Handelingen 7:16-29
Stefanus gaat voort te verhalen:
I. De wonderbare toeneming van het volk van Israël in Egypte. Het was door een wonder der voorzienigheid, dat zij in zo weinig tijds van een huisgezin tot ene natie waren aangegroeid.
1. Het was toen de tijd der belofte genaakte, de tijd, toen zij tot een volk geformeerd zouden worden. Gedurende de eerste twee honderd en vijftien jaren na de belofte, gedaan aan Abraham, waren de kinderen des verbonds slechts tot zeventig zielen aangegroeid, maar in de twee honderd en vijftien jaren, die daarop volgden, waren zij tot zes maal honderd duizend strijdbare mannen vermenigvuldigd, de beweging der Goddelijke voorzienigheid is soms het snelst, als zij tot het middenpunt nadert. Laat ons niet ontmoedigd zijn wegens het langzaam voortgaan naar de vervulling van Gods beloften. God weet den tijd uit te kopen, die verloren scheen, en als het jaar der verlosten nabij is, kan Hij in een enkelen dag het dubbele van het werk doen.
2. Het was in Egypte, waar zij verdrukt werden, en waar men hen deed dienen met hardigheid, toen hun het leven zo bitter gemaakt werd, dat zij, naar men zou denken, zouden wensen als kinderloos aangeschreven te worden. En toch huwden zij in het geloof, dat God hen ter bestemder tijd zou bezoeken, en God zegende hen, die Hem aldus eerden, zeggende: Weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt. Tijden van lijden zijn voor de kerk dikwijls tijden van toeneming geweest.
II. De buitengewone hardheid, die zij er hadden te verduren, vers 18, 19. Toen de Egyptenaren bemerkten, dat hun aantal toenam, vermeerderden zij hun lasten, waarin Stefanus drie dingen opmerkt.
1. Hun lage ondankbaarheid. Zij werden verdrukt door een anderen koning, die Jozef niet gekend had, dat is, die de goede diensten niet herdacht, door Jozef aan dat volk bewezen, want anders zou hij die niet op zo slechte wijze aan zijn geslacht hebben vergolden. Zij, die goede mensen schaden, zijn zeer ondankbaar, want de Godvruchtigen zijn de zegen van den tijd en van de plaats, waarin zij leven.
2. Hun helse list en staatkunde. Zij gebruikten listigheid tegen ons geslacht. Komaan, zeiden zij, laat ons wijselijk tegen hen handelen, menende zich hierdoor te beveiligen, maar het bleek, dat het een dwaselijk handelen was, want zij hebben er zich slechts toorn door vergaderd. Diegenen vergissen zich grotelijks, die denken wijselijk voor zich zelven te handelen, als zij bedrieglijk en onbarmhartig handelen tegen hun broederen.
3. Hun barbaarse en onmenselijke wreedheid. Ten einde hen gans en al uit te roeien, wierpen zij hun jonge kinderen weg, opdat zij niet zouden voorttelen. Het doden van hun jonge kinderen scheen hun een afdoend middel om een jong opkomend volk te verpletteren. Nu schijnt Stefanus hun dit te zeggen, niet slechts, opdat zij nog meer zouden zien hoe gering hun aanvang was, zeer gepast voorgesteld (wellicht met het oog op het wegwerpen der jonge kinderen in Egypte) door den treurigen toestand van een hulpeloos verworpen kind, Ezechiël 16:4, 5, en hoeveel zij verschuldigd waren aan God voor Zijne zorge over hen, die zij zich onwaardig hadden gemaakt, maar ook opdat zij zouden bedenken, dat hetgeen zij nu aan de jeugdige Christelijke kerk deden, even goddeloos en onrechtvaardig was, en bij de uitkomst zou blijken even vruchteloos te zijn, als hetgeen de Egyptenaren tegen de Joodse kerk bij hare opkomst gedaan hebben. "Gij denkt wijselijk te handelen, als gij ons kwalijk handelt, en jonge bekeerden vervolgt, gij doet wat zij gedaan hebben, die de jonge kinderen wegwierpen, maar gij zult bevinden, dat dit doelloos en nutteloos is, Christus' discipelen zullen in weerwil van uwe boosaardigheid toenemen en vermenigvuldigen.
III. Het verwekken van Mozes om hun bevrijder te zijn. Stefanus was beschuldigd van lasterlijke woorden te hebben gesproken tegen Mozes. In antwoord op deze beschuldiging maakt hij hier zeer eervolle melding van hem.
1. Mozes werd geboren toen de vervolging van Israël op het hoogst was, vooral in die wreedadige bijzonderheid er van, het vermoorden hunner pasgeboren kinderen, in welken tijd Mozes werd geboren, vers 20, en zodra hij in de wereld kwam, was hij zelf in gevaar (zoals ook onze Heiland in gevaar was te Bethlehem,) om als slachtoffer van dit bloedig edict te vallen. God bereidt de uitredding Zijns volks voor, als hun dag het donkerst, en hun benauwdheid het zwaarst is.
