7. En zij, die zonder zonde had ontvangen (
Psalm 51:7) baarde ook zonder de barensweeën, die de vrouw zijn opgelegd (
Genesis 3:16), haar eerstgeboren (
Mattheus 1:25) Zoon en wond Hem met eigen hand in doeken, omdat geen vrouwelijke persoon haar behulpzaam ter zijde stond en legde Hem neer in de kribbe van de stal waarin zij verblijf hielden, omdat voor hen geen plaats was in de herberg.
Populaire uitleggingen van de kerkgeschiedenis maken in de regel de uitdrukking "herberg" tot een logement op dezelfde manier als bij ons. "In Bethlehem bestond ook zo'n herberg" schrijft Nebe, "maar de plaats was zo overstroomd met gasten, dat het moeilijk was een onderkomen te vinden. Voor geld is echter veel mogelijk en wanneer Jozef veel had kunnen betalen, zou er voor Maria wel een hoekje gevonden zijn; maar juist aan geld ontbrak het. " Dezelfde opvatting schijnt Luther gehad te hebben: "Zij moesten voor ieder ruimen, totdat zij naar een stal werden verwezen, terwijl menig boos mens in het logement bovenaan heeft gezeten; " en Bengel maakt de opmerking: "Ook heden is voor Christus zelden een plaats in herbergen. " Nu zijn eigenlijke herbergen, wier bezitters vreemdelingen voor geld opnemen, aan de hele oudheid vreemd. Men had 18:22) alleen karavanserais van grotere en kleinere omvang, hoogstens kon aan zo een worden gedacht en de zaak zo worden voorgesteld, als het vaak voorkomt, dat bij een grote samenvloeiing van reizigers, zij, die later komen, nog slechts in de ruimte voor paarden, ezels en muilezels een onderkomen vinden. Intussen wijst het woord in de grondtekst niet op zo'n openbare herberg (pandoceion Hoofdstuk 10:34), maar op een private herberg (cataluma Hoofdstuk 22:11) en afgezien daarvan dat openbare herbergen alleen in woestijnen en onbewoonde plaatsen waren, is zo'n karavanserai volstrekt geen plaats voor een geboorte, zo'n profane plaats zou Jozef zeker niet hebben opgezocht. Wij zijn daarom genoodzaakt, aan het privaat huis van een gastvriend te denken en dan zou men zich de zaak ongeveer zo kunnen voorstellen, als wij in een leerrede lezen: "Slechts het minste van gastvriendschap werd aan die beiden ten deel, ongeveer zoals men heden op het land aan rondreizende bedelaars een stal of een schuur als bed aanwijst. Zo werd de Koning van de ere vernederd door Zijn knechten, door Zijn broeders op de legerplaatsen van dit leven, dat alleen onder de dieren nog een plaatsje voor Hem over bleef. Hij moest Zich als het ware op de voetbank van alle anderen neerzetten, uit de verblijfplaats van verstandeloze dieren moest de zon van de verduisterde geesten opgaan. Hij vond nauwelijks een plaats om te staan, terwijl Hij als Geneesheer van de hemel in ons midden trad om ons van het verderf van de doods te redden. En zo is het steeds herhaald bij Zijn geestelijke komst in de wereld en in de harten tot op de huidige dag. Bijna drie eeuwen lang vonden Zijn belijders geen andere plaats in de hele beschaafde wereld van de Romeinen en Grieken, dan in ellendige hutten en holen en vaak genoeg moesten zij in de woestijnen vluchten tot de dieren om veiligheid te vinden tot hun gebeden en lofzangen voor de woede van hun vervolgers. Maar nog sterker en bedroevender moet het ons aangrijpen wanneer wij zien hoe de Heere ook onder ons uit vele huizen, uit vele harten verdrongen wordt, zodat Hij slechts hier en daar nog, slechts na lang vergeefs zoeken en dan nog hoogst gebrekkig, een herberg vindt. Hoe velen wijzen Hem voorbij aan de gesloten deur van hun huiselijk leven, aan de gegrendelde ingang van hun hart en willen Hem in Zijn woord en Geest met Zijn vredegroet niet opnemen! Waar ligt de bijbel in menig huis? Verdrongen op de slechtste plaats, op de benedenste plaats van ijdele boeken of van nietigheden van kleding en huisraad. Waar vindt bij menigeen het gebed zijn plaats, hoewel al de belofte bij de belijdenis van het geloof is afgelegd? Op het bed in de sluimering, als men `s morgens en `s avonds half slaapt en half waakt. Wanneer