Mattheus 2:1-8
Het was een teken van vernedering, aan den Heere Jezus gesteld, dat Hij, hoewel Hij de Wens aller Heidenen is, toch bij Zijne komst in de wereld weinig opgemerkt was, er werd, zoals men zegt, weinig notitie van Hem genomen. Zijne geboorte was onbekend, er werd geen acht op geslagen. Hierin heeft Hij zich ontledigd en zich zelven vernietigd. Als de Zone Gods in de wereld moest gebracht worden, zou men met recht hebben kunnen verwachten, dat Hij met het grootst mogelijke ceremonieel ontvangen zou worden, dat onmiddellijk kronen en scepters aan Zijne voeten zouden worden gelegd, en dat de hoge en machtige vorsten der wereld Zijne nederige dienaren zouden zijn geweest. Zulk een Messias hebben de Joden verwacht, maar niets van dit alles zien wij, Hij is in de wereld gekomen, en de wereld heeft Hem niet gekend, ja wat meer is: Hij is gekomen tot het Zijne en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Want, op zich hebbende genomen om voldoening te geven aan Zijn Vader voor het onrecht, dat Hem in Zijne ere door de zonde des mensen was aangedaan, heeft Hij dit gedaan door zich zelven te verloochenen in, en zich zelven te beroven van, de ere, die Hem ongetwijfeld als God, verschenen in het vlees, toekwam. Evenwel, gelijk naderhand, zo zijn ook bij Zijne geboorte enkele stralen van het licht Zijner heerlijkheid door de duisternis van Zijne grootste vernedering naar buiten doorgebroken. Hoewel er een verbergen was van Zijne sterkte, zo had Hij toch hoornen genoeg aan Zijne hand. Habakuk 3:4, om de wereld, en inzonderheid de Joden, wegens hun stompzinnigheid te veroordelen. De eersten, die na Christus' geboorte acht op Hem gaven, waren de herders Lukas 2:15, enz. die heerlijke dingen omtrent Hem hoorden en zagen, en ze alom bekend maakten, tot verbazing van allen, die ze hoorden, vers 17 en 18. Daarna hebben Simeon en Anna door den Geest van Hem gesproken tot allen, die acht wilden geven op hetgeen zij zeiden, Lukas 2:38. Nu zou men zo denken, dat deze wenken door de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem ter harte genomen zouden worden, en dat zij den lang verwachten Messias met beide armen zouden hebben omhelsd, maar voor zoveel blijkt, is Hij nog bijna twee jaren te Bethlehem gebleven, en er werd niet verder notitie van Hem genomen, totdat deze wijzen uit het Oosten kwamen. Zij, die op de dingen geen acht willen geven, zullen door niets opgewekt of wakker geschud kunnen worden. O hoe ontzettend groot was de stompzinnigheid dier Joden! Niet minder groot is zij bij velen, die zich Christenen noemen! Merk op:
I. Wanneer dit onderzoek omtrent Christus werd ingesteld. Het was in de dagen van den koning Herodes. Deze Herodes was een Edomiet, die door Augustus en Antonius, de toenmalige voornaamste beheersers van den Romeinsen staat, tot koning over Judea was aangesteld. Hij was een man, wiens karakter bestond uit valsheid en wreedheid, en die toch den vleienden titel van Herodes de Grote ontving. Christus was geboren in het vijf en dertigste jaar zijner regering, en hierop wordt de aandacht gevestigd om aan te tonen, dat de scepter nu van Juda was geweken, en de wetgever van tussen zijne voeten, en daarom was het nu voor den Silo de tijd om te komen en tot Hem zullen de volken vergaderd worden: getuigen deze wijzen uit het Oosten, Genesis 49:10.
