Maleachi 3:1-6
De eerste woorden van dit hoofdstuk schijnen een ogenblikkelijk antwoord op de onheilige atheïstische vraag van de spotters dier dagen, waarmede het vorige hoofdstuk besloot: Waar is de God des oordeels? Hierop wordt geredelijk geantwoord: "Hier is Hij: Hij staat juist aan de deur, de lang verwachte Messias is gereed te komen, en Hij zegt: Tot een oordeel ben Ik in deze wereld gekomen, tot dat oordeel, dat gij zo onbeschaamd hoont." Een van de rabbijnen zegt, dat de betekenis hiervan is, dat God een rechtvaardige Koning zal verwekken, om op alles orde te stellen, namelijk Vorst Messias. En het begin des Evangelies van Jezus Christus wordt uitdrukkelijk genoemd de vervulling van deze belofte, waarmede het Oude Testament besluit Markus 1:2. Zo bindt deze belofte als het ware beide Testamenten samen en maakt het eene de vervulling van het andere. Hier nu hebben wij,
I. Een profetie van de verschijning van Zijn voorloper, Johannes de Doper, reeds door de profeet Jesaja voorspeld, Jesaja 40:3, als degene, die "de weg des Heren bereiden zou." Daarop schijnen Maleachi's woorden heen te wijzen, als hij schrijft: Ziet, Ik zend Mijn engel, of boodschapper, die voor Mijn aangezicht de weg bereiden zal, of, Ik zend hem, of ben bezig hem te zenden. Ik ben besloten hem te zenden, hij zal spoedig komen, en zal niet komen zonder gezonden te zijn, hoewel een zorgeloos geslacht kan menen, dat niemand hem zendt.
Merk op,
1. Hij is Gods gezant, dat is zijn ambt, hij is Maleachi, dat is: mijn engel, mijnboodschapper. Johannes de Doper was uit de hemel en niet uit de mensen. Allen hielden Johannes de Doper voor een profeet, want hij was Gods gezant, gelijk alle profeten, en kwam met dezelfde boodschap in de wereld als zij gekomen waren, namelijk de mensen tot geloof en bekering te roepen.
2. Hij is Christus' heraut. Hij zal voor Zijn aangezicht de weg bereiden, door de mensen een boetprediker te zijn, waardoor zij bekwaam gemaakt werden, de troost van de Messias bij Diens komst te ontvangen, en ze af te brengen van hun ijdel vertrouwen op hun betrekking tot Abraham als hun vader (die hun, naar zij geloofden, de zaligheid zou verschaffen). Hij zal verkondigen, dat de Messias staat te komen, dus hun verwachting op Hem richten en hen voorbereiden op de weg, langs welke Hij Zijn koninkrijk in de wereld zal oprichten. Zie, God werkt naar een bepaald plan en zorgt, dat, voordat de Messias komt, Zijn weg bereid wordt. Dat is als een teken, dat gegeven wordt. Aan de kerk was, lang tevoren, verkondigd, dat de Messias zou komen, en hier wordt aan die verkondiging toegevoegd, dat een wijle voor Zijn verschijning, een teken zal gegeven worden: een groot profeet zal opstaan en Zijn nadering uitroepen, en tot de eeuwige deuren en poorten zeggen, dat ze zich verheffen en oprijzen, om de Koning der ere door te laten. De vervulling van deze woorden is een bewijs, dat Jezus is de Christus, Degene, die komen zou, en dat wij geen anderen te verwachten hebben, want er was zo'n heraut voor Hem teruggezonden, als die "de Here een toegerust volk bereid had," Lukas 1:17. De Joodse schrijvers nemen tot grote ongerijmdheden de toevlucht om de klaarblijkelijke vervulling van deze woorden te ontkennen, sommigen zeggen, dat deze engel de engel des doods is, die de goddelozen uit dit leven zal wegnemen om de pijniging van de hel te ondergaan, anderen beweren, dat het Messias, de zoon van Jozef is, die voor de Messias, de Zoon Davids, zal verschijnen, weer anderen, deze profeet zelf, nog anderen, een engel uit de hemel. In zulke dwalingen vervallen degenen, die de waarheid niet willen erkennen. II. Een profetie van de verschijning van de Messias zelf: En snellijk zal tot Zijn tempel komen die Here, die gijlieden zoekt, te weten, de Engel des verbonds die gij meent, dat de aarde heeft vergeten, en gij weet niet wat van Hem geworden is. Lang is geprofeteerd, dat de Messias zou komen, en gij kunt er nu op rekenen, dat die tijd weldra gekomen is.
