Lukas 5:12-16
Hier is:
I. De genezing van een melaatse, vers 12-14. Het verhaal er van hebben wij beide in Mattheus en Markus gehad. Hier wordt gezegd, dat het in een der steden was, vers 12. Het was in Kapernaum, maar de evangelist wilde de stad niet noemen, misschien wel omdat dit een blaam zou werpen op het bestuur dier stad, dat er een melaatse in was toegelaten. Van dezen man wordt gezegd, dat hij vol van melaatsheid was. Hij had die ziekte in hoge mate, hetgeen een des te juister voorstelling is van onze natuurlijke verontreiniging door de zonde, wij zijn vol van deze melaatsheid, van onzen hoofdschedel af tot de voetzool toe is er niets geheels in ons. Laat ons nu hieruit leren:
1. Wat wij te doen hebben ten opzichte van onze geestelijke melaatsheid.
a. Wij moeten Jezus zoeken, navraag naar Hem doen, ons met Hem bekendmaken, en de ontdekkingen, die het Evangelie ons doet van Christus, als de meest aangename en welkome ontdekkingen beschouwen, die ons gedaan kunnen worden.
b. Wij moeten ons voor Hem verootmoedigen, zoals deze melaatse, die, toen hij Jezus zag, op het aangezicht viel. Wij moeten ons schamen vanwege onze verontreiniging, en in de bewustheid er van, blozen, ons schamen om ons aangezicht voor den heiligen Jezus op te heffen.
c. Wij moeten vurig verlangen van die verontreiniging gereinigd te worden, genezen van de ziekte der zonde, die ons ongeschikt maakt om gemeenschap te oefenen met God.
d. Wij moeten vast geloven aan Christus' bekwaamheid en macht om ons te reinigen: Heere, Gij kunt m ij reinigen, hoewel ik vol ben van melaatsheid. Christus' verdienste en genade moeten niet in twijfel worden getrokken.
e. Wij moeten dringend zijn in ons gebed om vergevende en vernieuwende genade: Hij viel op het aangezicht en bad Hem. Zij, die gereinigd willen worden, moeten het als een gunst beschouwen, wèl waardig om er om te bidden.
f. Wij moeten ons aan den goeden wil van Christus aanbevelen: Heere! zo Gij wilt, Gij kunt mij reinigen. Dit is niet zozeer de taal van zijn schroom of mistrouwen in den goeden wil van Christus, als wel van zijne onderworpenheid aan den wil, den goeden wil van Jezus Christus.
2. Wat wij van Christus mogen verwachten, als wij ons aldus tot Hem wenden.
a. Wij zullen Hem meedogend vinden en gans bereid om kennis te nemen van onzen toestand, vers 13, Hij, de hand uitstrekkende, raakte hem aan. Toen Christus deze melaatse wereld bezocht, ongevraagd en ongebeden, toonde Hij hoe diep Hij zich kon neerbuigen om goed te doen. Zijn aanraken van den melaatse was een grote, neerbuigende goedheid, maar die goedheid is nog veel groter voor ons, als Hij medegevoel heeft met onze zwakheden. b. Wij zullen Hem zeer meedogend bevinden en bereid om ons te helpen. Ik wil, zei Hij, "twijfel daar nooit aan, die tot Mij komt om genezen te worden, zal Ik geenszins uitwerpen". Hij is gewilliger om melaatse zielen te reinigen, dan zij het zijn om gereinigd te worden.
c. Wij zullen Hem algenoegzaam bevinden, en machtig om ons te genezen en te reinigen, al zijn wij ook nog zo vol van deze afzichtelijke melaatsheid. Een woord, een aanraking van Christus bracht de zaak tot stand: terstond ging de melaatsheid van hem. Als Christus zegt: "Ik wil, word gerechtvaardigd, word geheiligd," dan is de zaak geschied, want Hij heeft macht om op aarde de zonde te vergeven, en macht om den Heiligen Geest te geven, 1 Corinthiërs 6:11.
