschuldig haar ditmaal, als zij dwaalt, dan is het ene dwaling uit liefde " Christus wil niet, dat diegenen gelaakt of ontmoedigd worden, die in oprechtheid trachten Hem te behagen, al is het ook, dat zij in dit hun oprecht streven, niet alle voorzichtigheid betrachten, die men zou wensen, Romeinen 14:3. Hoewel wij niet zouden willen doen wat zij doen, of zoals zij het doen, zo laat toch van hen af. Ter rechtvaardiging van Maria:
1. Geeft Christus ene gunstige verklaring van hetgeen zij deed, en waarvan zij, die haar laakten, gene bewustheid hadden: Zij heeft dit bewaard tegen den dag Mijner begrafenis. Of zij heeft dit voor den dag Mijner balseming bewaard, zoals Dr. Hammond dit opvat: "Gij duidt het niet ten kwade, dat uwe overleden vrienden gebalsemd worden, gij zegt niet, dat de daartoe gebruikte zalve verkocht, en het geld aan de armen gegeven moet worden. Nu was deze zalving of alzo bedoeld, of kan ten minste aldus verklaard worden, wat de dag Mijner begrafenis is nu nabij, en zij heeft een lichaam gezalfd, dat reeds zo goed als dood is". Onze Heere Jezus heeft veel en dikwijls aan Zijn dood en begrafenis gedacht, en het zou goed voor ons zijn, dit ook te doen. Gods voorzienigheid opent voor goede Christenen ene deur der gelegenheid, en de Geest der genade opent hun hart op zodanige wijze, dat de uitdrukkingen van hun vromen ijver blijkt geschikter, gepaster en schoner te zijn dan hun eigen vooruitzien of vooruit bedenken er van ze zou kunnen maken. De genade van Christus geeft ene vriendelijke uitlegging van de vrome woorden en handelingen der Godvruchtigen, en brengt niet slechts het verkeerde terecht, maar doet het goede zoveel mogelijk uitkomen.
2. Judas' bezwaar wordt genoegzaam door Hem weerlegd, vers 8.
a. In het rijk der voorzienigheid Gods is het zo beschikt, dat wij de armen altijd met ons hebben, dezen en genen, die voorwerpen der barmhartigheid en liefdadigheid kunnen zijn, Deuteronomium 15:11. De zodanige zullen er wezen, zo lang als er in den toestand der gevallen mensheid zo veel dwaasheid, droefheid en ellende is.
b. In het rijk der genade is het aldus verordineerd, dat de kerk niet altijd de lichamelijke tegenwoordigheid van Jezus Christus zal hebben: "Mij hebt gij niet altijd, doch slechts voor ene wijle". Als twee plichten zich tegelijk aan ons voordoen, als het ware in mededinging met elkaar komen, dan hebben wij wijsheid nodig om te weten aan welken den voorrang te geven, hetgeen door de omstandigheden beslist zal worden. Goede gelegenheden moeten gebruikt worden, en die gelegenheden het eerst en het krachtigst, die waarschijnlijk van den kortsten duur zullen zijn, en die wij het snelst zien voorbijgaan. Die goede plicht, welke ten allen tijde vervuld kan worden, behoort achtergesteld te worden bij dien, welken wij slechts nu, op dit ogenblik, kunnen doen. VI. Hoe aan dit avondmaal te Bethanië openlijk en algemeen acht op onzen Heere Jezus geslagen wordt, vers 9. Ene grote schare dan der Joden verstond, dat Hij aldaar was, want overal in het vlek werd van Hem gesproken, en zij kwamen derwaarts, te meer, daar Hij in den laatsten tijd in afzondering was gebleven, en nu te voorschijn trad, zoals de zon van achter ene donkere wolk.
1. Zij kwamen om Jezus te zien, wiens naam grotelijks verheerlijkt werd door het wonder aan Lazarus gewrocht. Zij kwamen, niet om Hem te horen, maar om hun nieuwsgierigheid te bevredigen door Hem te Bethanië te zien, vrezende, dat Hij zich niet, als naar gewoonte, openlijk op het pascha zou vertonen. Of, zij kwamen, niet om Hem te grijpen, of Hem te verklagen, hoewel de regering Hem vogelvrij had verklaard, maar om Hem te zien en Hem eerbied te betonen. Er zijn sommigen, in wier genegenheid Christus delen zal in weerwil van al de pogingen Zijner vijanden om Hem in een verkeerd daglicht te stellen. Daar Christus' verblijf nu bekend was, kwamen grote scharen tot Hem. Waar de koning is, daar is het hof, waar Christus is, daar is de vergadering des volks, Lukas 17:37. Zij kwamen om Lazarus en Christus te zamen te zien, hetgeen een zeer uitlokkend gezicht was. Sommigen kwamen ter bevestiging van hun geloof in Christus, wellicht ook om het verhaal uit Lazarus' eigen mond te horen. Anderen kwamen slechts om hun nieuwsgierigheid te bevredigen, om te kunnen zeggen, dat zij een' man hadden gezien, die dood en begraven was, en toch wederom leefde, zodat Lazarus tot ene vertoning, of schouwspel diende op deze feestdagen voor hen, die, gelijk de Atheners, hun tijd doorbrengen met iets nieuws te zeggen, of te horen. Sommigen zijn wellicht gekomen om nieuwsgierige vragen tot Lazarus te richten, betreffende den staat der doden, om hem naar nieuws te vragen van de andere wereld, wij zelven hebben misschien wel eens gezegd: wij zouden gaarne ver gelopen hebben om eens een uur met Lazarus te kunnen spreken. Zo iemand echter met dat doel kwam, heeft Lazarus zeer waarschijnlijk stil gezwegen, en geen verslag gegeven van zijne reize, de Schrift, ten minste, zwijgt hierover, geeft er ons geen bericht van, en wij moeten niet begeren wijs te zijn, boven hetgeen geschreven is. Maar onze Heere Jezus was er, en Hij was een veel geschikter Persoon om zich toe te wenden, dan Lazarus, want zo wij Mozes en de profeten niet horen, geen acht geven op hetgeen Christus en de apostelen ons zeggen betreffende een andere wereld, dan zouden wij ook niet geloven, al is het ook, dat wij met Lazarus spreken, die van de doden is opgestaan.