II. Wie en wat deze wijzen waren: zij worden hier Magi genoemd. Sommigen nemen dit in goeden zin, de Magi onder de Perzen waren hun wijsgeren en priesters: ook wilde men onder hen niemand als hun koning erkennen, die niet eerst tot de Magi had behoord. Anderen zijn van mening, dat zij zich met ongeoorloofde kunsten bezig hielden, het woord wordt ook gebruikt voor Simon den tovenaar (Handelingen 8:9, 11), en voor Elymas den tovenaar (Handelingen 13:6), ook wordt het in de Schrift in gene andere betekenis gebruikt, en zo was het dus reeds vroeg een voorbeeld en voorteken van Christus' overwinning over den duivel, toen zij, die zulke ijverige vereerders en aanhangers van hem geweest zijn, tot de vroegste aanbidders van het Kind Jezus hebben behoord, zo spoedig reeds werden de zegetekenen opgericht van Zijne overwinning over de machten der duisternis. Welke soort van wijzen dezen nu ook vroeger geweest mogen zijn, nu begonnen zij inderdaad wijs te worden, toen zij er zich toe begaven om een onderzoek naar Christus in te stellen. Zeker is:
1. Dat zij Heidenen waren, niet behorende tot het burgerschap Israël's. De Joden sloegen geen acht op Christus, maar deze Heidenen zochten en vonden Hem. Dikwijls zijn zij, die zich het dichtst bij het middel bevinden, het verst verwijderd van het doel. Zie hoofdstuk 8:11, 12. De eerbied, door deze Heidenen aan Christus betoond, was een gelukkig teken en voorbeeld van hetgeen volgen zou, als zij, die verre waren, door Christus nabij gebracht zullen worden.
2. Dat zij geleerden waren. Zij beoefenden kunsten, merkwaardige kunsten, grote geleerden moeten grote Christenen zijn, en dan eerst vervolledigen zij hun geleerdheid, als zij Christus leren kennen.
3. Dat zij Oosterlingen waren, die bekend stonden wegens hun waarzeggerij, Jesaja 2:6. De geschenken, welke zij brachten, waren voortbrengselen van dat land, de Arabieren hadden hulde gedaan aan David en Salomo als typen van Christus. Jethro en Job waren uit die landstreek. Meer dan dit hebben wij niet van hen te zeggen. De overleveringen der Roomse kerk, dat zij drie in aantal waren (een der ouden zegt, dat hun getal veertien bedroeg) dat zij koningen waren, en dat zij begraven liggen in Colen, (Keulen) en daarom de drie koningen van Colen genoemd worden, zijn beuzelachtig, wij begeren niet wijs te zijn boven hetgeen geschreven is.
III. Wat hen er toe gebracht heeft om dit onderzoek in te stellen. In hun land, dat in het Oosten gelegen was, hadden zij een buitengewone ster gezien, zoals zij nooit te voren gezien hadden, en dit hielden zij voor ene aanduiding, dat een buitengewoon Persoon was geboren in het land van Judea, daar de ster van den aard ener komeet, of liever van een meteoor, in de lagere luchtlagen over dit land zweefde. Dit week zozeer af van het gewone, dat zij tot de gevolgtrekking kwamen, dat het iets buitengewoons moest betekenen. Buitengewone verschijnselen van God in de schepselen moeten ons altijd doen vragen wat hierin Zijn wil en welbehagen is. Christus heeft tekenen aan den hemel voorzegd. De geboorte van Christus was aan de Joodse herders bekend gemaakt door een engel, aan de Heidense wijsgeren door ene ster. Tot beide heeft God in hun eigene taal gesproken, en op de manier, waarmee zij het best bekend waren. Sommigen, denken, dat het licht, hetwelk de herders om zich henen zagen schijnen in den nacht, toen Christus geboren werd, hetzelfde licht was, hetwelk aan de wijzen, die zich op zo groten afstand bevonden, als ene ster was toegeschenen: maar hiermede kunnen wij niet geredelijk instemmen, omdat zij dezelfde ster, die zij in het Oosten gezien hadden, nog lang daarna hebben waargenomen, daar zij hen leidde tot aan het huis, waar Christus was, het was ene kaars, die ontstoken was met het doel hen tot Christus te leiden. De afgodendienaars aanbaden de sterren als het heir des hemels, inzonderheid de Oosterse volken, weshalve de planeten ook de namen dragen hunner afgoden, wij lezen van ene bijzondere ster, waarvoor zij verering koesterden in Amos 5:26. En zo zijn de sterren, die misbruikt werden, nu tot een recht gebruik gekomen, n.l. de mensen tot Christus te leiden, de goden der Heidenen werden zijne dienaren. Sommigen denken, dat deze ster hun de profetie van Bileam in de herinnering had gebracht, n.l. dat ene ster voort zou komen uit Jakob, doelende op een scepter, die zal opkomen uit Israël, Zie Numeri 24:17). Bileam kwam van de bergen van het Oosten, en was een hunner wijzen. Anderen schrijven hun onderzoek toe aan de algemene verwachting dat een groot en machtig vorst stond te verschijnen, die toenmaals in deze Oosterse landstreken gekoesterd werd. Tacitus spreekt hiervan in zijne geschiedenis (lib. V), Pluribus persuasio inerat, antiquis sacerdotum literis contineri, en ipso temore fore, ut valesceret oriens profectique Judaea rerum potirentur" -Er bestond in het gemoed van velen de overtuiging dat enige aloude geschriften der priesters ene voorzegging bevatten, dat omstreeks dien tijd ene Oosterse macht de bovenhand zou hebben, en dat personen, voortkomende uit Judea, heerschappij zouden voeren. Ook Suetonius spreekt hiervan in het leven van Vespasianus, zodat dit buitengewone luchtverschijnsel verklaard werd als wijzende op dien Koning. Ook kunnen wij veronderstellen, dat een Goddelijke indruk was te weeg gebracht in hun gemoed, die hen in staat stelde om tot de uitlegging te komen, dat deze ster als een teken des Hemels was gegeven, aanduidende de geboorte van Christus.