1. Hij is de Here, Adonai, de oorzaak, waardoor de wereld bestaat en in wezen blijft, de Koning van het ganse heelal, "de eene Here van allen," Handelingen 10:36, Wien als Messias alle macht gegeven is, Mattheus 28:18, en "over het huis Jacobs koning zal zijn in der eeuwigheid," Lukas 1:33.
2. Hij is de Engel des verbonds, de Gezegende, van de hemel gezonden om vrede te maken en de gemeenschap tussen God en mens te herstellen. Hij is de Engel, de Aartsengel, de Here van de engelen, die van de vader de opdracht gekregen heeft om, door het genadeverbond, de mens weder tot God terug te voeren, van Wien hij, door verbreking van het verbond der werken, was afgeweken. Christus is de Engel van dit verbond, door wiens middelaarschap het tot stand gebracht en bevestigd is, gelijk Gods verbond met Israël "door bestellingen van de engelen" was ontvangen, Handelingen 7:33, Galaten 3:19. Christus, als een profeet, is de Engel en Middelaar des verbonds, ja, "Hij is gegeven tot een verbond des volks," Jesaja 49:8. Dat verbond, waarin al onze zaligheid besloten ligt "is begonnen, verkondigd te worden door de Here," Hebreeën 2:3. Of schoon Hij de Vorst des verbonds is, naar sommigen lezen, toch heeft Hij zich vernederd om de Engel des verbonds te zijn opdat wij volle verzekerdheid zouden hebben van Gods welbehagen in de mens.
3. Hij is Degene, die gijlieden zoekt, aan welke gij lust hebt, die de vrome Joden verwachtten en begeerden, en aan wiens komst zij met verrukking dachten. Uitziende naar en wachtende op Hem, "verwachtten zij de vertroosting Israëls en de verlossing in Jeruzalem," Lukas 2:25, 38. Christus zou zijn "de wens aller heidenen," Hagg. 2:8. En Hij was inderdaad de Wens van de Joodse natie, omdat die de belofte van Zijn komst ontvangen had. Zie, degenen, die Jezus zoeken, zullen blijdschap in Hem vinden. Als Hij de begeerte onzes harten is, dan zal Hij de wellust onzes harten zijn, wij hebben reden, in Hem ons te verblijden, die de Engel des verbonds is, en Hem te verwelkomen, die met zulk een vriendelijke boodschap tot ons is gekomen.
4. Hij zal snellijk komen, Zijn komst nadert, en ze is niet zo ver meer weg als ze voor de aartsvaders was. Of: Hij zal komen onmiddellijk na de verschijning van Johannes de Doper, zal hem als het ware op de hielen zijn. Wanneer die morgenster verschijnt, is de Zon van de gerechtigheid niet ver meer verwijderd. Of: Hij zal onverwacht komen, dit is, wanneer slechts weinigen Hem verwachten, zoals Zijn wederkomst, zal ook Zijn eerste komst te middernacht geschieden, wanneer sommigen het uitzien naar Hem hebben opgegeven, "want wanneer Hij komt zal Hij ook geloof vinden op de aarde?" Lukas 18:8. De Joden rekenen de Messias onder hetgeen onverwacht verschijnen zal, zegt Dr. Pocock. En de komst van de Zoon des mensen in Zijn dag wordt vergeleken met de bliksem, die eensklaps gezien wordt, Lukas 17:24.
5. Hij zal tot Zijn tempel komen, Zijn tempel te Jeruzalem, die kort tevoren gebouwd was, dat laatste huis, welks heerlijkheid Hij was. Hij is Zijn tempel, want het is "het Huis Zijns Vaders," Johannes 2:16. Toen Christus veertig dagen oud was, werd Hij voorgesteld in de tempel, werwaarts Simeon opging door de Geest, volgens de aankondiging van de profetie, om Hem te zien, Lukas 2:27. Op Zijn twaalfde jaar was Hij in de tempel "in de dingen Zijns Vaders," Lukas 2:49. Toen Hij in triomf binnenreed, scheen Hij dadelijk naar de tempel te zullen gaan, Mattheus 21:12, 14, waar Hij blinden en kreupelen genas, en waar Hij zo menigmaal gepredikt, geredetwist en Zijn wonderen verricht had. Hieruit blijkt, dat de Messias komen zou, terwijl die tempel nog stond, zodat wij daaruit besluiten, dat, wijl die tempel nu verwoest is, Hij reeds gekomen moet zijn en wij geen ander meer verwachten kunnen. Zie, degenen, die met Christus bekend willen worden en Zijn gunst verwerven, moeten Hem in Zijn tempel ontmoeten, want daar wil "Hij Zijns Naams gedachtenis stichten," Exodus 20:24, en daar wil Hij Zijn volk zegenen. Daar moeten wij Zijn onderwijs ontvangen en daar Hem aanbidden.
