Jakobus 4:1-10
Het vorige hoofdstuk spreekt van het elkaar benijden, als de grootste oorzaak van twist en strijd, dit hoofdstuk handelt over de begeerte naar wereldse dingen, en het te grote waarde hechten aan wereldse genoegens en vriendschap, welke hun verdeeldheden tot een schandelijke hoogte opgevoerd hebben.
I. De apostel bestraft hier de Joodse Christenen over hun onderlinge oorlogen, en over hun vleselijke lusten als de oorzaak daarvan.
Vanwaar komen krijgen en vechterijen onder u? Komen zij niet hiervan: uit uwe wellusten, die in uwe leden krijg voeren? vers 1. De Joden waren een zeer oproerig volk en hadden daardoor gedurig oorlog met de Romeinen, en zij waren een zeer twistziek en verdeeld volk, dikwijls onder elkaar strijdende. En velen van deze bedorven Christenen, tegen wier ondeugden en dwalingen deze brief geschreven werd, waren naar het schijnt in die algemene twisten meegesleurd. Daarom zegt de apostel hun, dat de oorzaak van hun oorlogen en vechterijen niet was (zoals zij voorgaven) oprechte ijver voor hun land en voor de eer van God, maar dat hun overheersende lusten de bron van dat alles waren. Merk hier op: Hetgeen wordt beschermd en gesteund onder het kostbare voorwendsel van ijver voor God en godsdienst, komt dikwijls voort uit den hoogmoed, ondeugd, gierigheid, heerszucht en wraaklust der mensen. De Joden hadden veel oorlogen met de Romeinen, aleer zij geheel verwoest werden. Zeer dikwijls geraakten zij geheel nodeloos onder elkaar onenig, en dan vervielen zij in groepen en partijen, die met elkaar streden over de beste wijze om den gemeenschappelijken vijand te beoorlogen, en daaruit kwam voort dat, ofschoon hun zaak kon geacht worden goed te zijn, toch de deelneming er aan en het beleid er van aan verkeerde beginselen moest toegeschreven worden. Hun wereldse en vleselijke lusten veroorzaakten onder hen zelven krijgen en vechterijen en nu moest hier toch genoeg gezegd zijn om hen tot het onderdrukken van die lusten te brengen. Want:
1. Zij veroorzaken strijd van binnen zo goed als vechterijen van buiten. Onbeteugelde hartstochten en begeerten streden eerst in hun leven en maakten dan oorlogen onder hun volk. Er is strijd tussen geweten en bederf, maar er is evenzeer strijd tussen het ene bederf en het andere, en uit die twisten in hun eigen boezem kwamen hun krijgen onder elkaar. Wanneer men dit op bijzondere gevallen toepast, moeten wij dan niet erkennen dat ook de krijgen en vechterijen tussen familiebetrekkingen en geburen voortkomen uit de wellusten, die krijg voeren in de leden? Uit begeerte naar macht en heerschappij, lust en vermaak, begeerte naar rijkdom, uit een of meer van deze wellusten ontstaat het bederf van ons eigen hart en daaruit borrelen op al de twisten en onenigheden in de wereld. Maar aangezien zij alle voortkomen uit het bederf van ons eigen hart, is het enige middel om aan die twisten een einde te maken, den bijl aan den wortel des booms te leggen en al de wellusten te doden, die krijg voeren in onze ziel.
2. Wij behoren deze begeerten te doden wanneer wij denken aan de teleurstellingen, die zij ons brengen. Gij begeert en hebt niet, gij ijvert en benijdt naar dingen, en kunt ze niet verkrijgen, vers 2. Gij begeert grote dingen voor uzelven, en gij denkt ze te verkrijgen door overwinningen op de Romeinen te behalen, of door de een de andere partij onder uzelven te onderdrukken. Gij denkt u grote genoegens en groot geluk te verzekeren, door alles onder den voet te krijgen, wat tegen uw wensen ingaat. Maar helaas, al uw arbeid en al het vergoten bloed zijn verloren, wanneer gij elkaar met zulke bedoelingen doodt. Onbetamelijke begeerten brengen teleurstelling, of zij kunnen niet gestild en bevredigd worden door het verkrijgen van de begeerde dingen. De woorden: en kunt ze niet verkrijgen, betekenen, zij doen u de verlangde dingen niet winnen. Wereldse en vleselijke lusten veroorzaken de ontsteltenis van gemoed, die niet toelaat dat de ziel tevreden gesteld en voldaan wordt.