wordt de naam van de Heere door vele huisvaders beleden? Misschien dan als een brand hun huis in as heeft gelegd en misschien alleen een stal voor hun verblijf over is, of in de bitterste ogenblikken van een ongeluk dat hen getroffen heeft; in zulke smartelijke uren, wanneer ook de stenen zouden kunnen beginnen te schreien. Wat denken velen van hun bekering tot God, van hun wedergeboorte tot het nieuwe leven? Dan willen zij zich eens van harte tot de Heere wenden en de ijdelheid en de dienst van de zonde vaarwel zeggen, dan misschien en, wanneer het overigens niet zou kunnen, dan, als hun leven nog maar als een dof nachtlichtje brandt en in de brekende tabernakel van hun verstorven lichaam flikkert. " Hoe voortreffelijk echter deze voorstellingen op zichzelf zijn, wij kunnen het toch met de daaraan ten grondslag liggende opvatting van het voorgevallene niet eens zijn. Het is toch nauwelijks te geloven dat Jozef van zijne kant bij een vriend zodanige opname zou hebben begeerd, wiens huis hij al met andere gasten zag vervuld en dat de gastheer weer zo weinig zou hebben gelet op de toestand van Maria en haar de stal zou hebben aangewezen, in plaats van elders een onderkomen mogelijk te maken. Wanneer nu naast deze ook nog een andere opvatting wordt voorgedragen, namelijk dat de gastheer, waartoe de heilige familie haar toevlucht nam, een van de arme en geringe mensen was, die niets konden aanbieden dan een hut van die soort waarin de afscheiding tussen stal en huis, tussen de woonplaats voor mensen en voor het vee niet scherp gemaakt was en dat onder zulke omstandigheden voor Maria in haar weeën niets anders overbleef dan om zich in het vertrek in de stal als in een kamer terug te trekken, dan kan ook dit ons niet zo bevredigen, dat wij deze mening als de onvoorwaardelijk juiste zouden kunnen aanbevelen; want de woorden van de Evangelist zeggen uitdrukkelijk: "Er was voor hen gene plaats in de herberg" en dan moet duidelijk de stal met zijn kribbe als een bijzondere plaats van de herberg worden onderscheiden. Er blijft ons dus niets over dan de uitdrukking "herberg" in collectieve zin te nemen, om alle bijzondere huizen aan te wijzen waarin Jozef volgens de gewone orde van zaken met zijn vrouw een onderkomen had kunnen zoeken. Daar was voor haar in haar bijzondere omstandigheden geen plaats, omdat men niet gereed op gastvrijheid aanspraak maakt, als een ontbinding zo nabij is en bovendien ieder gastheer al door gasten, die hij moest herbergen, was bezocht. Jozef kwam ten gevolge van de manier waarop hij met zijn hoog zwangere vrouw had moeten reizen (Genesis 33:13, ) als achterblijver in Bethlehem. Hij zag daar natuurlijk af van een woning onder mensen; hij voelde dat voor hen daar geen plaats was, waar hij anders wel zijn herberg zou hebben gevonden en waar hem later onder veranderde omstandigheden werkelijk zo een ten deel werd (Mattheus 2:11). Hij zocht integendeel een plaats zoals hij die voor zijn vrouw nodig had; afgezonderd van het gewoel van de mensen en van de grote menigte te Bethlehem. Zo'n plaats had Gods voorzienigheid al voor hem gereed gemaakt: een spelonk, die gewoonlijk gedurende de wintertijd voor veestal diende, op bijzondere wijze echter in dit jaar leeg stond, terwijl het vee op het open veld daarbuiten weidde en overnachtte. Daarheen ging de heilige familie en zozeer beschouwt de Evangelist deze plaats als de natuurlijke, die haar nu eenmaal toekwam en ook al toegerust was, dus enigermate als een plaats die vanzelf sprak, dat hij haar ons dadelijk in deze voorstelt: "Zij legde Hem neer in de kribbe" en pas daarna een verklaring geeft: "Er was voor hen geen plaats in de herberg. " Wat nu deze plaats zelf betreft, zo moeten wij aan de ene kant opmerken dat in Palestina, dat al van nature een land van spelonken is, zoals weinige andere landen van de aarde, de mens sinds oude tijden het getal van deze grotten nog heeft vermeerderd, of de natuurlijke omvang nog heeft vergroot, zodat men op