2 Thessalonicenzen 1:11-12
In deze verzen herhaalt de apostel de verzekering aan de Thessalonicenzen, dat hij ernstig en voortdurend voor hen bidt. Hij kon niet in hun midden zijn, nochtans had hij hen altijd in gedachten, hij wenste hun goed en kon zijn genegenheid en goede wensen niet beter uitdrukken dan in ernstig voortdurend gebed tot God voor hen. Waarom wij ook altijd bidden voor u. De gelovige gedachte aan en verwachting van de wederkomst van Christus moet ons steeds biddende maken voor ons zelven en voor anderen. Wij moeten waken en bidden, zoals onze Zaligmaker Zijne discipelen beveelt, Lukas 21:36. Waakt dan te allen tijd, biddende dat gij moogt waardig geacht worden te staan voor den Zoon des mensen. Merk op:
I. Waar de apostel voor bad, vers 11. Het is van groot belang wèl onderricht te zijn, waarvoor wij bidden mogen, en zonder goddelijk onderricht weten wij niet wat wij bidden zullen, gelijk wij ook zonder goddelijken bijstand niet bidden kunnen zoals het behoort. Onze gebeden moeten overeenkomen met onze verwachtingen. En daarom bidt de apostel voor hen:
1. Dat God het goede werk Zijner genade moge beginnen, want zo moeten wij de uitdrukking verstaan: Dat onze God u waardig achte (of gelijk het ook kan gelezen worden, waardig make) Zijne roeping. Wij zijn geroepen met een hoge en heilige roeping, wij zijn geroepen tot Gods koninkrijk en heerlijkheid, en niets minder dan de erfenis der heiligen is de hoop van onze roeping, niets minder dan het genot van de heerlijkheid en gelukzaligheid, welke zullen geopenbaard worden wanneer Christus Jezus van den hemel geopenbaard wordt. Welnu, indien dat onze roeping is, dan moet onze grote zorg zijn daarvoor waardig gemaakt en voorbereid te worden. En omdat wij gene waardigheid in ons zelven hebben, maar alles goeds enig en alleen aan de genade Gods te danken hebben, moeten wij bidden of Hij ons waardig maken wil, en daarna ons onze roeping waardig achten, dat Hij ons wil maken bekwaam om deel te hebben aan de erfenis der heiligen in het licht, Colossenzen 1:12.
2. Dat God het werk volbrengen wil, dat Hij begonnen heeft, vervullen al het welbehagen Zijner goedigheid. Het welbehagen Gods is Zijn genadige voornemens met Zijn volk, die voortkomen uit Zijne goedigheid, en jegens hen vol goedigheid zijn, en het is daaruit dat alle goeds tot ons komt. Indien er enig goeds in ons is, dan is dat door het welbehagen Gods'het is te danken aan Zijn welbehagen en goedigheid, en derhalve genade. Er zijn vele en verscheidene openbaringen van Gods genade en goedigheid voor Zijn volk, en de apostel bidt dat die alle mogen vervuld worden aan deze Thessalonicenzen. Er zijn verscheidene goede werken van genade aangevangen in de harten der gelovigen, welke voortkomen uit het welbehagen van Gods goeddadigheid, en wij moeten bidden dat ze vervuld en volmaakt mogen worden. Vooral bidt de apostel, dat God vervulle in hen het werk des geloofs met kracht.
A. De vervulling van het werk des geloofs is nodig om alle ander goed werk te vervullen.
B. De macht van God begint niet alleen, maar vervult ook het werk des geloofs.
II. Waarom de apostel om deze dingen bidt, vers 12. Opdat de naam van onzen Heere Jezus Christus verheerlijkt worde in u, dat is het doel waarnaar wij streven moeten bij alles, wat wij doen of begeren, dat God en Christus in alles mogen verheerlijkt worden. Onze eigen gelukzaligheid en die van anderen moeten ondergeschikt zijn aan dat einddoel. Onze goede werken moeten zo voor de mensen schijnen, dat anderen daarom God verheerlijken, en dat Christus in en door ons verheerlijkt wordt, dan zullen wij in en met Hem verheerlijkt worden. En dat is het grote einddoel van de genade van God en van onzen Heere Jezus Christus, welke in ons gewerkt en aan ons geopenbaard is. Het is overeenkomstig de genade van God en Christus, dat is: het is betamelijk, in aanmerking genomen de genade, die ons bewezen en geschonken is door God en Christus, dat wij alles wat wij doen, verrichten tot heerlijkheid van onzen Schepper en Zaligmaker.