2. Hij was uitnemend schoon. Zodra hij geboren was, begon zijn aangezicht te schitteren, als een gelukkig voorteken van de ere, die God voor hem bestemd had, hij was asteios tooi Theooi -schoon naar God, hij was van de baarmoeder aan geheiligd, en dat maakte hem schoon in Gods ogen: want het is de schoonheid der heiligheid, die in Gods oog van grote waardij is.
3. Hij werd in zijne kindsheid op wondere wijze bewaard, ten eerste, door de zorg zijner liefhebbende ouders, die hem drie maanden opvoedden in hun eigen huis, zo lang als zij durfden, en toen door de gunstige leiding van Gods voorzienigheid, die hem in de armen voerde van de dochter van Farao, die hem opnam, en hem voor zich zelf opvoedde tot een' zoon, vers 21, want voor hen, die God voornemens is op bijzondere wijze te gebruiken, zal Hij bijzonder zorg dragen. En heeft Hij aldus het kind Mozes beschermd? Nog veel meer zal Hij de belangen beveiligen van Zijn heilig kind Jezus (zoals Hij genoemd wordt hoofdstuk 4:27) tegen de vijanden, die tegen Hem vergaderd zijn.
4. Hij werd een groot geleerde, vers 22. Hij was onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaren, die toen vermaard zijn geweest wegens hun letterkunde, handelende inzonderheid over wijsbegeerte, sterrenkunde, en (hetgeen er wellicht toe bijgedragen heeft om hen tot afgoderij te brengen) het beeldschrift. Daar Mozes aan het hof was opgevoed, was hij in de gelegenheid om zijn geest te verrijken door de beste boeken, de beste leermeesters, en den omgang met beschaafde en ontwikkelde lieden, en met hen te spreken over alle kunsten en wetenschappen, waarvoor hij smaak en aanleg had. Maar wij hebben reden te denken, dat hij niet aldus den God zijner vaderen had vergeten, dat hij zich bekend heeft gemaakt met de ongeoorloofde studiën en praktijken van de Egyptische tovenaars, ten minste niet meer dan nodig was om hen te wederleggen en tot zwijgen te brengen.
5. Hij werd eerst staatsminister in Egypte, dat schijnt de betekenis te wezen van de uitdrukking: hij was machtig in woorden en werken. Hoewel hij zich niet vloeiend en gemakkelijk kon uitdrukken, daar hij stotterde, sprak hij toch met een bewonderenswaardig gezond verstand, en, alles wat hij zei, dwong instemming af, daar er kracht van redenering, en daardoor ook van bewijsvoering in lag opgesloten. En in zaken was niemand hem gelijk in kloekmoedigheid, beleid en welslagen. Aldus werd hij door menselijke hulpmiddelen toebereid tot die diensten, waarvoor hij echter zonder Goddelijke verlichting niet volmaaktelijk toegerust kon zijn. Met dit alles nu wil Stefanus doen blijken, dat hij, in weerwil van de boosaardige aantijgingen zijner vervolgers, even hoge en eervolle gedachten koesterde omtrent Mozes, als zij van hem koesterden.
IV. De poging, door Mozes aangewend, om Israël te verlossen, die zij minachtten, en waarmee zij zich niet wilden verenigen. Hierop legt Stefanus groten nadruk, en het dient als sleutel van zijne geschiedenis, Exodus 2:11-15, evenals de andere verklaring, die er van gegeven wordt door den apostel, Hebr. 11:24-26. Dáár wordt het voorgesteld als ene daad van heilige zelfverloochening, hier, als ene voorbedachtelijke inleiding tot den openbaren dienst, waartoe hij geroepen was, vers 23. Als hem nu de tijd van veertig jaren vervuld was, in den bloei zijner jaren, en op den besten tijd voor bevordering aan het hof van Egypte, kwam hem in zijn hart (want God had het er in gegeven) zijne broederen, de kinderen Israël's, te bezoeken, om te zien op wat wijze hij hun van dienst kon zijn, en toonde hij zich als publiek persoon in publieke hoedanigheid.
1. Als Israël's bevrijder. Daarvan gaf hij een voorbeeld in zijn wreken van degene, die overlast leed, en door den Egyptenaar te doden, die hem had mishandeld, vers 24. Ziende, hoe een zijner broederen onrecht leed, werd hij met ontferming bewogen over den lijder, en vervuld van ene rechtvaardige verontwaardiging jegens hem, die het onrecht deed, zoals mensen, die ene openbare positie bekleden, behoren te gevoelen, en hij wreekte degene, dien overlast geschiedde, en versloeg den Egyptenaar, hetgeen hij, als hij slechts een gewoon particulier was geweest, niet wettig had kunnen doen, maar hij wist, dat zijne opdracht van den hemel hem zou ondersteunen en verdedigen, en hij meende dat zijne broederen (die toch wel enige kennis moesten hebben van de belofte, gedaan aan Abraham, n.l. dat God het volk zou oordelen, dat hen zou verdrukken) zouden verstaan, dat God door zijne hand hun verlossing geven zou, want hij had noch de tegenwoordigheid van geest, noch de lichaamskracht kunnen hebben, om te doen, wat hij gedaan heeft, indien hij niet bekleed ware geweest met zulk ene Goddelijke kracht, als waaruit ene volmacht Gods bleek. Indien zij slechts de tekenen der tijden hadden verstaan, dan zouden zij dit voor het aanbreken van den dag hunner bevrijding hebben kunnen houden, maar zij hebben het niet verstaan. Zij hebben dit niet voor het oprichten ener banier gehouden, zoals het bedoeld was, en voor het steken van de klaroen, om Mozes als hun bevrijder aan te kondigen.