3. Zondige begeerten en aandoeningen sluiten over het algemeen het gebed en het bekendmaken van ons verlangen aan God buiten.
Gij vecht en voert krijg, doch gij hebt niet, omdat gij niet bidt. Gij vecht en overwint niet omdat gij niet bidt, omdat gij God niet om raad vraagt in uw ondernemingen, niet onderzoekt of ze Zijn goedkeuring wegdragen, en gij laat uw weg niet aan Hem over, en maakt Hem niet al uw begeerten bekend, maar volgt uw eigen verdorven inzicht en plannen, daarom overkomen u voortdurend teleurstellingen. Of anders:
4. Uw begeerten maken uw gebeden krachteloos en doen ze een gruwel voor God zijn, wanneer gij ze tot Hem opzendt. Gij bidt en gij ontvangt niet, omdat gij kwalijk bidt, opdat gij het in uwe wellusten doorbrengen zoudt. Dat wil zeggen: Ofschoon gij misschien soms bidt om overwinning op uwe vijanden, toch is het uw doel niet om uw voordelen, die gij zoudt behalen, te doen dienen ter bevordering van ware godsvrucht bij uzelven en anderen, maar ze zouden dienen om hoogmoed, ijdelheid, weelde en zinnelijkheid te bevorderen, en zulks door uw gebed. Gij wilt in grote macht en overvloed, in overdadigheid en wereldsen voorspoed leven, en daardoor de godsvrucht doen minachten en God onteren door zulke lage bedoelingen. Daarom worden uw gebeden verworpen. Laat ons hieruit leren dat in de behandeling van al onze aardse belangen en in onze gebeden om Gods zegen daarop, onze bedoelingen recht moeten zijn. Indien de mensen hun aardse belangen, in beroep en gezin, behartigen en God om voorspoed daarin vragen, en zij ontvangen niet wat zij begeren, dan is dat omdat zij het met verkeerde bedoeling vragen. Zij vragen God om hun voorspoed te geven in hun beroep en handelingen, niet om met hetgeen zij hebben hun hemelsen Vader te verheerlijken en er goed mede te doen, maar om het in hun wellusten door te brengen, om beter te kunnen eten en drinken, om schoner klederen te kunnen dragen, en om zo hun hoogmoed, ijdelheid en weelderigheid te kunnen voldoen. Maar indien wij op die wijze de dingen dezer wereld zoeken, is het rechtvaardig in God ze ons te ontzeggen, terwijl wanneer wij iets zoeken om er God door te dienen, wij mogen verwachten dat Hij het ons geven zal, of onze harten zal tevreden stellen zonder dat, en ons de gelegenheid schenken om in anderen weg Hem te dienen en te verheerlijken. Laat ons bedenken, dat wanneer onze gebeden niet verhoord worden, zulks komt doordien wij kwalijk bidden, hetzij wij niet vragen met het rechte doel of op de rechte wijze, of niet gelovig en met aandrang bidden. Ongelovige en koele gebeden vragen om weigeringen, en hiervan kunnen wij zeker zijn: indien onze gebeden meer de taal van onze wellusten dan van onze genade zijn, zullen ze ledig tot ons wederkeren.