vele plaatsen nog heden de huizen zo aan de rotsen gebouwd ziet, dat de holen van deze deels voor kamers, deels voor veestallen konden dienen. De kerkelijke traditie heeft dus wel niet misgetast wanneer zij ook de stal, waarin Christus werd geboren, in zo'n spelonk van Bethlehem heeft gezocht, waarbij haar de plaats Jesaja 33:16 misschien voor ogen zweefde. Maar aan de andere kant, terwijl gewoonlijk de kudden zich slechts van Maart tot het begin van November in de vrije lucht ophielden, kan het in het geboortejaar van Christus bijzonder zacht weer geweest zijn. Zeer vaak, zo niet altijd, behoort nog tegenwoordig in Palestina deze tijd tot de liefelijkste van het hele jaar, vooral in de landstreek bij Bethlehem 9:5). En wie zal loochenen dat de Vader in de hemel, omdat nu Zijn Zoon als een mens op aarde moest worden geboren en daarvoor te minder een plaats was in de herberg, als juist deze geboorte een mysterie blijven moest voor de ogen van het vlees, voor Hem een plaats vrij maakte in de stallen, omdat Hij een weersgesteldheid liet komen die tot het uitdrijven van het vee uitlokte? Misschien was nu die spelonk, waarin Jozef en Maria een onderkomen zochten en vonden, dezelfde waaruit de herders op het veld, waarvan wij later horen, kort te voren hun kudden hadden uitgevoerd. Zonder hun weten en willen werden zij zo de gastheren van de heilige familie en toen zij later tot elkaar zeiden: "Laat ons dan heengaan naar Bethlehem en zien wat er gebeurd is, " dachten zij niet dat de Heere Zijn heilige Christus bij henzelf geborgen had. Op welke plaats de traditie Christus' geboorteplaats heeft bepaald, hebben wij al bij Ruth 1:22 uitgelegd; wij mogen echter om Mattheus 2:11 niet op dezelfde plaats het toneel van de aanbidding van de Wijzen uit het Oosten stellen, zoals de traditie doet. Toen later, snel na de geboorte van het kind, Jozef zijn eigen naam en die van zijn vrouw en van haar pasgeborene op de beschrijvingslijsten liet optekenen, had de argwanende koning Herodes er makkelijk achter kunnen komen dat degene voor wiens verschijning hij vreesde (1 Makk. slotwoord Nr. 11 d. ) nu werkelijk gekomen was; hij had slechts een beter begrip van de Schrift en van haar voorspellingen moeten hebben en niet zozeer de armoede en geringheid van het huis en het geslacht van David moeten aanzien. Maar juist deze armoede en nederigheid hield hem de ogen toe, zodat het niet openbaar werd wat in die dagen gebeurd was en zijn onbekendheid met de Schrift (Mattheus 2:3, ) maakte hem helemaal blind voor zaken, wier kennis hem onmiddellijk werd voorgehouden. Zo is het vaak in de geschiedenis van het rijk van God. Hun ongeloof en hun onkunde over geestelijke zaken, hun verachting van God en van Zijn wegen maakt de ogen van Christus' tegenstanders blind en hun handen en voeten lam, zodat zij niet op de juiste tijd kunnen ingrijpen om het werk van de Heere te verhinderen of te vernietigen. Dit komt altijd pas tot hun werkelijke kennis, als het al te laat is.
Over de plaats, door de traditie aangewezen als geboorteplaats van Jezus, schrijft J. Westrik ons: "Wij namen ieder een kaars, die wij aanstaken en daalden af in de grot van de geboorte van Christus. De grot in bijna 40 voet lang, wordende de stal en de kribbe hier aangewezen. De wanden en de bodem zijn belegd met marmer, zij wordt verlicht door Latijnse, Griekse en Armeniaansche lampions, die men herkent aan de verschillende kleuren van licht, want de grot behoort aan alle Christelijke kerkgenootschappen. Een wit marmeren steen, met een zilveren stralenkrans helder verlicht, wijst de plek van Jezus' geboorte aan, dragende ten opschrift: Hic de Virgine Maria Jezus Christus natus est, d. i. : Hier is Jezus Christus uit de maagd Maria geboren. Op enige stappen van die steen is de zogenaamde kribbe van wit marmer. De beelden en bloemen, het marmer en de ornamenten in deze grot waren voor mijn gevoel in schreeuwend contrast met het eenvoudig verhaal van Jezus geboorte in de Evangeliën!"
