Lukas 6:37-49
Al deze gezegden van Christus hebben wij tevoren in Mattheus gehad, sommigen er van in hoofdstuk 7, anderen in andere plaatsen. Het waren woorden, of gezegden, die Christus dikwijls gebruikt heeft, zij behoefden slechts uitgesproken te worden, dan was het gemakkelijk genoeg ze toe te passen. Hugo de Groot is van mening, dat wij hier niet vitachtig moeten zijn in het zoeken naar den samenhang of het verband, het zijn gouden volzinnen, zoals Salomo's spreuken. Laat ons hier opmerken:
I. Dat wij zeer billijk en onbevooroordeeld moeten zijn in ons laken van anderen, omdat wij zelf toegevendheid behoeven.
Daarom oordeelt anderen niet, want dan zult gij zelf niet geoordeeld worden, verdoemt anderen niet, want dan zult gij niet verdoemd worden, vers 37. Betracht jegens anderen die liefde, welke geen kwaad denkt, alle dingen verdraagt, alle dingen gelooft en hoopt, en dan zullen anderen die liefde ook jegens u betrachten. God. zal u niet oordelen en verdoemen, en de mensen zullen het niet. Zij, die barmhartig zijn over den naam van andere mensen, zullen bevinden dat anderen barmhartig zijn over hun naam.
II. Als wij van een gevende en vergevende gezindheid zijn, dan zullen wij zelf er het voordeel van genieten: Vergeeft, en u zal vergeven worden. Als wij de beledigingen vergeven, die anderen ons aangedaan hebben, dan zullen anderen ons onze onachtzaamheden vergeven. Indien wij den mensen hun misdaden tegen ons vergeven, dan zal God ons onze misdaden tegen Hem vergeven. En Hij zal niet minder den milddadige gedenken, die milddadigheden beraadslaagt: Geeft, en u zal gegeven worden, vers 38. God in Zijne voorzienigheid zal het u lonen, het is Hem geleend, en Hij is niet onrechtvaardig, dat Hij het zou vergeten, Hebreeën 6:10, maar Hij zal het terugbetalen. De mensen zullen het wedergeven in uwen schoot, want God maakt dikwijls gebruik van mensen als Zijne werktuigen, niet slechts om wraak te oefenen, maar om rechtvaardiglijk te belonen. Indien wij op de rechte wijze aan anderen geven, als zij het nodig hebben, dan zal God het hart van anderen neigen om ons te geven, als wij het nodig hebben, en dat wel mildelijk, een goede, neergedrukte en geschudde en overlopende maat. Zij, die overvloedig zaaien, zullen overvloedig maaien. Dien God beloont, beloont Hij overvloedig.
III. Wij moeten verwachten behandeld te worden zoals wij anderen behandelen, met dezelfde maat, waarmee gijlieden meet, zal ulieden wedergemeten worden. Zij, die hard handelen met anderen, moeten erkennen wat Adoni-Bezek erkend heeft, Richteren 1:7, namelijk dat God rechtvaardig is, als anderen hard met hen handelen, en zij kunnen verwachten in hun eigen munt betaalt te krijgen. Maar zij, die goedertierenlijk handelen met anderen, hebben reden te hopen, dat God hun vrienden zal verwekken als zij het nodig hebben, die goedertierenlijk met hen zullen handelen. Hoewel in de voorzienigheid niet altijd deze regel te bespeuren is, omdat de volledige en nauwkeurige vergelding bewaard wordt voor een andere wereld, kunnen wij er toch genoeg van zien om ons te weerhouden van alle daden van strengheid, en ons aan te moedigen in alle daden van goedertierenheid en liefde.
IV. Zij, die de leiding volgen van onwetenden en dwalenden, zullen naar alle waarschijnlijkheid met hen omkomen, vers 39 :Kan ook wel een blinde een blinde op den weg leiden? Kunnen de Farizeeën, die verblind zijn door hoogmoed, vooroordeel en dweepzucht, het blinde volk op den rechten weg leiden ? Zullen zij niet beiden in de gracht vallen? Hoe kunnen zij iets anders verwachten? Zij, die zich door de algemene denkwijze, de zeden en gewoonten dezer wereld laten leiden, zijn zelf blind, en worden door blinden geleid, en zullen omkomen met de wereld, die in duisternis is gezeten. Zij die onwetend en op goed geluk af de menigte volgen om kwaad te doen, volgen de blinden op den breden weg, die tot het verderf leidt.
