Mattheus 20:29-34
Wij hebben hier het bericht van de genezing van twee arme blinde bedelaars, waarin wij hebben te letten op:
I. Hun verzoek aan Christus, vers 29, 30, en daarbij op:
1. De omstandigheden. Het was toen Christus en Zijne discipelen vertrokken van Jericho, van de stad, die onder een vloek herbouwd werd, heeft Christus afscheid genomen met dien zegen, want Hij heeft gaven ontvangen, ook voor de wederhorigen. Het was in de tegenwoordigheid van een grote schare, die Hem gevolgd was. Christus had een talrijk, hoewel geen schitterend gevolg, en Hij deed hun goed, hoewel Hij geen aanzien of staatsie aan hen ontleende. Die schare, welke Christus volgde, was zeer gemengd. Sommigen volgden Hem om den brode, en sommigen uit liefde, sommigen uit nieuwsgierigheid en anderen in verwachting van Zijn tijdelijke regering, waarvan zelfs de discipelen droomden, zeer weinigen met de begeerte om van Hem te leren hun plicht te doen. Evenwel, om den wille dier weinigen heeft Hij Zijne leer bevestigd door Zijne wonderen, die Hij wrocht in de tegenwoordigheid van grote scharen, die, zo zij er niet door overtuigd werden, des te minder te verontschuldigen zouden zijn. Twee blinden stemden samen in hun verzoek, want het verenigd gebed is Christus welbehaaglijk, Hoofdstuk 18:19. Deze deelgenoten in hetzelfde lijden, deelden ook in hetzelfde gebed. Het is goed dat zij, die gebukt gaan onder een zelfde ramp, of onder hetzelfde lichaamsgebrek, samenstemmen in het gebed tot God om hulp en uitkomst, opdat zij elkaar opwekken tot ijver en elkanders geloof aanmoedigen. Er is in Christus genoeg genade om aan alle bidders te voldoen. Deze blinden waren zittende aan den weg, zoals blinde bedelaars gewoonlijk doen. Zij, die genade van Christus wensen te verkrijgen, moeten zich stellen ter plaatse, waar Zijne uitgangen zijn, waar Hij zich openbaart aan hen, die Hem zoeken. Het is goed om Christus aldus op den weg te ontmoeten.
Zij hoorden dat Jezus voorbijging. Zij waren blind, maar niet doof. Het gezicht en het gehoor zijn de lerende zintuigen. Het is een grote ramp een dier zintuigen te moeten missen, maar het gebrekkige van het ene kan vergoed worden en wordt ook meermalen vergoed door de juistheid en scherpheid van het andere. Daarom hebben sommigen het opgemerkt als een voorbeeld van de barmhartigheid Gods, dat nooit iemand blind en doof geboren is, maar dat aan ieder het vermogen is gegeven om kennis te ontvangen. Deze blinden hadden van Christus gehoord met het gehoor van het oor, maar zij begeerden dat hun ogen Hem mochten zien. Als zij hoorden dat Jezus voorbijging, vroegen zij niet wie met of bij Hem waren, of Hij al of niet haast had, maar onmiddellijk riepen zij. Het is goed om de gelegenheid, die zich voordoet, aan te grijpen, zijn voordeel te doen met hetgeen thans te verkrijgen is, want zo men de gelegenheid voorbij laat gaan, kan zij wel nimmer terugkeren. Deze blinden deden dit, en zij deden verstandig, want wij lezen niet, dat Christus ooit weer te Jericho kwam.
Nu is het de welaangename tijd.
2. De bede zelf is nog merkwaardiger: Heere, Gij Zone David's, ontferm U onzer, herhaald in vers 31. Vier dingen worden ons hierin ten voorbeeld gesteld, want, hoewel het lichamelijk nog duister was, het oog des geestes was verlicht ten opzichte van waarheid, plicht en belang. a. Een voorbeeld van dringend aanhouden in het gebed. Zij riepen als mensen, aan wie het ernst is. Een koel uitgedrukte begeerte lokt slechts ene weigering uit. Zij, die willen overmogen in het gebed, moeten er zich toe opwekken om God als het ware aan te grijpen in het gebed. Toen zij ontmoedigd werden in hun pogen door de scharen, die hen bestraften, riepen zij slechts te meer. De stroom der vurigheid in het gebed zal, als men hem stremt, zich des te hoger verheffen. Dit is worstelen met God in het gebed, en maakt ons des te meer geschikt om den zegen te ontvangen, want hoe meer er naar gestreefd wordt, des te meer zal hij gewaardeerd en dankbaar erkend worden.