IV. Hoe zij bij dit onderzoek te werk gingen.
Zij kwamen van het Oosten naar Jeruzalem om verder naar dien vorst te zoeken. Waarheen zouden zij anders gaan om navraag te doen naar den Koning der Joden dan naar Jeruzalem, de moeder-stad, waarheen de stammen opgaan, de stammen des Heren? Zij konden gezegd hebben: "Indien zulk een vorst geboren is, dan zullen wij weldra in ons eigen land van hem horen, en dan zal het nog tijd genoeg wezen om Hem hulde te gaan doen." Maar zij waren zo verlangend om beter met Hem bekend te worden, dat zij ene lange reis ondernamen om onderzoek naar Hem te doen. Merk op, dat zij, die waarlijk de begeerte hebben Christus te kennen en Hem te vinden, moeite noch gevaar zullen ontzien om Hem te zoeken. Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen om den Heere te kennen. Hun vraag luidt: Waar is de geboren Koning der Joden? Zij vragen niet, of er zo iemand geboren is? (Daar zijn zij zeker van, en zij spreken met beslistheid van overtuiging, zo sterk was dit tot hun hart gekomen), Waar is Hij geboren? Merk op, dat zij, die iets van Christus weten, niet anders kunnen dan begeren meer van Hem te weten. Zij noemen Christus den Koning der Joden, want aldus verwachtte men den Messias, en Hij is de Beschermer en Heerser van geheel het geestelijk Israël, Hij is Koning geboren. Zij twijfelden niet, of zij zouden op deze vraag een gereed antwoord ontvangen, en gans Jeruzalem in aanbidding aan de voeten van dezen nieuwen Koning zien, maar van huis tot huis komen zij met die vraag, en er is niemand, die hun enigerlei inlichting kan geven. Er is in de wereld, ja ook in de kerk, meer grove onwetendheid dan wij vermoeden. Velen, van wie wij zouden verwachten, dat zij ons tot Christus zullen brengen, zijn zelf vreemdelingen voor Hem. Zij vragen, gelijk de bruid aan de wachters van Jeruzalem: Hebt gij dien gezien, dien mijne ziel liefheeft, maar zij zijn er niet wijzer door geworden. Evenwel gelijk de bruid, zetten zij hun onderzoek voort: Waar is de geboren Koning der Joden? Vraagt men hun: "Waarom onderzoekt gij hiernaar?" Het is omdat zij Zijne ster gezien hebben in het Oosten. Vraagt men hun: Wat hebt gij hiermede van doen? Wat hebben de mannen van het Oosten met den Koning der Joden van doen?" Hun antwoord is gereed: Wij zijn gekomen om Hem te aanbidden. Zij komen tot de gevolgtrekking, dat Hij in het vervolg van tijd hun Koning zal zijn, en daarom willen zij in tijds bij Hem en bij Zijne omgeving in gunst zien te komen. Zij, in wier hart de morgenster is opgegaan om hun iets van de kennis van Christus te geven, moeten er zich ijverig toe begeven om Hem te aanbidden. Hebben wij de ster van Christus gezien? Zo laten wij er ons op toe leggen Hem te eren. V. Hoe dit onderzoek te Jeruzalem beschouwd en behandeld werd. De tijding hiervan heeft ten laatste het hof bereikt: en de koning Herodes, dit gehoord hebbende, werd ontroerd, vers 3. De profetieën van het Oude Testament betreffende den Messias en Zijne verschijning, aangeduid door de wenken van den profeet Daniël, konden hem niet onbekend zijn, daar hij echter zelf zo lang en zo voorspoedig geregeerd had, begon hij de hoop te koesteren, dat die beloften wel nooit in vervulling zouden gaan, en dat zijn rijk, in weerwil van die beloften, bevestigd en eeuwig in stand gehouden zou worden. Welk een teleurstelling moet het hem dus geweest zijn om te horen dat deze Koning geboren was, dat de tijd, bepaald voor Zijne komst, nu was aangebroken! Boze vleselijk gezinde harten vrezen niets zo zeer als de vervulling der Schriften. Maar hoewel