Job 23:8-12
I. Job klaagt hier dat hij de betekenis van Gods handelingen met hem niet begrijpen kan, vers 8, 9. Ga ik voorwaarts, is Hij daar niet, enz. Elifaz had hem gezegd dat hij zich bekend moest maken met God. "Dat zou ik van harte gaarne willen," zegt Job," indien ik slechts wist hoe met Hem bekend te worden." Hij had zelf een zeer sterke begeerte om voor God te verschijnen, zijn zaak onderzocht te krijgen, maar de Rechter was niet te vinden, naar welke kant hij ook uitzag, nergens kon hij een teken bespeuren dat God voor hem optrad om zijn onschuld aan het licht te brengen. Ongetwijfeld geloofde Job dat God alomtegenwoordig is, maar hij schijnt hier te klagen over drie dingen.
1. Dat hij zijn gedachten niet kon bepalen zich in zijn eigen geest of gemoed geen helder oordeel kon vormen van de dingen, zijn geest was zo gejaagd, zo verontrust door zijn ellende en zijn smarten, dat hij was als iemand die in grote angst is, en daardoor niet weet wat te doen, hierin loopt en daarheen loopt, maar in verwarring zijnde, niets tot stand brengt. Vanwege de verwarring en ontsteltenis van zijn geest kon hij zich niet vastklemmen aan hetgeen hij wist in God te zijn, en dat hem, zo hij er zich slechts in het geloof bij kon bepalen, tot steun zou wezen. Het is de gewone klacht van hen, die ziek of neerslachtig zijn, dat zij, als zij aan iets goeds willen denken, het niet kunnen.
2. Dat hij de oorzaak van zijn rampen niet kon ontdekken, noch wist welke zonde het was die God er toe bracht om met hem te twisten. Hij dacht na over geheel zijn levenswandel, beschouwde hem van alle kanten, en kon niet bespeuren waarin hij meer dan anderen had gezondigd, en evenmin kon hij ontdekken welk doel God er mee beoogde om hem aldus te beproeven.
3. Dat hij niet kon voorzien wat er het einde van zou wezen, of God hem nog zou verlossen of, zo Hij dit deed, wanneer of op wat wijze Hij het doen zou. Hij zag Zijn tekenen niet, en er was ook niemand, die hem kon zeggen hoelang, zoals de kerk klaagt, Psalm 74:9. Hij kon niet begrijpen wat God met hem voorhad, en welke gissing hij hieromtrent ook maakte, er bleek altijd het een of ander te zijn, dat die gissing onwaarschijnlijk maakte.
II. Hij stelt er zich mee gerust dat God zelf een getuige was van zijn oprechtheid, en daarom twijfelt hij niet of de uitkomst zal goed zijn. Nadat Job schier verdwaald was geweest in de doolhof van de Goddelijke raad, zit hij ten laatste stil en tevreden neer met die gedachte: "Hoewel ik de weg niet weet, die Hij met mij houdt (want Zijn weg is in de zee en Zijn pad in grote wateren, Zijn gedachten en wegen zijn ver boven de onze, en het ware aanmatiging in ons ze te willen beoordelen) kent Hij toch de weg, die bij mij is", vers 10. Dat is:
1. Hij is er mee bekend. Zijn vrienden oordeelden over hetgeen zij niet wisten, en daarom legden zij hem ten laste hetgeen, waaraan hij zich nooit schuldig had gemaakt, maar God, die elke stap kende, die hij gedaan had, zal dat niet doen, Psalm 139:3. Voor hen die het eerlijk menen, is het een grote vertroosting dat God hun bedoeling kent, al is het ook dat de mensen haar niet kennen, haar niet kunnen of niet willen kennen.
2. Hij keurt hem goed: "Hij weet dat, hoewel ik soms een verkeerde stap gedaan kan hebben, ik toch een goede weg gevolgd heb, de weg van de waarheid heb gekozen, en daarom kent Hij hem," dat is: Hij keurt hem goed, heeft er een welbehagen in, gelijk Hij gezegd wordt "de weg van de rechtvaardigen te kennen," Psalm 1:6. Dit heeft de profeet vertroost: "Gij proeft mijn hart, dat het met U is," Jeremia 12:3. Hij beproeve mij, als goud zal ik uitkomen. Zij die de weg des Heeren bewaren, kunnen als zij in beproeving zijn zich vertroosten met deze drie dingen:
A. Dat zij slechts beproefd worden, dat die beproeving niet bedoeld is tot hun schade, maar tot hun eer en hun voordeel, het is "de beproeving huns geloofs," 1 Petrus 1:7.