b. Van ootmoed in het gebed, in het woord: Ontferm U onzer, de gunst niet in bijzonderheden noemende, niet voorschrijvende wat Hij hun schenken zal, en nog minder pleitende op verdiensten, maar zich goedsmoeds en vol vertrouwen overgevende aan den Middelaar voor den zegen, dien Hij hun wil schenken. Ontferm U onzer. Zij vragen niet om zilver of goud, hoewel zij arm waren, maar om ontferming. Dat is het, waar wij ons hart op moeten stellen, als wij komen tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, Hebreeën 4:16, Psalm 103:7.
c. Van gelovig bidden, in den titel, dien zij Christus gaven, en waarin een pleitgrond gelegen was: Heere, Gij Zone David's, Zij belijden, dat Jezus Christus Heere is, en dus de macht heeft, om verlossing voor hen te gebieden. Voorzeker was het door den Heiligen Geest, dat zij Christus Heere noemden, 1 Corinthiërs 12:3. Aldus ontlenen zij moed voor hun gebed aan Zijne macht, gelijk zij, door Hem Zone David's te noemen, moed ontlenen aan Zijne goedheid, als den Messias, van wie zo vele goede en barmhartige dingen voorzegd waren, inzonderheid Zijn mededogen met armen en nooddruftigen, Psalm 72:12, 13. Het is van uitnemend nut in het gebed om Christus te beschouwen in de genade en heerlijkheid van Zijn Messiasambt: te gedenken dat Hij de Zone David's is, wiens ambt het is te helpen en te behouden, en hierop dan bij Hem te pleiten.
d. Van volharding in den gebede, in weerwil van ontmoediging. De schare bestrafte hen, als luidruchtig en onbescheiden, zij geboden hen te zwijgen en den Meester niet te storen, die zelf in het eerst hen wellicht niet opmerkte. Als wij Christus volgen met onze gebeden, dan moeten wij verwachten gehinderd en ontmoedigd te zullen worden, van binnen en van buiten, door het een of het ander, dat ons het zwijgen wil opleggen. Zulke bestraffingen worden toegelaten, opdat ons geloof en onze ijver, ons geduld en onze volharding beproefd zullen worden. Deze arme blinden worden bestraft door de schare, die Christus volgde. De oprechte en ernstige bedelaars aan Christus' deur ontvangen gemeenlijk de scherpste bestraffingen van hen, die Hem slechts geveinsd volgen. Maar op zo groot een zegen uit zijnde, wilden zij zich niet laten verdrijven, het was geen tijd voor complimenten of voor bedeesdheid, neen, zij riepen te meer. Men behoort altijd te bidden en niet te vertragen, Lukas 18:1, te bidden met volharding, en niet te wijken voor tegenstand.
II. Het antwoord van Christus op hun verzoek. De schare bestrafte hen, maar Christus bemoedigde hen. Het zou treurig met ons gesteld wezen, indien de Meester niet vriendelijker en barmhartiger was dan de schare. Maar Hij bemint het diegenen te ondersteunen en te beschermen, die onder de bestraffing en afkeuring en minachting der mensen lijden. Hij zal Zijn ootmoedige smekelingen niet laten vertreden of verdrijven.
1. Jezus, stil staande, riep hen, vers 32. Hij ging nu op naar Jeruzalem, en hoe was Hij geperst tot dat Zijn werk aldaar volbracht was, en toch stond Hij stil, om deze blinden te genezen. Al zijn wij ook nog zo zeer gehaast in het een of ander, moeten wij toch altijd bereid zijn om stil te staan en goed te doen. Hij riep hen, niet omdat Hij hen niet op een afstand kon genezen, maar omdat Hij het op de vriendelijkste en tevens leerrijkste wijze doen wilde, en zwakke, doch gewillige lijders en bidders wil steunen en bemoedigen. Christus beveelt ons niet slechts te bidden, Hij nodigt ons er toe, Hij reikt ons den gouden scepter toe, en zegt ons te komen en er de spits van aan te roeren.