6. De belofte van Zijn komst wordt herhaald en bevestigd: Ziet, Hij komt, zegt de Here van de heirscharen, gij moogt op Zijn woord vertrouwen, dat niet kan liegen, Hij zal komen, Hij wil komen en niet uitblijven.
III. Een overzicht gegeven van de grote bedoelingen van Zijn komst, vers 2. Hij is Degene, die zij zoeken, en in Wien zij zich verlustigen, en toch, wie zal de dag van Zijn toekomst verdragen? Het is iets, waaraan met grote ernst en met heilig ontzag moet gedacht worden, want wie zal bestaan, als Hij verschijnt? Al komt Hij niet om de wereld te oordelen, maar opdat de wereld door Hem behouden mag worden. Dit kan betrekking hebben,
1. Op de schrik van Zijn verschijning. Zelfs in de dagen Zijns vleses vertoonde Hij tekenen van Zijn heiligheid en macht, waarvoor niemand kan bestaan, getuige Zijn verheerlijking op de berg, en de wondertekenen, die Zijn sterven vergezelden, wij lezen, dat sommigen daarbij vreesden en beefden, Markus 5:33.
2. Op de bange dagen, die spoedig daarna zouden volgen. De Joodse doctoren spreken van de pijnen en smarten van de Messias, als ziende (naar zij zeggen) op de grote beproevingen, voor Israël, die met Zijn komst zouden gepaard gaan. Hij zelf spreekt van de grote verdrukking, die aanstaande was, "hoedanige niet geweest is van het begin van de wereld tot nu toe, en ook niet zijn zal," Mattheus 24:21.
3. De beproeving, die Zijn komst voor de kinderen van de mensen zou zijn. Hij zal zijn als het vuur van een goudsmid, dat bij smeltend erts het goud en schuim vaneen scheidt, of als zeep des vollers, die met veel schuren het linnen rein maakt. Christus is gekomen om de mens aan zich zelf te ontdekken, "opdat de gedachten uit vele harten geopenbaard werden," Lukas 2:35, om de mensen van elkander te scheiden, om de tarwe en het kaf uit elkaar te halen, want Zijn wan is in Zijn hand, Mattheus 3:12, "om vuur op de aarde te brengen, niet vrede, maar veeleer verdeeldheid," Lukas 12:49, 51, "om de einden van de aarde te vatten, en de goddelozen uit haar uit te schudden," Job 38:13, "opdat blijven zouden de dingen. die niet bewegelijk zijn," Hebreeën 12:27. Zodanig zal de vrucht van de beproevingen zijn, die het evangelie met zich brengt.
A. Het Evangelie zal goed doen allen, die genegen zijn tot het goede, hun zal het zijn een reuke des levens ten leven, vers 3. Hij zal zitten, louterende. Christus zal door Zijn Evangelie Zijn kerk louteren en hervormen, en door Zijn Geest ieders gewaad herscheppen en reinigen, want daartoe "heeft Hij Zich zelf overgegeven, opdat Hij haar heiligen zou, haar gereinigd hebbende met het bad des waters door het woord," Efeziers 5:26, en "Zichzelf een eigen volk zou reinigen," Titus 2:14. Christus is de grote Louteraar.
Merk op, a. Wie zij zijn, die Hij louteren wil: de kinderen van Levi, allen, die Hem prijzen en aan Zijn dienst gewijd zijn, gelijk de stam van Levi, en die Hij onze God tot geestelijke priesters maakt, Openbaring 1:6, een heilig priesterdom, 1 Petrus 2:5. Zie, alle ware Christenen zijn kinderen van Levi, afgezonderd voor God, om de dienst in Zijn heiligdom waar te nemen en de goede strijd te strijden.
b. Hij zal ze reinigen, Hij zal ze doorlouteren als goud en als zilver dat is: Hij zal ze inwendig heiligen. Hij zal niet alleen de vlekken wegnemen, die hen uitwendig aankleven, maar zal het schuim verwijderen, die van binnen gevonden wordt. Hij zal ze verlossen van de inwonende verdorvenheid die hun doen en laten waardeloos en nutteloos maakten, en ze zo doen zijn een gelouterd goud, beide kostelijk en nuttig. Hij zal ze louteren met vuur, als goud en zilver gelouterd worden, want "Hij doopt met de Heiligen Geest en met vuur," Mattheus 3:4, met de Heilige Geest, die als vuur werkt. Hij zal ze louteren met "menigerlei beproevingen en verzoekingen, opdat de beproeving huns geloofs bevonden worde te zijn tot lof en eer en heerlijkheid," 1 Petrus 1:6, 7. Hij zal ze louteren om ze Zichzelf tot een kostelijk volk te maken.