V. Christus' volgelingen kunnen geen betere behandeling in de wereld verwachten, dan die hun Meester ondervonden heeft, vers 40. Laat hen zich niet voorstellen meer eer of genoegen in de wereld te zullen hebben, dan Christus gehad heeft, noch streven naar de wereldse pracht en grootheid, die Hij nooit begeerd heeft, maar steeds heeft afgewezen. Laat hen in wereldse aangelegenheden ook niet staan naar de macht, die Hij niet op zich heeft willen nemen, maar een iegelijk, die zich volmaakt een bevestigd discipel, wil tonen, moet wezen zoals zijn Meester was- dood voor de wereld en alles wat er in is, zoals zijn Meester dat geweest is. Laat hem een leven leiden van arbeid en zelfverloochening, zoals zijn Meester, en zich tot een dienstknecht stellen van allen. Laat hem zich neerbuigen, en arbeiden, en al het goed doen, dat hij kan, en dan zal hij een volslagen discipel zijn.
VI. Zij, die anderen bestraffen en zoeken te verbeteren, hebben er grotelijks belang bij om wel toe te zien, dat zij zelven onberispelijk zijn, onnozel en onstraffelijk, vers 41, 42.
1. Hun betaamt het slecht de fouten en gebreken van anderen te laken, die hun eigen fouten en gebreken niet kennen. Het is gans ongerijmd, dat iemand denkt zo scherp van gezicht te zijn, dat hij kleine gebreken in anderen kan ontdekken, zoals een splinter in het oog, als hij zelf zo ongevoelig en verstompt is, dat hij den balk in zijn eigen oog niet bespeurt.
2. Diegenen zijn gans ongeschikt om anderen te helpen zich te verbeteren, wier verbeterende liefde niet tehuis begint, dat is, met hen zelven. Hoe kunt gij uw broeder uw dienst aanbieden, om den splinter uit zijn oog te doen, waarvoor een goed oog nodig is, zowel als een goede, vaste hand, als gij een balk in uw eigen oog hebt, en er niet over klaagt?
3. Diegenen dus, die nuttig willen zijn voor de zielen van anderen, moeten eerst doen blijken, dat zij voor hun eigen ziel hebben gezorgd. Te helpen om den splinter uit te doen uit het oog uws broeders, is een goed werk, maar wij moeten er ons voor bekwaam maken door met ons zelven te beginnen, en dan zal de verbetering van ons leven door den invloed van ons voorbeeld er toe bijdragen, dat anderen hun leven beteren.
VII. Wij kunnen verwachten dat der mensen woorden en daden zijn naar dat zij zelven zijn, naar dat hun hart is, en naar dat hun beginselen zijn.
1. Het hart is de boom, en de woorden en daden zijn vruchten naar den aard van den boom, vers 43, 44. Indien iemand wezenlijk een goed man is, indien er een beginsel van genade is in zijn hart, en de heersende neiging zijner ziel naar God en den hemel is, dan zal hij, al brengt hij wellicht geen overvloedige vrucht voort, en al zijn sommige van zijne vruchten wellicht bedorven, en al is hij soms als een boom in den winter, toch geen kwade vruchten voortbrengen. Ofschoon hij u niet al het goed doet dat hij kan en moest, zal hij u toch in geen belangrijke zaak schaden. Indien hij geen slechte manieren kan verbeteren, zal hij toch geen goede manieren bederven. Indien de vrucht, die iemand voortbrengt, een kwade vrucht is, indien iemands vroomheid de strekking heeft om het gemoed te bederven, indien iemands wandel slecht is, indien hij een dronkaard of een hoereerder is, een vloeker of een leugenaar, indien hij in enigerlei opzicht onrechtvaardig en onnatuurlijk is, dan is zijne vrucht kwade vrucht, en gij kunt er van verzekerd wezen, dat hij geen goede boom is. Van den anderen kant: geen kwade boom brengt goede vruchten voort, al kan hij groene bladeren voortbrengen, want men leest geen vijgen van doornen, en men snijdt geen druif van bramen. Gij kunt, zo het u behaagt, vijgen op doornen steken en een tros druiven aan een braamstruik hangen, maar zij zijn niet het natuurlijk voortbrengsel van de bomen, en kunnen dat ook niet zijn, en evenzo kunt gij geen goed gedrag verwachten van hen, die een slechten aard hebben. Indien de vrucht goed is, dan kunt gij hieruit opmaken dat de boom goed is, indien de wandel heilig, hemelsgezind en ordelijk is, dan kunt gij, hoewel gij niet onfeilbaar het hart kent, toch in liefde hopen, dat het oprecht voor God is, want iedere boom wordt uit zijn eigen vrucht gekend. Maar een dwaas spreekt dwaasheid, Jesaja 32:6, en hierin komt de ervaring van heden overeen met het spreekwoord der ouden, dat van de goddelozen goddeloosheid voortkomt, 1 Samuël 24:14.