II. Wij worden sterk gewaarschuwd tegen alle misdadige vriendschap met de wereld.
Overspelers en overspeleressen, weet gij niet dat de vriendschap der wereld ene vijandschap Gods is? vers 4. Wereldse mensen worden hier overspelers en overspeleressen genoemd, terwille van hun trouwloosheid jegens God, terwijl zij hun beste genegenheden aan de wereld geven. De gierigheid wordt op verscheidene andere plaatsen afgoderij genoemd, hier heet zij overspel. Zij is een verzaking van Hem, aan wie wij toegewijd en als door huwelijk verbonden zijn, ten einde andere dingen aan te hangen. Op die wereldsgezindheid wordt het brandmerk gedrukt, dat zij vijandschap tegen God is. Iemand kan een behoorlijk deel van de goederen dezer wereld bezitten, en toch in de liefde tot God blijven. Maar hij, die zijn hart zet op de wereld, die zijn geluk in haar zoekt en haar gelijkvormig wordt, en liever al het andere dan haar vriendschap verliest, hij is een vijand van God. Het is voorbedacht verraad en opstand tegen God de wereld op den troon te zetten in ons hart. Zo wie dan een vriend der wereld wil zijn, die wordt een vijand van God gesteld. Hij, die naar dit beginsel handelen wil, om de glimlachjes der wereld te ontvangen en haar voortdurende vriendschap te ge- nieten, kan zich niet in den geest en ook niet in zijn handelingen, een vriend van God tonen. Gij kunt God niet dienen en den Mammon, Mattheus 6:24. Hier ontstaan krijgen en vechterijen, juist door deze afgodische liefde voor de wereld en haar dienst, want welke vrede kan bestaan tussen mensen zo lang er vijandschap is tegen God, of wie kan tegen God strijden en voorspoed hebben? Overdenk ernstig bij uzelven hoe de geest der wereld is, en gij zult zien dat ge u niet onder haar vrienden kunt rangschikken zonder dat uw nijd en overvloed van boze begeerten de overhand nemen als bij de wereldse mensen in het algemeen. Of meent gij dat de Schrift tevergeefs zegt: De Geest, die in ons woont, heeft die lust tot nijdigheid? vers 5. De beschrijving, die de Heilige Schrift ons geeft van de harten der mensen van nature, is: dat het gedichtsel der gedachten hunner harten te allen dage alleenlijk boos is, Genesis 6:5. De natuurlijke bedorvenheid openbaart zich voornamelijk door nijdigheid en die ontwikkelt zich voortdurend. De geest, die van nature in den mens woont, brengt de ene slechte voorstelling na de andere voort, gestadig erger, bij degenen, die deze dingen zoeken, er mede omgaan, er door beheerst worden en er zich in verheugen. Deze wijze van handelen van de wereld, dit najagen van vertoning en vermaak, dit in twisten en gekrakeel geraken ter wille van die dingen, is het zekere gevolg van de vriendschap der wereld, want er is geen vriendschap zonder overeenstemming der geesten. En daarom moeten Christenen, die twist willen vermijden, de vriendschap der wereld vermijden en tonen dat zij door betere beginselen bestuurd worden en dat een edeler geest in hen woont, want zo wij Gods eigendom zijn, geeft Hij meerdere genade dan om te leven en te handelen zoals de wereld over het algemeen doet. De geest der wereld leert de mensen twistziek te zijn, maar God leert hen goedertieren te zijn. De geest der wereld leert ons voor ons zelven te sparen en uit te geven en naar onzen eigen zin en wil, maar God leert ons gewillig te zijn om mede bij te dragen voor de behoeften en het gemak van anderen en daardoor goed te doen aan allen rondom ons, naar ons vermogen. De genade van God is het tegenovergestelde van den geest der wereld, en daarom moet de vriendschap der wereld vermeden worden, wanneer wij voorgeven vrienden van God te zijn, ja, de genade Gods zal den geest, die van nature in ons woont, verbeteren en genezen, want Hij geeft genade, Hij geeft een anderen geest dan dien der wereld.
III. Wij worden onderricht om het onderscheid op te merken, dat God maakt tussen hoogmoed en nederigheid. God wederstaat den hovaardigen, maar den nederigen geeft Hij genade, vers 6. Dat wordt ons voorgesteld als de taal der Schrift in het Oude Testament, want wij lezen in het boek der Psalmen: Gij verlost het bedrukte volk (zo hun gemoedsstemming is gelijk bij hun toestand past), maar de hoge ogen vernedert Gij, Psalm 18:28, en in het boek der Spreuken: De spotters zal Hij bespotten, maar den zachtmoedigen zal Hij genade geven, Spreuken 3:34. Twee dingen vallen hier op te merken:
1. De ongenade, die op de hovaardigen valt. God wederstaat hen, het oorspronkelijke woord antitassotai betekent: God stelt zich zelven als wederpartij tegen hen. En kan er groter ongenade zijn dan dat God iemand voor oproerling, voor vijand, voor verrader van Zijn kroon en waardigheid verklaart en als zodanig tegen Hem optreedt? De hovaardige wederstaat God, door zijn verstand wederstaat hij de waarheid Gods, met zijn wil wederstaat hij de wetten Gods, met zijn hartstochten wederstaat hij de voorzienigheid Gods, en daarom is het geen wonder dat God den hovaardigen wederstaat. Trotse geesten moeten daarnaar horen en er voor beven. God wederstaat hen. Wie kan den ellendigen toestand beschrijven van hen, die zich God ten vijand maken? Hij zal zeker vroeger of later met schaamte bedekken de aangezichten van hen, die hun harten vervuld hebben met hoogmoed. Wij moeten derhalve den hoogmoed in onze harten weerstaan, wanneer wij niet willen dat God ons weerstaan zal.