c. Wat daarvan de uitwerking zal zijn: Dan zullen zij de Here spijsoffer toebrengen in gerechtigheid, dat is: dan zullen zij in waarheid tot God bekeerd worden en aan Zijn eer gewijd (daarom lezen wij van "de offerande van de heidenen, geheiligd door de Heilige Geest," Romeinen 15:16. Dan zullen zij God dienen op geestelijke manier, volgens Zijn wil, "offerende offeranden van de gerechtigheid," Psalm 4:6, de offeranden des gebeds, des lofs en ener heilige liefde, als "ware aanbidders die de Vader in geest en in waarheid aanbidden," Johannes 4:23, 24. Zie, wij kunnen de Here niet recht dienen, tenzij onze personen gerechtvaardigd en geheiligd zijn. Totdat wij, door de genade Gods, gelouterd en gereinigd zijn, kunnen wij niets doen, dat God verheerlijkt. God zag eerst Abel en daarna zijn offer aan, en daarom reinigt Hij Zijn volk, dat zij de Here spijsoffer toebrengen in gerechtigheid, vers 3. Hij maakt de boom goed, opdat de vrucht goed worde. En dan volgt, vers 4, dan zal het spijsoffer van Juda en Jeruzalem de Here zoet wezen. Het zal Hem niet langer een walg zijn als tevoren, toen zij, in vroegere dagen, andere goden voor Gods aangezicht hadden, noch als in de tegenwoordige dagen, nu zij het geroofde, het kreupele, het kranke brengen. Het zal aangenaam zijn, de offeraars zullen Hem welgevallig wezen evenals hun offers, als in de oude dagen en als in de vorige jaren, als in de eerste dagen van de kerk, als toen God Abels offer aannam en de reuk van Noachs offer rook, toen Hij Aarons offer met vuur van de hemel aanstak. Wanneer de Messias komt, zal Hij,
Ten eerste, door Zijn genade hen aangenaam maken wanneer Hij ze gereinigd en gelouterd heeft dan zullen zij zulke offers brengen als Hem aangenaam zijn, omdat Hij die begeert.
Ten tweede zal Hij, door Zijn voorspraak, zorgen, dat zij aangenomen werden, Hij zal hen in hun offers voorstellen, zodat hun gebeden, waaraan Zijn middelaarschap een liefelijke reuk geeft, de Here welgevallig worden, want Hij heeft ons begenadigd in de Geliefde, met Hem zijn Gode welbehaaglijk degenen, die in Hem zijn en door Hem vrucht voortbrengen, Mattheus 3:17.
B. Het zal een getuigenis worden tegen degenen, die besloten zijn in de weg hunner goddeloosheid voort te gaan, vers 5. Dit is het gerede antwoord op hun uitdaging: Waar is de God des oordeels? Gij zult weten waar Hij is, tot uw schrik en verwarring, want Ik zal ulieden ten oordeel naderen, u, die Mijn goddelijke gerechtigheid hebt getart. Hun zal het Evangelie van Christus een reuke des doods ten dode zijn, het zal hen overgeven aan de verdoemenis en in de grote dag oordelen, Johannes 12:48. Laat ons hier zien,
a. Wie de zondaars zijn, die verschijnen moeten, om door Christus' Evangelie geoordeeld te worden. Het zijn de tovenaars, die in geestelijke goddeloosheid wandelen, die de uitspraken van de God van de waarheid voorbijgaan om de Vader van de leugenen te ondervragen, de overspelers, die zich in de lusten des vleeses omwentelen die overspelers, die beschuldigd worden, trouweloos gehandeld te hebben, Hoofdstuk 2:15, en die valselijk zweren, die Gods naam misbruiken en Zijn gerechtigheid honen, door Hem tot getuige hunner leugens aan te roepen, en de verdrukkers, die degenen, welke van hen afhankelijk zijn, wreed mishandelen en als hun voetveeg misbruiken. Zij houden het loon van de dagloners met geweld in en betalen hem niet uit, wat ze overeengekomen waren, zij verkeren de weduwe en de wees het recht en geven hun niet wat hun toekomt omdat deze geen bewijsstukken bezitten of niet weten, hoe hun zaak in rechten te behandelen. Ook de arme vreemdeling, die geen vriend heeft om hem bij te staan en de wetten des lands niet kent, ook hem verkeren zij het recht, zodat hij zijn eigendom kwijt raakt. Wat aan dat alles ten grondslag ligt, is, dat zij God niet vrezen, zegt de Here van de heirscharen. De overtreding des goddelozen bewijst duidelijk, dat er geen vreze Gods voor hunne ogen is. Waar geen vreze Gods is, kan geen goed verwacht worden.
