Jozua 15:20-63
Wij hebben hier een lijst van de onderscheidene steden, die binnen het erfdeel van de stam van Juda lagen, en met name genoemd zijn, opdat zij zouden weten wat het hun is beide om het te bewaren en om er bij te blijven, en er hetzij door lafheid of laksheid het bezit niet van zouden verliezen, noch door begeerlijkheid zouden zoeken wat het hun niet was. De steden worden hier genoemd en geteld in verscheiden klassen, waarvoor zij toen beter een reden konden opgeven, dan wij het nu kunnen. Hier zijn:
1. Sommigen, die gezegd worden van het uiterste te zijn tot de landpale van Edom, vers 21-32. Er worden hier acht en dertig steden genoemd, en toch wordt gezegd, dat het negen en twintig waren, vers 32), omdat negen er van later bij het lot van Simeon gevoegd werden, en gerekend worden daartoe te behoren zoals blijkt uit een vergelijking met Hoofdstuk 19:2 en verv, daarom worden nu alleen die geteld (hoewel de overigen genoemd zijn) die aan Juda zijn verbleven.
2. Anderen, die gezegd worden in de laagte te zijn, vers 33, worden als veertien opgegeven, hoewel vijftien genoemd zijn maar het is waarschijnlijk, dat Gedera en Gederathatin (vers 36) of twee namen, of twee delen zijn van een en dezelfde stad.
3. Dan worden er zestien genoemd zonder enigerlei aanduiding van haar ligging, vers 37-41, en nog negen, vers 42 44.
4. Dan komen de drie Filistijnse steden: Ekron, Asdod en Gaza, vers 45-47.
5. Steden op het gebergte, in het geheel elf, vers 48-51, nog negen, vers 52-54, nog tien, vers 55-57, nog zes, vers 58, 59, dan twee vers 60, en zes in de woestijn, een deel des lands, minder dicht bevolkt dan het overige.
Nu vinden wij hier:
a. Bethlehem niet opgegeven, dat later de stad Davids was en geadeld werd doordat er onze Heere Jezus in geboren werd. Maar die stad, die op haar best genomen slechts "klein was onder de duizenden van Juda," Micha 5:1 was nu nog zo onbeduidend, dat zij niet ais een van de steden geacht werd, maar misschien een van de dorpen was, die niet genoemd zijn. Christus kwam om eer te geven aan de plaatsen, die tot Hem in betrekking stonden, niet om er eer aan te ontlenen.
b. Jeruzalem wordt gezegd nog in handen te blijven van de Jebusieten, vers 63, want de kinderen van Juda konden hen niet verdrijven, door hun traagheid, domheid en ongeloof. Hadden zij het met kracht en vastberadenheid beproefd dan zou God naar wij reden hebben te denken-niet in gebreke zijn gebleven hun voorspoed te geven, maar zij konden het niet, omdat zij het niet wilden. Jeruzalem zal later de heilige stad, de koninklijke stad zijn, de stad des groten Konings, het schoonste sieraad van geheel het land Israëls, God had haar daartoe bestemd. Het kan dus terecht beschouwd worden als een straf voor hun verzuim om andere steden, die God hun gegeven had te veroveren, dat zij zolang buiten deze gehouden werden. Onder de steden van Juda (allen tezamen honderd veertien in getal) ontmoeten wij, Libna dat in Jorams tijd van Juda afviel, en zich waarschijnlijk tot een vrije, onafhankelijke staat verklaarde, 2 Koningen 8:22, en Lachis, waar koning Amazia gedood werd, 2 Koningen 14:19 . Haar inwoners waren de voorsten om afgoderij te bedrijven, Micha 1:13 zij was van de dochter Zions het begin van de zonde, Gilo, de stad van Achitofel wordt hier genoemd, en Thekoa, van waar de profeet Amos was, en in welker nabijheid Josafath een glorierijke overwinning heeft behaald, 2 Kronieken 20:20 h en verv, en Maresa, waar Asa een overwinning behaalde. Vele steden van deze stam komen voor in de geschiedenis van Davids moeilijken tijd. Adullam, Zif, Kehila, Maon, Engedi, Ziklag waren plaatsen hier tot deze stam gerekend, in welker nabijheid David zich dikwijls ophield, want hoewel Saul hem soms uit het erfdeel des Heeren verjoeg, heeft hij er zich toch zo dicht mogelijk bij gehouden. Dikwijls kwam hij in de woestijn van Juda, en daar, in die woestijn heeft Johannes de Doper gepredikt, en daar begon het koninkrijk Gods te komen, Mattheus 3:1. De rijkdom van dit land beantwoordde ongetwijfeld aan Jakobs zegen over die stam, dat hij "zijn kleed zal wassen in de wijn," Genesis 49:11. En in het algemeen: "Juda, gij zijt het, u zullen uw broeders loven."