2. De eer en hulp, die God den nederigen geeft. Genade, het tegenovergestelde van ongenade, is eer, deze geeft God den nederigen, en wanneer God den nederigen genade geeft, zal Hij hem daarbij alle andere genaden geven, en Hij zal meerdere genade geven. Waar God ware genade geeft, zal Hij meer geven, want hem, die heeft en die behoorlijk gebruikt hetgeen hij heeft, zal meer gegeven worden. Hij zal met name genade geven aan den nederigen, omdat die er behoefte aan gevoelt, er om bidden en er voor danken zal, en dezulken zullen ontvangen. En wel om deze reden:
IV. Wij moeten ons geheel en al aan God onderwerpen. Zo onderwerpt u dan Gode, wederstaat den duivel en hij zal van u vlieden, vers 7. Christenen moeten de vriendschap der wereld verzaken en waken tegen den nijd en den hoogmoed, dien zij de overhand zien hebben in natuurlijke mensen, en moeten door genade leren hun heerlijkheid te stellen in hun onderwerping aan God. Onderwerpt uzelven aan Hem als onderdanen aan hun vorst, in de betrachting van uw plicht, en als de ene vriend aan den anderen, in liefde en belangstelling. Onderwerpt uw verstand aan de waarheden Gods, onderwerpt uw wil aan den wil Gods, den wil van Zijn bevelen en den wil van Zijn voorzienigheid. Wij zijn onderdanen, en als zodanig moeten wij onderworpen zijn, niet alleen door ontzag, maar ook uit liefde, niet alleen uit vreze, maar ook om des gewetens wil. Onderwerpt uzelven Gode, in de overweging op hoe velerlei wijzen gij daartoe verplicht zijt, en hoeveel gij er door winnen zult, want Gods heerschappij over u zal u niet schaden maar enkel goed doen. En voorts, daar deze onderwerping en onderdanigheid het zijn, die de duivel vooral op allerlei wijzen tracht te verhinderen, zo moeten wij met grote kracht en standvastigheid zijn inblazingen weerstaan. Wanneer hij ons wil doen geloven dat een stille onderwerping aan den wil en de voorzienigheid Gods onheil over ons brengen zal, moeten wij deze ingeving van vrees weerstaan. Wanneer hij ons wil wijsmaken dat onderwerping aan God een verhindering zou zijn voor ons uitwendig geluk of wereldlijk voordeel, dan moeten wij deze verzoekingen tot hoogmoed of luiheid weerstaan. Wanneer hij ons verzoekt om van enige onzer ellenden of droefenissen of van ons kruis de schuld aan de Voorzienigheid te geven, zodat wij die zouden kunnen vermijden door in plaats van Gods leidingen de zijne te volgen, dan moeten wij met alle kracht deze verzoeking weerstaan, en nooit denken dat uit het doen van het kwade het goede kan voortkomen. Laat den duivel in geen van deze of dergelijke verzoekingen ooit de overhand over u verkrijgen, maar wederstaat hem en hij zal van u vlieden. Wanneer wij lafhartig voor zijn verzoekingen zwichten, zal de duivel ons voortdurend vervolgen, maar wanneer wij de gehele wapenrusting Gods aantrekken en hem tegenstaan, zal hij ons verlaten. Beslistheid sluit en grendelt de deur tegen verzoeking.
V. Ons wordt gezegd hoe wij jegens God ons te gedragen hebben, om waarlijk aan Hem onderworpen te zijn, vers 8-10. Naakt tot God. Het hart, dat oproer gemaakt heeft, moet aan de voeten van God gebracht worden, de geest, die verre was en vervreemd van een leven in de gemeenschap en omgang met God, moet met Hem vertrouwd worden. Naakt (komt dicht bij) God door Zijn verering, Zijn instellingen, en in alle plichten die Hij van u vordert. 2.. Reinigt de handen. Hij, die tot God komt, moet gereinigde handen hebben. Paulus beveelt daarom dat opgeheven moeten worden heilige handen zonder toorn of twist, 1 Timotheus 2:8, handen vrij van bloed, van omkoping, van al wat wreed of onrechtvaardig is, vrij van elke besmetting der zonde, die een dienstknecht van de zonde is, is geen onderdaan van God. De handen moeten gereinigd worden door het geloof, door berouw, door hervorming, anders zal het vergeefs zijn dat wij tot God naderen in gebed en oefeningen van Godsverering.