B. Dat zij, na genoegzaam beproefd te zijn, uit de oven tevoorschijn zullen komen, en er niet in gelaten zullen worden om als schuim verteerd te worden of als verworpen zilver. Aan de beproeving zal een einde komen, God zal niet in eeuwigheid twisten.
C. Dat zij zullen uitkomen als goud, dat zuiver is in zichzelf en kostelijk is voor de louteraar, zij zullen uitkomen als goud, dat goedgekeurd, dat verbeterd is, goed wordt bevonden en instaat om beter gemaakt te worden. Beproevingen zijn voor ons, naar wij zijn, zij, die als goud in de smeltoven gaan, zullen er niet slechter uit tevoorschijn komen.
Hetgeen Job nu aanmoedigde om te hopen dat zijn tegenwoordige beproevingen aldus een goed einde zullen nemen, was het getuigenis van zijn geweten voor hem, dat hij een goed leven heeft geleid in de vreze Gods.
a. Dat Gods weg de weg was, waarin hij wandelde vers 11. "Aan Zijn gang heeft mijn voet vastgehouden," dat is: "hield er zich aan, hield er zich getrouw aan. Ik heb gepoogd mij te gedragen naar Zijn voorbeeld." Vrome mensen zijn volgers van God. Of: "ik heb mij geschikt naar Zijn voorzienigheid over mij, en er naar gestreefd om aan al Zijn bedoelingen te beantwoorden, Zijn voorzienigheid stap voor stap te volgen." Of: Zijn gangen zijn die welke Hij wil dat ik volgen zal, de weg van Godsdienst en ernstige Godsvrucht -die weg heb ik gehouden, en ben er niet van afgeweken, ik ben er niet slechts niet van teruggegaan in een algehele afval, maar ik ben er niet ter zijde van afgeweken door een moedwillige overtreding." Dat hij zich aan Gods gang heeft gehouden en Zijn weg heeft bewaard, geeft te kennen dat de verzoeker al zijn kunstenarijen van bedrog en geweld bij hem heeft aangewend om hem ter zijde af te leiden, maar met zorg en vastberadenheid had hij door Gods genade tot nu toe volhard, en zij, die aldus willen volharden, moeten vastberaden zijn in het houden, en wakende zijn in het bewaren.
b. Dat Gods Woord de regel was waarnaar hij wandelde, vers 12. Hij bestuurde zich door het gebod van Gods lippen, en wilde daar niet van teruggaan. Welke moeilijkheden wij ook ontmoeten op de weg van Gods geboden, al leiden zij ons ook door een woestijn, toch moeten wij er nooit aan denken om terug te gaan, maar voorwaarts streven naar het doel. In zijn wandel hield Job zich dicht aan de wet van God, want beide zijn oordeel, zijn verstand en zijn genegenheid leidden hem daartoe. De redenen van Gods mond heb ik dierbaarder geacht dan mijn noodzakelijk voedsel, vers 12, dat is: hij beschouwde ze als zijn noodzakelijk voedsel, hij zou even goed hebben kunnen leven zonder zijn dagelijks brood als zonder het woord van God. Ik heb ze weggelegd, zo luidt het oorspronkelijke, zoals degenen, die mondvoorraad opleggen voor een beleg of zoals Jozef koren had opgelegd tegen de hongersnood. Elifaz had hem gezegd. Gods redenen in zijn hart te leggen, Hoofdst. 22:22. "Dat doe ik," zegt hij, "dat heb ik altijd gedaan, opdat ik niet tegen Hem zou zondigen, en opdat ik, gelijk de heer des huizes, uit die schat voortbrengen kunne ten goede van anderen." Het woord van God is voor onze ziel wat ons noodzakelijk voedsel is voor ons lichaam, het onderhoudt het geestelijk leven en bekrachtigt ons voor de handelingen des levens, het is datgene zonder hetwelk wij niet kunnen bestaan, en het gebrek waaraan door niets vergoed kan worden, en daarom behoren wij het zo te waarderen, er zoveel prijs op te stellen, dat wij er moeite voor doen, er naar hongeren, er ons met genot en verlustiging mee voeden en dit zal onze blijdschap zijn in de dag des kwaads, zoals het die van Job geweest is.