2. Het hart is de schat, en de woorden en daden zijn de voortbrengselen van dien schat, vers 45. Dit hadden wij in Mattheus 12:34, 35. De heersende liefde van God en Christus in het hart stempelt den mens tot een goeden mens. Zij verrijkt den mens, voorziet hem van een ruim fonds om ten voordele van anderen te gebruiken. Uit zulk een goeden schat kan een mens het goede voortbrengen. Maar waar de liefde tot de wereld en het vlees heersen, daar is een kwade schat in het hart, waaruit de kwade mens het kwade voortbrengt, en naar hetgeen voortgebracht is kunt gij weten wat er in het hart is, gelijk gij weten kunt wat er in het vat is, water of wijn, naar hetgeen er uitgeschept wordt, Johannes 2:8. Uit den overvloed des harten spreekt de mond, wat de mond gewoonlijk spreekt, spreekt met vermaak en verlustiging, komt in het algemeen overeen met hetgeen in het hart is, die uit de aarde is, spreekt uit de aarde, Johannes 3:31. Niet, alsof een goed man niet wel eens een slecht woord spreekt, of een slecht man niet wel eens een goed woord spreekt, als hij het kan aanwenden om een slechte zaak te bevorderen, maar meestal is het hart zoals de woorden zijn, ijdel of ernstig, daarom moet het onze zorg zijn dat ons hart vervuld worde, niet slechts met goed, maar met overvloed van goed.
VIII. Het is niet genoeg de woorden van Christus te horen, wij moeten ze doen, niet genoeg ons Zijne dienstknechten te bekennen, wij moeten ons ten nauwgezetten plicht stellen Hem te gehoorzamen.
1. Het is Hem beledigen als wij Hem Heere, Heere noemen, alsof wij Hem geheel en al ten dienste stonden, zo wij er ons niet van harte toe begeven Zijn wil te doen en de belangen van Zijn koninkrijk te dienen. Wij doen niets dan spotten met Christus, evenals zij, die in smadelijke minachting tot Hem zeiden: Wees gegroet, koning der Joden, als wij Hem zo dikwijls Heere Heere noemen en toch wandelen in de wegen van ons hart en de aanschouwing onzer ogen. Waarom noemen wij Hem in ons gebed Heere Heere, (vergel. Mattheus 7:21, 22) indien wij niet doen wat Hij zegt? Die zijn oor afwendt van de wet te horen, diens gebed zal een gruwel zijn.
2. Het is onszelf bedriegen, als wij denken dat een blote belijdenis van den Godsdienst ons zal behoeden, dat het horen van de woorden van Christus ons in den hemel zal brengen, als wij ze niet ook doen. Dit heldert Hij op door ene gelijkenis, vers 47-49, die aantoont a. Dat zij alleen zeker gaan voor de eeuwigheid en stand kunnen houden in tijden van beproeving, die niet slechts tot Christus komen als leerlingen en Zijne woorden horen, maar ze ook doen, die in alles spreken en handelen overeenkomstig de vastgestelde regelen van Zijn heiligen Godsdienst. Zij zijn als een huis, dat op een rots gebouwd is. Dat zijn zij, die zich moeite geven in den Godsdienst, evenals degenen, die op een rots bouwen, -die evenals zij, laag beginnen, diep graven, hun hoop vestigen op Christus, die de Rots der eeuwen is (en niemand kan een ander fundament leggen), dat zijn zij, die voorzien voor hiernamaals, die zich bereiden op het ergst, die zich zelven tot een schat een goed fundament wegleggen tegen het toekomende, voor de komende eeuwigheid, 1 Timotheus 6:19. Die alzo handelen, doen wel voor zich zelven, want in tijden van verzoeking en vervolging zullen zij vasthouden aan hun oprechtheid, wanneer anderen uitvallen van hun vastigheid, zoals het zaad op den steenachtigen grond, zullen zij staan in den Heere. Zij zullen temidden van de grootste moeilijkheden en benauwdheden hun vertroosting en vrede, hun hoop en blijdschap bewaren. De stormen en vloeden der beproeving zullen hen niet doen wankelen, want hun voeten zijn op een rots gesteld. Hun eeuwig welzijn is verzekerd. In den dood en het oordeel zijn zij veilig. De gehoorzame gelovigen worden in de kracht Gods bewaard door het geloof tot de zaligheid en zullen nooit omkomen.
b. Dat zij, die het laten blijven bij het blote horen der woorden van Christus. en er niet naar leven, zich een noodlottige teleurstelling bereiden: "Hij, die hoort en niet doet-die zijn plicht kent, maar hem veronachtzaamt-is gelijk een mens, die een huis bouwde op de aarde zonder fundament." Hij vleit zich met een hoop, waarvoor geen grond bestaat, en zijne hoop zal hem begeven als hij de vertroosting er van het meest nodig heeft, en als hij er de verwezenlijking van verwacht. Als de waterstromen heftig tegen zijn huis slaan, is het weg, het zand, waarop het gebouwd was, is weggespoeld, en terstond valt het. Zodanig is de hoop van den geveinsde, zij is als een huis der spin en de uitblazing der ziel.