Herodes, een Edomiet, ontroerd was, zou men toch gedacht hebben, dat Jeruzalem zich grotelijks zou verheugen op de tijding, dat haar Koning komt. Het schijnt evenwel, dat geheel Jeruzalem, uitgezonderd de enkelen, die de vertroosting Israël's hebben verwacht, met Herodes ontroerd werd, in vreze van, ik weet niet welke, boze gevolgen, die uit de geboorte van dezen nieuwen koning zouden voortkomen, dat het hun in een krijg zou wikkelen, of een beslag zou leggen op hun lusten-wat hun aanging, zij begeerden geen anderen koning dan Herodes, zelfs den Messias niet. Door velen wordt aan de slavernij der zonde de voorkeur gegeven boven de heerlijke vrijheid der kinderen Gods, alleen maar omdat zij de ene of andere moeilijkheid vrezen, die noodwendig uit deze omwenteling van de regering in de ziel voort moet komen. Herodes en Jeruzalem werden dus ontroerd door het valse denkbeeld, dat het koninkrijk van den Messias in botsing zou komen met de wereldlijke machten, terwijl toch de ster, die Hem als Koning bekend maakte, duidelijk te kennen gaf, dat Zijn rijk hemels, en niet van deze lagere wereld was. De reden, waarom de koningen der aarde, en de volken, het koninkrijk van Christus tegenstaan, is, dat zij het niet kennen, maar in dwaling omtrent hetzelve verkeren.
VI. Welke hulp of bijstand zij voor hun onderzoek ontvingen van de schriftgeleerden en de priesters, vers 4-6. Niemand zou weten te zeggen waar de Koning der Joden is, maar Herodes vraagt, waar men verwacht, dat Hij geboren zal worden. De personen, die hij raadpleegt, zijn: de overpriesters, die naar hun ambt leraren waren, en de schriftgeleerden, wier werk en roeping bestond in het bestuderen der wet, hun lippen zullen wetenschap bewaren, maar dan moet het volk uit hun' mond de wet zoeken, Maleachi 2:7. Het was van algemene bekendheid, dat de Christus te Bethlehem geboren zou worden. (Johannes 7:42), maar Herodes wilde er de mening van deskundigen over weten, en daarom wendt hij zich tot de hiertoe bevoegde personen, en, teneinde volkomen zekerheid te hebben, roept hij allen samen, al de overpriesters en schriftgeleerden, en hun vraagt hij, waar volgens de Schriften des Ouden Testaments de Christus zou geboren worden? Menige goede vraag wordt gedaan met boze bedoeling, zo was het ook met Herodes. De priesters en schriftgeleerden hebben niet veel tijd nodig om op deze vraag een antwoord te geven, ook verschillen zij hieromtrent niet van mening, allen zijn het er over eens, dat de Messias geboren moest worden te Bethlehem, de stad David's, hier Bethlehem in Judea genoemd, om het te onderscheiden van een andere stad van dien naam, gelegen in het land van Zebulon. Jozua 19:15. Bethlehem betekent broodhuis, de geschiktste plaats om er geboren te worden voor Hem, die het ware manna is, het brood, dat van den hemel neer is gekomen, en gegeven werd voor het leven der wereld. Het bewijs, dat zij er voor geven, is ontleend aan Micha 5:1, waar voorzegd is, dat, hoewel Bethlehem klein is onder de duizenden van Juda (zo heet het in Micha) geen zeer volkrijke stad, toch bevonden zal worden niet de minste te zijn onder de vorsten van Juda (zo staat het hier, want Bethlehem's ere bestond niet, zoals die van andere steden, in de menigte des volks, maar in de heerlijkheid en majesteit der vorsten, die er uit zijn voortgekomen). Hoewel Bethlehem in sommige opzichten klein was, had het hierin toch den voorrang boven al de steden van Israël, dat de Heere zal rekenen in het opschrijven der volken, dat deze, nl. Christus Jezus, aldaar geboren is, Psalm 87:6. Uit u zal een