3. Wat Hij eist van hen, die gereinigd zijn, vers 14. Heeft Christus Zijn woord uitgezonden en ons genezen? Dan moeten wij
a. Zeer ootmoedig zijn, vers 14 :Hij gebood hem, dat hij het niemand zeggen zou. Dit is geen verbod om het te zeggen tot eer van Christus, maar hij moet het niet zeggen tot zijn eigen eer. Zij, die door Christus genezen en gereinigd zijn, moeten weten dat Hij het gedaan heeft op zulk een wijze, als waardoor het roemen voor altijd wordt uitgesloten. b, Wij moeten zeer dankbaar wezen, en de Goddelijke genade dankbaar erkennen: Ga heen, vertoon uzelven den priester, en offer voor uwe reiniging. Christus eiste gene betaling van hem, maar wel dat hij het offer der dankzegging zou brengen aan God, zo ver was Hij er vandaan om Zijne macht te gebruiken ten nadele van de wet van Mozes.
c. Wij moeten ons stipt aan onzen plicht houden, ga tot den priester. Den man, dien Christus gezond heeft gemaakt, vond Hij in den tempel, Johannes 5:14. Zij, die door ziekte of beproeving verhinderd werden om den openbaren eredienst bij te wonen, moeten, als die verhindering is weggenomen, er zich met des te meer ijver heen begeven, en er des te meer getrouw aan deelnemen.
4. Christus' openbare dienstvaardigheid aan de mensen, en Zijn verborgen gemeenschapsoefening met God, dezen worden hier saamgevoegd, om aan elkaar glans en luister bij te zetten.
a. Hoewel niemand ooit zoveel genot vond in afzondering als Christus, bevond Hij zich toch dikwijls onder de menigte om goed te doen, vers 1 5. Hoewel de melaatse zwijgen moest, kon de zaak toch niet verborgen blijven, het gerucht van Hem ging te meer voort. Hoe meer Hij zich onder den sluier der nederigheid zocht te verbergen, hoe meer het volk Hem opmerkte, want eer is als een schaduw, die vliedt van hem, die haar najaagt-er is geen eer voor hem, die zijn eigen eer zoekt-maar degenen volgt, die haar afwijst. Hoe minder goeds de mensen van zich zelven zeggen, hoe meer anderen van hen zeggen zullen. Maar Christus achtte het een kleine eer voor zich, dat Zijn gerucht van Hem voortging, het was Hem veel groter eer dat hierdoor grote scharen er toe gebracht werden om door Hem beweldadigd te worden. Door Zijne prediking. Zij kwamen samen om Hem te horen en onderwijs van Hem te ontvangen betreffende het koninkrijk Gods. Door Zijne wonderen. Zij kwamen om door Hem genezen te worden van hun krankheden. Dat heeft hen gelokt om Hem te horen, dat heeft Zijne leer bevestigd en aanbevolen.
b. Hoewel niemand ooit in het openbaar zoveel goed gedaan heeft, heeft Hij toch tijd gevonden voor Godvruchtige afzondering tot gebed, vers 1 6. Hij vertrok in de woestijnen, en bad aldaar. Niet alsof Hij het nodig had om hetzij tegen afleiding of praalvertoning te moeten waken, maar Hij wilde ons een voorbeeld geven, daar wij het wel nodig hebben om onze gebedsoefeningen zo in te richten, dat wij tegen die beide verkeerdheden op onze hoede kunnen zijn. Wij zullen ook verstandig doen, als wij onze zaken zo regelen, dat ons openbaar werk en ons verborgen werk elkaar niet in den weg zijn. Het verborgen gebed moet in het verborgen geschieden, en zij, die nog zoveel te doen hebben in het beste werk der wereld, moeten daar toch altijd een bepaalden tijd voor afgezonderd houden.