3. De harten van de dubbelhartigen moeten gezuiverd worden. Zij, die hinken tussen God en de wereld, zijn dubbelhartigen. Het hart zuiveren is oprecht zijn en handelen naar dit ene beginsel en met dit ene oogmerk: liever God behagen dan enig ding hoegenaamd in de wereld zoeken. Huichelarij is onzuiverheid des harten, maar zij, die in waarheid zich aan God onderwerpen, zullen zowel hun harten zuiveren als hun handen reinigen.
4. Gedraagt u als ellendigen, en treurt en weent, vers 9. Neemt alle droefenissen, die God u zendt, aan zoals Hij dat van u wil, en zijt er niet ongevoelig onder. Weest bedroefd wanneer u droefenissen gezonden worden, en acht die niet gering, weest ook bedroefd met hen die in droefenis zijn, lijdt met hen mede, en deelt van harte in de onheilen, die Gods gemeente treffen. Treurt en weent over uw eigen zonden en die van anderen. Dagen van twist en verdeeldheid zijn dagen om te treuren, en de zonden, die krijgen en vechterijen veroorzaken, moeten beweend worden. Uw lachen worde veranderd in treuren, en uw blijdschap in bedroefdheid. Dit kan aangemerkt worden als een voorzegging van smart, zowel als een voorschrift van ernst. De mensen mogen denken dat zij zorgen kunnen trotseren, maar God kan die zwaar over hen brengen, niemand kan zo hartelijk lachen, of zijn lachen kan in treuren veranderd worden, en Jakobus waarschuwt de Christenen, die dat niet in acht nemen, dat zo iets dreigt hun lot te worden. Hun wordt daarom aanbevolen, alvorens het ergste komt, hun ijdel zelfbehagen en hun zinnelijke genoegens te laten varen, opdat zij godvruchtige droefheid mogen gevoelen en tranen des berouws wenen.
5. Vernedert u voor den Heere. Laat de innerlijke gesteldheid uwer ziel overeenstemmen met al deze uitwendige tekenen van droefheid en zorg, hiervoren vermeld. Nederigheid van geest wordt hier vereist, voor de ogen van Hem, die voor alles het hart aanziet. Laat er diepgaande vernedering zijn in het bewenen van al wat kwaad is, laat er grote nederigheid zijn in het doen van al wat goed is. Vernedert u.
VI. Wij ontvangen grote aanmoediging om ons aldus jegens den Heere te gedragen. Hij zal naderen tot hen, die tot Hem naderen, vers 8, en Hij zal verhogen degenen, die zich voor Hem vernederen, vers 10. Zij, die in den weg van plicht tot God naderen, zullen ondervinden dat Hij in den weg van barmhartigheid tot hen nadert. Nadert tot Hem met geloof, met vertrouwen en met gehoorzaamheid, en Hij zal naderen ter uwer verlossing. Indien er geen innige gemeenschap is tussen God en ons, dan is dat onze schuld en niet de Zijne. Hij zal de nederigen verhogen. Dat heeft de Heere ons meermalen betuigd: Wie zich zelven zal vernederen, die zal verhoogd worden, Mattheus 23:12. Indien wij in waarheid berouwvol en nederig zijn onder de tekenen van Gods ongenoegen, zullen wij binnen korten tijd de voordelen van Zijn gunst genieten, Hij zal ons uit onze moeiten verhogen, Hij zal ons tot eer en veiligheid in de wereld brengen, of Hij zal ons verhogen op onzen weg ten hemel en daardoor onze harten verheffen boven de wereld. Hij zal het hart der verbrijzelden levend maken, Jesaja 57:15. Hij zal den wens der zachtmoedigen horen, Psalm 10:17. Hij zal hen ten slotte tot heerlijkheid verhogen. De nederigheid gaat voor de eer. De hoogste eer in den hemel zal gegeven worden aan hen, die op aarde de nederigsten zijn.