Markus 1:40-45
Hier hebben wij het verhaal van Christus' reiniging van een melaatse, dat wij tevoren gehad hebben in Mattheus 8:2-4. Het leert ons:
1. Hoe ons tot Christus te wenden. Kom zoals deze melaatse
a. Met groten ootmoed. De melaatse kwam biddende, en vallende voor Hem op de knieën, vers 40, hetzij Hem Goddelijke eer bewijzende, of wellicht een minderen graad van eerbied als aan een groot profeet. Hoe dit zij, het leert ons dat zij, die genade en barmhartigheid van Christus wensen te verkrijgen, Hem eer en heerlijkheid moeten toeschrijven, en Hem met ootmoed en eerbied moeten naderen.
b. Met een vast geloof in Zijne macht. Gij kunt mij reinigen. Hoewel het uitwendige voorkomen van Christus gering en onaanzienlijk was, toch had deze melaatse dit geloof in Zijne macht, waarin tevens zijn geloof lag opgesloten, dat Hij van God gezonden was. Hij gelooft dit niet slechts in het algemeen, Gij kunt alles, maar met bijzondere toepassing: Gij kunt mij reinigen. Wat wij geloven omtrent Christus' macht moeten wij toepassen op ons bijzonder geval, onzen bijzonderen nood. Gij kunt dit voor mij doen.
c. Met onderworpenheid aan den wil van Christus, Heere, indien Gij wilt. Niet alsof hij twijfelde aan Christus' bereidwilligheid in het algemeen om hen, die in nood zijn, te helpen, maar met de bescheidenheid, die een armen smekeling voegt, legt hij zijn eigen geval voor Hem bloot.
2. Wat wij van Christus moeten verwachten: dat ons zal geschieden naar ons geloof. Zijn verzoek is niet gekleed in den vorm van gebed, toch heeft Christus het ingewilligd. Een hartelijke belijdenis van geloof in Christus en onderworpenheid aan Zijn wil zijn de meest overmogende gebeden om genade van Hem, en zullen voorzeker verhoord worden.
a. Christus was met barmhartigheid innerlijk bewogen. Dit wordt hier, in Markus, er bijgevoegd om te tonen, dat Christus' macht door Zijn medelijden wordt aangewend tot hulp en verlichting van arme zielen, dat Zijne redenen voortvloeien uit Hem zelven, en wij in ons niets hebben, dat ons in Zijne gunst aanbeveelt, maar dat onze ellende ons het voorwerp maakt van Zijne barmhartigheid. En wat Hij voor ons doet, doet Hij met alle mogelijke tederheid.
b. Hij strekte de hand uit en raakte hem aan. Hij oefende Zijne macht uit, en richtte haar tot dit schepsel. Als Christus zielen geneest raakt Hij ze aan, 1 Samuël 10:26. Als de koning iemand aanraakt voor het koningszeer, dan zegt hij: Ik raak aan, God geneest , maar Christus raakt aan en geneest.
c. Hij zei tot hem: Ik wil, word gereinigd. Christus' macht werd uitgeoefend in en door een woord, om aan te duiden op wat wijze Hij gewoonlijk geestelijke genezingen zou werken. Hij zendt Zijn woord uit en heelt, Psalm 107:20, Johannes 15:3, 17:17. De arme melaatse zei: Indien Gij wilt, maar die twijfel is spoedig bij hem opgeheven. Ik wil. Christus wil zeer geredelijk gunsten bewijzen aan hen, die zich aan Zijn wil onderwerpen. Hij was overtuigd van Christus' macht, Gij kunt mij reinigen, en Christus wil tonen, hoe grotelijks Zijne macht in werking wordt gebracht door het geloof Zijns volks, en daarom spreekt Hij het woord als machthebbende. Word gereinigd. En met dit woord ging kracht van Hem uit, en de genezing werd terstond tot stand gebracht. De melaatsheid ging terstond van hem, en er bleef geen spoor van overig, vers 42.
3. Wat wij te doen hebben, als wij barmhartigheid van Christus verkregen hebben. Met Zijne gunsten moeten wij ook Zijne bevelen ontvangen. Toen Christus hem had genezen, heeft Hij hem strengelijk verboden. Het is een veelbetekenend woord, dat hier gebruikt wordt, embrimêsamenos - verbiedende met bedreiging. Ik ben geneigd te denken, dat dit niet ziet op het bevel, dat Hij hem gaf tot geheimhouding, vers 44, want dat wordt afzonderlijk gegeven, maar dat dit een bevel was gelijk aan dat, het welk Hij den zieke had gegeven, dien Hij had genezen in Bethesda, Johannes 5:14, Zondig niet meer, opdat u niet wat ergers geschiede, want de melaatsheid was gewoonlijk ene straf over sommige bijzondere zondaren, zoals in het geval van Mirjam, Gehazi en Uzzia. Nu Christus hem genezen had, waarschuwt Hij hem, dreigt Hij hem met de rampzalige gevolgen er van, indien hij tot zijne zonde terugkeerde. Hij beval hem ook zich den priester te vertonen, opdat de priester door zijn eigen oordeel omtrent den melaatse een getuige voor Christus zou zijn, dat Hij de Messias is, Mattheus 11:5. Totdat hij dit gedaan had, mocht hij aan niemand iets zeggen. Dit is een voorbeeld van de nederigheid van Christus en van Zijne zelfverloochening, dat Hij niet Zijn eigen eer zocht, niet schreeuwde, of Zijne stem op de straat liet horen, Jesaja 42:2. En het is een voorbeeld voor ons, om onze eigen eer niet te zoeken. Hij moest het niet bekendmaken' omdat dit de menigte volks, die Christus volgde, zeer zou doen toenemen, en Hij vond die nu reeds te groot. Niet alsof Hij niet gaarne aan allen goed deed, aan zo velen, als er slechts kwamen, maar Hij wilde dit doen met zo min mogelijk gerucht en geraas, wilde gene ergernis geven aan de overheid, den openbaren vrede niet verstoren, niets doen dat naar vertoon of ophef zweemde, of de toejuiching des volks zou uitlokken. Wat er van te denken, dat de melaatse vele dingen begon te verkondigen en dat woord te verbreiden, weet ik niet. Het verbergen of bedekken van het goede karakter en de goede werken van Godvruchtigen betaamt hun beter dan aan hun vrienden, ook is het bevel der nederigheid van nederige mensen niet altijd bindend voor ons. De melaatse had zijne orders moeten opvolgen, toch was het ongetwijfeld met een goede bedoeling, dat hij zijne genezing bekend maakte, en het had ook geen ander slecht gevolg, dan dat het de schare, die Christus volgde, deed toenemen, en dat wel in zo grote mate, dat Hij niet meer openbaar in de stad kon komen, niet vanwege vervolging, dat gevaar bestond toen nog niet, maar omdat de volksmenigte zo groot was, dat de straten haar niet konden bevatten, hetgeen Hem noodzaakte uit te gaan buiten in de woeste plaatsen, naar een berg, Hoofdstuk 3:13, naar den oever der zee, Hoofdstuk 4:1. Dit toont aan hoe nuttig het voor ons was, dat Christus zou weggaan en den Trooster tot ons zou zenden, want Zijn lichamelijke tegenwoordigheid kon slechts in ene plaats, op een tijd zijn, en zij, die van alle kanten tot Hem kwamen, konden niet in Zijne nabijheid komen. Maar door Zijn geestelijke tegenwoordigheid is Hij met Zijn volk, waar zij zich ook bevinden, en naar alle kanten komt Hij nu tot hen.