In welke kommervolle omstandigheden ziet zij zich geplaatst! Zij is verstoken van wat haar, was zij slechts in haar eigen woning, zo zeer tot hulp kon zijn; zij is ver ook van bloedverwanten en geliefden, die zo graag zich haar ter dienst zouden stellen. Zij ziet zich omringd door vreemdelingen, die niet de minste kennis dragen van al wat haar ziel vervult en wellicht, als zij er mee bekend geweest waren, voor wat haar heilig was geen eerbied zouden hebben getoond. Maar de God van haar heil is ook in die stad haar nabij. Hij wijkt niet van haar, maar ondersteunt haar met de bemoedigende en vertroostende kracht van Zijn beloften. En de man, die Hij verbood haar te verlaten, blijft trouw aan haar zijde, als was hij haar ter beschermengel gegeven. Ja, nederig en behoeftig mogen de omstandigheden zijn waarin Maria verkeert bij de geboorte van haar Zoon, een kribbe, waarin de beesten normaliter hun voedsel ontvangen, mag de enige rustplaats wezen waarover zij voor haar kind mag beschikken, toch is zij rijk, ja, onuitsprekelijk zalig. Zij, de dienstmaagd van de Heere, wordt de moeder van Zijn eengeboren Zoon, van Hem, in Wie zij door het geloof haar Heiland aanschouwt. Wat armoede voor Maria, zij is rijk in Hem. Wat vreemdelingschap op aarde, haar ziel ademt hemelse vreugde. God heeft Zijn belofte waarheid gemaakt, God is haar nabij geweest in haar bange uren. Zijn naam zij geloofd, Moeders! uw geluk, bij het aanschouwen van uw eersteling was onbeschrijfelijk groot, maar de moedervreugde van deze Maria gaat de uwe zeker nog ver te boven, want wat haar Zoon is, mag zij blij haar Zaligmaker noemen. Daar wordt Jezus geboren. Jezus de Zoon van God, in menselijk vlees en, een kribbe, met misschien een hand vol stro en een beetje windsels, is al de rijkdom waarmee de aarde Hem ontvangt. Dat mocht waarlijk wel anders! zo roept u, Geliefden! met mij uit. Het kostbaarste moest hier niet te kostbaar en het rijkste niet te rijk zijn geacht. Maar toch zouden er op aarde een paleis en een samenstel van toebereidselen voor de geboorte van een doorluchtig kind gereed te vinden zijn geweest, Hem, de Zoon van God waardig ter woonstede, ter rustplaats? Is er voor Jezus dan rijkdom en grootheid op aarde te vinden, voor Hem, die de hemel van Zijn heerlijkheid verliet en op een zondige aarde kwam leven en strijden en sterven. Moest Zijn geboorte in die geringe omstandigheden niet juist een krachtvol getuigenis heten tegen de vergankelijke grootheid van de aarde, tegen die begeerlijkheid van het vlees en die begeerlijkheid van de ogen en die grootsheid van het leven, die niet uit de Vader zijn, terwijl Hij wel is uit de Vader! Ja, Zijn kribbe moest het al prediken: Mijn koninkrijk is niet van deze wereld! Die kribbe moest al getuigen dat Hij arm geworden was om arme zondaren rijk te maken, niet naar de wereld, maar in hun God! Van die onaanzienlijke omstandigheden waarin Hij geboren wordt, mag ook het gevolg zijn dat Zijn intrede in het leven bijna door niemand wordt opgemerkt, God verlangt ook voor Zijn Zoon de hulde van de groten der aarde niet. Nee, liever bezingen de engelen van God Zijn welbehagen in mensen, geopenbaard in de geboorte van de Vredevorst. Die troongeesten, zij zijn de verkondigers van wat daar is gebeurd in Bethlehems stal. Nog een kleine tijd en wie God liefhebben en de verlossing van Israël verwachten, omringen de kribbe, waarin Maria's eersteling rust en staren vol heilige eerbied en ootmoedig geloof op Gods mens geworden Zoon.