2. Als Israël's rechter. Daarvan gaf hij reeds den volgenden dag een voorbeeld en bewijs, in zijne aanbieding om het geschil tussen twee twistende Hebreeën bij te leggen, waarmee hij duidelijk aantoonde, dat hij ene openbare positie innam, vers 26. Hij werd van hen gezien, daar zij vochten, en, een voorkomen van majesteit en gezag aannemende, drong hij ze tot vrede, en, als hun vorst, hun twist beslechtende, zei hij: Mannen, gij zijt broeders, door geboorte en Godsdienstige belijdenis, waarom doet gij elkaar ongelijk? Want hij bemerkte, dat er (gelijk in de meeste twisten) aan beide zijden schuld was, en dus moet er, om vrede en vriendschap te hebben, wederzijdse toegevendheid en vergeving zijn. Toen Mozes als Israël's bevrijder uit Egypte optrad, versloeg hij de Egyptenaren, en heeft aldus Israël uit hun hand verlost, maar toen hij als Israël's rechter en wetgever optrad, heerste hij over hen met een gouden scepter, niet met de ijzeren roede, hij heeft hen niet verslagen en gedood, toen zij twistten, maar gaf hun voortreffelijke wetten en inzettingen, en richtte tussen hen, als zij met hun zaken, of geschillen tot hem kwamen, Exodus 18:16. Maar de twistende Israëliet, die het meeste ongelijk had, verstiet hem, vers 27. Hij wilde gene bestraffing horen, al was zij ook rechtvaardig, en met zachtheid geuit, maar was terstond bereid hem te trotseren met: Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gesteld? Hoogmoedige en twistzieke lieden kunnen gene bestraffing en geen bedwang dulden. Deze Israëlieten wilden liever hun lichaam met hardigheid laten regeren door hun aandrijvers, dan verlost worden, en hun geest laten regeren met verstand door hun bevrijder. Hij, die het onrecht deed, was zo verwoed om de bestraffing, die hem was gegeven, dat hij Mozes den dienst verweet, dien hij zijn volk had bewezen door den Egyptenaar te doden. Wilt gij mij ook ombrengen, zoals gij gisteren den Egyptenaar hebt omgebracht? vers 28. Hem datgene ten laste leggende als ene misdaad, met de bedreiging van hem deswege aan te klagen, wat een uitsteken was van de vlag ter uitdaging van de Egyptenaren, en van de banier van liefde en verlossing voor Israël. Hierop vluchtte Mozes naar het land Midian, en deed gene poging meer om Israël te verlossen, dan veertig jaren later. Hij vestigde zich als een vreemdeling in Midian, huwde, en had twee zonen bij de dochter van Jethro, vers 29. Laat ons nu zien, hoe Stefanus, dit voor zijne zaak te pas brengt.
A. Zij beschuldigden Hem van Mozes te lasteren, dat hij beantwoordt met hun de mishandeling en belediging voor te houden, die hun vaderen Mozes aangedaan hebben, en waarover zij zich behoorden te schamen, en te verootmoedigen, in plaats van, onder voorwendsel van Mozes te eren, twist te zoeken met iemand, die even grote verering voor Mozes had als iemand hunner.
B. Zij vervolgden hem wegens zijn twistgesprek ter verdediging van Christus en Zijn Evangelie, om welke tegen te staan zij Mozes en zijne wet verhieven. "Maar", zegt hij, "ziet wel toe, dat gij hiermede niet doet zoals uwe vaderen gedaan hebben, nl. Enen afwijzen en verwerpen, dien God als een Vorst en Zaligmaker over u gesteld heeft. Gij kunt verstaan, zo gij niet moedwillig uwe ogen sluit voor het licht, dat God door dezen Jezus u verlossen wil uit erger slavernij, dan die in Egypte. Wacht u van Hem te verstoten, maar neemt Hem aan als een Overste en Rechter over u". "En ziet toe, dat het u hierdoor niet zal vergaan, zoals het uwen vaderen vergaan is, die deswege rechtvaardiglijk overgelaten werden om in slavernij te sterven, want de verlossing is pas veertig jaren later geschied. En dan zal dit er uit voortkomen: gij verwerpt het Evangelie, en het zal den Heidenen gezonden worden. Gij wilt Christus niet hebben, en gij zult Hem niet hebben, dat zal uw oordeel zijn", Mattheus 23:38, 39.