b. Wie tegen hen zal optreden: Ik zal tot ulieden ten oordeel naderen, en Ik zal een snel getuige zijn tegen hen. Zij rechtvaardigen zich, en verbergen listig hun bedreven kwaad, en hopen dan de straf te ontgaan bij gebrek aan bewijs. Maar God, die alle dingen hoort en ziet, zal zelf als getuige tegen hen optreden, Zijn alwetendheid staat met duizend getuigen gelijk, want des zondaars consciëntie zal het vonnis onderschrijven, en alle mond gestopt worden. Hij zal een snel Getuige zijn, al beschouwen zij Hem als langzaam en traag en vragen: Waar is de God des oordeels, en waar is de belofte van Zijn komst? Zij zullen ervaren, dat Hij niet traag is, als Zijn oordelen eenmaal komen, evenmin als in de vervulling van Zijn beloften. Het oordeel tegen zulke zondaars zal niet worden uitgesteld bij gebrek aan bewijs, want Hij zal een snel getuige zijn. Zijn oordeel zal hen overvallen, en zij zullen het onmogelijk kunnen ontvlieden. Het kwaad vervolgt de zondaars.
IV. De bevestiging van dat alles, vers 6. Want Ik, de Here, word niet veranderd, daarom zijt gij, kinderen Jacobs, niet verteerd.. Hier hebben wij,
1. Gods onveranderlijkheid, door Hemzelf bevestigd en verheerlijkt. "Ik de Here, ben niet veranderd, en daarom zal geen woord, dat Ik heb gesproken, op de aarde vallen." Is God een rechtvaardig wreker dengenen, die tegen Hem opstaan? Is Hij de milde beloner dergenen, die Hem naarstiglijk zoeken? In beide is Hij onveranderlijk. Al wordt het oordeel tegen de boze werken, vers 5, niet haastig uitgevoerd, toch wordt het uitgevoerd want Hij is de Here, Hij verandert niet. Hij is dezelfde vijand van de zonde, die Hij altijd is geweest, en onboetvaardige zondaars zullen dat ondervinden. Er is geen "scire facias, een geschrift om reden te geven," nodig om Gods oordeel te doen herleven, want het is nimmer verouderd of uit de tijd, maar de vloek van de wet blijft in volle kracht voor degenen, die nog voortgaan in hun overtredingen.
2. Een bijzonder bewijs, uit de troostvolle ervaring, die het volk Israëls daarvan had gehad. Zij hadden reden te zeggen, dat Hij een onveranderlijk God was, want Hij was het verbond met hen en hun vaderen getrouw gebleven. Ware dat niet zo, dan zou Israël reeds lang verteerd zijn. Maar omdat Hij Zijn verbond gedacht en het niet wilde schenden, noch iets veranderen, dat uit Zijn lippen gegaan was, daarom waren zij voor vernietiging bewaard en aan de rand des afgronds gespaard gebleven. Alleen omdat Hij trouw wilde zijn aan Zijn woord. had Hij dat alles gedaan, Deuteronomium 7:8, Leviticus 26:42. Gelijk nu God hen voor de ondergang had bewaard, omdat Zijn bijzonder verbond met hen van kracht bleef en Hij hun wilde tonen, dat Hij "geen mens is, dat Hij zou liegen," Numeri 23:19, zo zou Hij ook, wanneer dat verbond als verouderd werd afgeschaft, om plaats te maken voor het Nieuwtestamentische, en zij, door derzelver zegeningen te verwerpen, zich aan de vloek blootstelden, tonen, dat Hij ook in de volvoering van Zijn wraak geen mens is, dat Hem iets zou berouwen, maar even trouw Zijn bedreigingen als vroeger Zijn beloften houdt, zie 1 Samuël 15:29. Wij mogen dit alles met volle vrijmoedigheid op ons zelf toepassen, omdat wij met een God te doen hebben, die niet verandert, daarom zijn wij niet verteerd. "Het zijn de goedertierenheden des Heren, dat wij niet vernield zijn. Zij zijn allen morgen nieuw, Zijn trouw is groot." Klaagliederen 3:22. 23