Tussen de schijn en het wezen van een gebeurtenis was wel nooit het verschil òf aanmerkelijker òf merkwaardiger dan bij die, welke wij opgetekend vinden in het begin van het tweede Hoofdstuk van het Evangelie naar de beschrijving van Lukas. In de eerste zeven verzen schijnt niemand groter dan die keizer Augustus, die een bevel kon uitvaardigen dat de hele wereld beschreven zou worden; niemand geringer dan Hij, als kind in de herberg afgewezen, in een stal ter wereld gebracht, neergelegd in de kribbe. Lees twee regels verder: de hemelen ontsluiten zich, Gods engelen dalen en dat Kind wordt met namen genoemd, die aan aarde en hemel het teken geven tot verblijding, tot lofgezang, tot aanbidding. Waar is nu de troon van Augustus? waar is nu die wereld waaraan hij bevelen gaf? Die troon is verzonken, die wereld is uiteengespat. Maar de wereld oneindig groter dan deze, schaart zich om een troon, oneindig heerlijker dan de zijne en op deze zit in eeuwigheid, op deze zit "altijd vermeerderaar van het Rijk, " - het Kind onder zijn heerschappij geboren en nooit door hem gekend, het Kind in doeken gewonden en neergelegd in de kribbe. Tot op de geboorte van dit Kind is de geschiedenis van de mensheid de geschiedenis geweest van een hier beschaafder, daar barbaarser Heidendom, omtastend naar een God die Zich in Zijn schepping overal liet zien, maar van wie het zich, op wegen van zonde, altijd verder verwijderde, de waarheid veranderende in leugen, de waarheid in ongerechtigheid ten onder houdend; overgegeven in een verkeerde zin. En midden door deze slingert zich dun, maar onverbrekelijk de gouden draad van de geschiedenis van een geslacht, van een volk, door de God van de hemels op bijzondere wijze onderwezen en verlicht en daarin alleen bevoorrecht dat Hij het Zijn openbaringen heeft toevertrouwd, de geschiedenis van het volk van de aanneming tot kinderen, van de Godverschijningen en de Verbonden, de geschiedenis van het volk van de wetgeving, van de tabernakeldienst en van de beloften. Uit dit volk is het Kind, in doeken gewikkeld, liggend in de kribbe. Maar de geschiedenis van dit Kind wendt de geschiedenis van dit volk, wendt de geschiedenis van alle volken, maakt van de geschiedenis van de mensheid een nieuw geheel. Wat dit Kind zijn zal, of zij het zullen aannemen of verwerpen, gehoorzaam of ongehoorzaam zijn, daarvan hangt sinds dit ogenblik het lot van alle volken af. Ontwikkeling, beschaving, verlichting, geluk en in hun ongeluk een onuitputtelijke bron van vertroosting; het is voortaan voor hen allen, maar het is niet dan door Hem. Dit Kind is een nieuw beginsel in ieders geschiedenis; het verandert ieders zeden, ieders gezicht, van Zijn geboorte begint de mensheid, de oude eeuwen vergetend, jaren en tijden van een nieuw, een beter leven te hebben. Haar geschiedenis is voortaan geen andere dan die van de uittreding van Zijn geestelijke heerschappij, waaraan alles dienstbaar is en haar schoonste verwachting - want nu heeft zij schone verwachtingen - is de voltooiing van Zijn geestelijk rijk.
Jezus is Zaligmaker en Hij kan het zijn, want Hij is de Christus, ja zelfs, Hij is de Heere, Hij is onze Jehovah God; onze Verbondsgod, de Almachtige, de Alwetende, de Waarachtige, de Getrouwe. U hebt een God tot Zaligmaker. God is geopenbaard in het vlees, het Woord is vlees geworden. Daarom verblijdt u in zo'n krachtige, algenoegzame, volkomen Zaligmaker. Twijfel nooit aan Zijn macht om te helpen; u zou Hem daarmee krenken. Geen geestelijke nood zo groot of Jezus kan er uit helpen, geen schuld zo zwaar of Jezus kan er u van verlossen. Jezus wil zondaars zalig maken, dat bewijst Zijn komst op aarde en Zijn vrijwillige vernedering; en wat Hij wil, kan Hij ook, want de Almachtige Jezus is ook de Alwetende die al uw noden kent en weet wat u dienstig is in de weg van uw verlossing. Jezus is ook de Getrouwe, die volhardt in Zijn liefde en niet laat varen het werk van Zijn handen. Daarom, o arme, ellendige mens, verblijd u in zo'n kostbaar geschenk, God tot uw Zaligmaker te hebben, waardoor u verlost kunt worden van de eeuwige verdoemenis en van alle banden van de dood, om te worden in Jezus een geredde van de dood, een verloste van alle ellende, een kind van God en een erfgenaam van de eeuwige heerlijkheid, die Christus voor de Zijnen bereid heeft, om die te bezitten als een hemels Kanaän, waaraan wij niets gearbeid hebben, maar enkel uit vrije genade door de ontfermingen van God in onze Heere Jezus Christus. (PLOOS VAN AMSTEL).