2. Hij deed nu verder onderzoek naar hun zaak: Wat wilt gij, dat Ik u doe? Dit geeft te kennen
a. Een schoon aanbod. Hier ben Ik, laat Mij weten wat gij wenst, en gij zult het verkrijgen. Wat willen wij meer? Hij is machtig om voor ons te doen, en Hij is er even gewillig als machtig toe. Bidt, en u zal gegeven worden.
b. Ene voorwaarde, die aan dit aanbod wordt verbonden, een zeer gemakkelijke en billijke voorwaarde, dat zij Hem zullen zeggen wat zij willen, dat Hij hun doen zal. Men zou dit een vreemde vraag kunnen vinden, iedereen zou wel kunnen zeggen wat zij wilden. Christus wist het ook wel, maar Hij wil het van hen weten, of zij slechts om een aalmoes vroegen, als aan een gewoon mens, of om genezing, als aan den Messias. Het is de wil van God, dat wij in alles onze begeerten door bidden en smeken Hem bekendmaken, niet om Hem in te lichten of te bewegen, maar om ons zelven geschikt te maken voor het ontvangen van den zegen. De schuitenvoerder, die met zijn haak den oever aangrijpt, haalt hierdoor niet den oever naar de boot, maar brengt de boot naar den oever. Zo brengen wij door het gebed den zegen niet tot ons, maar ons zelven tot den zegen. Zij maakten Hem spoedig hun verzoek bekend, een verzoek, dat zij nooit tot iemand anders hadden gericht: Heere, dat onze ogen geopend worden. Van de behoeften en de lasten van het lichaam zijn wij ons spoedig bewust, en kunnen ze dus gemakkelijk verhalen, Ubi dolor, ubi digitus -De vinger wijst terstond waar de pijn is. Ach! mochten wij ons even snel bewust zijn van onze geestelijke krankheden, en er met even veel smartgevoel over klagen, inzonderheid onze geestelijke blindheid! Heere, dat de ogen onzes geestes geopend mogen worden! Velen zijn geestelijk blind, en zeggen toch dat zij zien, Johannes 9:41. Als wij onze duisternis slechts bemerkten, dan zouden wij ons wenden tot Hem, die alleen de ogenzalf heeft, met de bede: Heere, dat onze ogen geopend worden.
3. Hij genas hen. Toen Hij hen aanmoedigde om Hem te zoeken, heeft Hij niet gezegd: Zoekt tevergeefs. Wat Hij deed was.
a. Een voorbeeld van Zijn medelijden, Hij was innerlijk met barmhartigheid bewogen. Ellende is het voorwerp voor Gods barmhartigheid. Zij, die arm en blind zijn, zijn ellendig en jammerlijk, Openbaring 3:17, en de voorwerpen van medelijden. Het was de barmhartigheid onzes Gods om licht te geven aan hen, die in duisternis zaten, Lukas 1:78, 79. Wij kunnen hen niet helpen, die door deze rampen zijn getroffen, zoals Christus hen geholpen heeft, maar wij kunnen en moeten medelijden met hen hebben, zoals Christus medelijden met hen had.
b. Van Zijne macht, kan Hij, die het oog geformeerd heeft, het niet helen? Ja Hij kan het, Hij deed het, en Hij deed het gemakkelijk, Hij raakte hun ogen aan, Hij deed het terstond en volkomen, terstond werden hun ogen ziende. Aldus bewees Hij niet slechts van God te zijn gezonden, maar Hij toonde hun op wat boodschap Hij was uitgezonden- het gezicht te geven aan hen, die geestelijk blind zijn, en hen te bekeren van de duisternis tot het licht. Eindelijk. Toen deze blinden het gezicht hadden ontvangen, volgden zij Hem. Niemand kan Christus blindelings volgen. Door Zijne genade opent Hij eerst de ogen der mensen, en trekt Hij hun hart tot zich. Zij volgden Christus als Zijne discipelen en Zijne getuigen, Zijne ooggetuigen, om getuigenis af te leggen van Hem en Zijne goedheid. Het beste blijk en bewijs van geestelijke verlichting is een voortdurende, onafscheidelijke aanhankelijkheid aan Jezus Christus als onzen Heere en Leidsman.