VII. Den toorn der overpriesters wegens den toenemenden invloed van onzen Heere Jezus, en hun beraamd plan om Hem tegen te gaan, vers 10, 11. Zij beraadslaagden (of namen het besluit) dat zij ook Lazarus doden zouden, want om zijnentwil (of om hetgeen aan hem geschied was, niet om iets, dat hij gezegd of gedaan had) gingen velen van de Joden heen, en geloofden in Jezus. Merk hier op:
1. Hoe ijdel en onvoorspoedig hun pogingen tegen Christus totnutoe gebleven waren. Zij hadden alles gedaan wat zij konden om het volk van Hem te vervreemden, hen tegen Hem te vertoornen, en toch waren velen van de Joden, hun naburen, hun afhangelingen, hun bewonderaars, zo overwonnen door het overtuigend bewijs van Christus' wonderen, dat zij heengingen, zich onttrokken aan den invloed en de partij der priesters, heengingen, zich losmaakten van de gehoorzaamheid aan hun tirannie, en in Jezus geloofden. En het was om den wille van Lazarus, zijne opstanding bracht nieuw leven in hun geloof, en gaf hun de overtuiging, dat deze Jezus ontwijfelbaar de Messias was, leven had in zich zelven, en macht om leven te geven. Dit wonder bevestigde hen in hun geloof aan Zijn andere wonderen, die Hij, naar zij gehoord hadden, in Galilea had gewrocht: wat was Hem onmogelijk, die de doden kon opwekken? 2. Hoe ongerijmd en onredelijk hun besluit was-dat Lazarus gedood moest worden. Dat is een voorbeeld van de grootste dierlijke woede, zij waren als een wilde os in het net, vol van woede, om zich heen slaande zonder iets of iemand te ontzien. Het was een teken, dat zij God niet vreesden en geen mens ontzagen. Want:
a. Indien zij God hadden gevreesd, dan zouden zij Hem niet derwijze getrotseerd hebben. God wil Lazarus door een wonder doen leven, en zij willen hem door boosaardigheid doen sterven. Zij roepen: Weg met dezen, het is niet betamelijk, dat hij leeft, nadat God hem zo weinig tijds tevoren naar de aarde terug had gezonden, verklarende, dat het hoogst betamelijk was dat hij zou leven, wat was dit anders dan in tegenheid te wandelen met God? Zij wilden Lazarus ter dood brengen, en de Almacht uitdagen om hem wederom op te wekken, alsof zij met God konden strijden. Wie heeft de sleutelen des doods en des grafs, Hij of zij? O hoe blind is de boosaardigheid, die veronderstelt dat Christus, die iemand van de doden had opgewekt, die een natuurlijken dood was gestorven, ook niet iemand kon opwekken, die gedood of vermoord was! zegt Augustinus. Lazarus wordt het bijzondere voorwerp van hun haat, omdat God hem heeft onderscheiden door de tekenen van Zijn bijzondere liefde, alsof zij een verbond van aanval en verdediging hadden gesloten met den dood en de hel, en besloten hadden streng te zijn jegens allen, die hun banier verlieten. Men zou zo denken, dat zij veeleer beraadslaagd zouden hebben, hoe vriendschap te sluiten met Lazarus en zijn gezin, om zich door hun bemiddeling met dezen Jezus te verzoenen, dien zij hadden vervolgd, maar de god dezer wereld had hun zinnen verblind.
b. Indien zij den mens hadden ontzien, dan zouden zij zulk ene daad van onrechtvaardigheid jegens Lazarus niet hebben gepleegd, daar hij toch een onschuldig man was, wie zij niets ten laste konden leggen. Welke banden zijn sterk genoeg om hen te weerhouden, die zo gemakkelijk de heiligste banden van de gerechtigheid kunnen verbreken, de grondbeginselen kunnen schenden, die de natuur zelf ons inprent? Maar het instandhouden van hun eigen tirannie en bijgeloof werd, evenals in de kerk van Rome, voldoende geacht, niet slechts om hun meest eerloze daden te verontschuldigen, maar zelfs om ze verdienstelijk te maken.