Heerser voortkomen, de Koning der Joden. Merk op, dat Christus alleen voor hen een Zaligmaker zijn zal, die bereid zijn Hem als hun Heerser aan te nemen. Bethlehem was de stad David's, en David was de ere en roem van Bethlehem, daarom moet ook aldaar David's Zoon en Opvolger geboren worden. Er was te Bethlehem, aan de poort, ene vermaarde bron, uit welke David begeerde te drinken (2 Samuël 23:15), in Christus hebben wij niet slechts overvloed van brood, maar wij mogen ook komen en nemen van het water des levens om niet. Let er op hoe Joden en Heidenen samenwerken ten opzichte van Jezus Christus. De Heidenen kennen den tijd Zijner geboorte door ene ster, de Joden kennen de plaats Zijner geboorte door de Schrift, en aldus zijn zij in staat om elkaar in te lichten. Het zou veel bijdragen tot de vermeerdering van kennis, indien wij op die wijze elkaar mededeelden wat wij weten. De mensen worden rijk door ruilhandel, als wij nu kennis hebben om aan anderen mede te delen, dan zullen zij ook bereid zijn, om ons mede te delen wat zij weten, en aldus zullen velen het naspeuren, en de wetenschap zal vermenigvuldigd worden.
VII. Het bloeddorstige plan van Herodes, dat door dit onderzoek gevormd werd, vers 7, 8. Herodes was nu een oud man en had reeds vijf en dertig jaren geregeerd, deze Koning was pas geboren, en zou waarschijnlijk nog gedurende verscheidene jaren niets tegen hem kunnen ondernemen, toch is Herodes ijverzuchtig op hem. Gekroonde hoofden denken niet gaarne aan hun opvolgers, en veel minder nog aan hun mededingers. Daarom kan hem niets minder tevreden stellen dan het bloed van dezen pasgeboren koning, en daarom wil hij er niet aan denken, dat zo dit pasgeboren Kindeke inderdaad de Messias was, hij, door Hem tegen te staan, of een aanslag tegen Hem te beproeven, zou bevonden worden tegen God te strijden, en er toch niets is, dat meer ijdel of meer gevaarlijk zou zijn. De hartstocht heeft over verstand en geweten de overhand verkregen. Zie nu
1. hoe listig hij zijn plan aanlegt (vers 7, 8). Hij heeft de wijzen heimelijk geroepen, om over deze zaak met hen te spreken. Hij wilde niet openlijk voor zijne vrees en afgunst uitkomen, het zou hem onteren, zo hij die aan de wijzen liet blijken, en het zou gevaarlijk voor hem wezen, zo het volk er kennis van droeg. Zondaren zijn dikwijls gekweld door geheime angsten, die zij aan niemand mededelen. Herodes verneemt van de wijzen den tijd wanneer de ster verschenen was, ten einde dienovereenkomstig zijne maatregelen te nemen, en daarna gebruikt hij hen om met hun onderzoek voort te gaan, en hem verslag te doen. Dit alles zou wel geschikt zijn geweest om de achterdocht op te wekken, indien hij er geen schijn van godsdienstigheid aan had gegeven: opdat ik ook kome en dat zelve aanbidde. De grootste slechtheid verbergt zich dikwijls onder een masker van vroomheid. Absalom bedekt zijn oproerig plan met den mantel ener gelofte.
2. Zie hoe vreemd hij hierin misleid en verdwaasd is, daar hij zich op de wijzen verliet, en niet liever anderen aannam, die trouw zouden geweest zijn aan zijne belangen. Bethlehem lag op slechts zeven mijlen afstand van Jeruzalem, hoe licht zou hij er spionnen hebben kunnen zenden om de wijzen in het oog te houden, en die daar even spoedig zouden geweest zijn om het kind te doden, als de wijzen om het te aanbidden! God kan voor de ogen van de vijanden Zijner kerk de methode verborgen houden, waarmee zij zo gemakkelijk de kerk zouden kunnen verderven. Als Hij voornemens is de oversten beroofd weg te voeren, dan maakt Hij de rechters uitzinnig.