Lukas 12:54-59
Aan de discipelen hun les gegeven hebbende in de vorige verzen, wendt Christus zich nu tot de scharen, om hun de hun te geven, vers 54.
Hij zei ook tot de scharen, Hij predikte ad populum, voor het volk, zowel als adclerum voor degeestelijkheid. Hij wilde hen in het algemeen even verstandig hebben ten opzichte van hun ziel, als zij het waren voor uiterlijke omstandigheden. Hij noemt twee zaken:
I. Zij moeten leren den weg te onderscheiden, dien God met hen houdt, teneinde dienovereenkomstig bereid te zijn. Zij waren weerkundig, en door waarneming van wind en wolken konden zij voorzien of er regen of hitte zou komen, vers 54, 55, en naar zij voorzagen dat het weer zijn zou, hebben zij hun hooi en koren in de schuren gebracht, of wel zich voor een reis toegerust. Zelfs omtrent de weersverandering geeft God ons waarschuwingen, en de menselijke kunst heeft ons door barometers en thermometers, die weersverandering nog duidelijker weten voor te stellen. De weersvoorspellingen, waarvan hier gesproken wordt, berusten op gedurige waarnemingen, uit hetgeen geweest is maken wij op hetgeen zijn zal. Zie het nut der ervaring, door kennis te nemen kunnen wij er toe komen om kennis te geven. Wie wijs is, zal opmerken en leren. Zie nu:
1. De bijzonderheden der voorspellingen: Wanneer gij een wolk ziet opgaan van het westen -de Hebreeën zouden zeggen uit de zee -wellicht is zij in den beginne niet groter dan eens mans hand, 1 Koningen 18:44, terstond zegt gijlieden, er komt regen, en het geschiedt alzo. En wanneer gij den zuidenwind ziet waaien, zo zegt gij: Er zal hitte zijn (want de hete landen van Afrika liggen niet ver zuidwaarts van Judea), en het geschiedt. Toch heeft de natuur zich niet zo vast aan zulk een spoor verbonden, of wij kunnen ons soms in die voortekenen vergissen.
2. De gevolgtrekkingen, hieruit afgeleid, vers 56. "Gij geveinsden, die voorgeeft wijs te zijn, maar het niet werkelijk zijt, die voorgeeft den Messias te verwachten en Zijn koninkrijk" (want de meeste Joden deden dit) "en toch geenszins geneigd zijt het te ontvangen, hoe is het dat gij dezen tijd niet onderscheidt, dat gij niet bemerkt dat het, volgens de aanduidingen in de Oud Testamentische profetieën, nu de tijd is dat de Messias moet verschijnen, en dat overeenkomstig de kenmerken, die van Hem gegeven zijn, Ik het ben? Waarom bespeurt gij niet, dat gij nu een gelegenheid hebt, die gij niet lang zult houden, en die gij wellicht nooit weer hebben zult, om u een deel te verzekeren in het koninkrijk Gods en in de voorrechten van dat koninkrijk?" Nu is het de wel-aangename tijd, nu of nooit. Het is de dwaasheid en ellende van den mens, dat hij zijn tijd niet weet, Prediker 9:12. Dat was het verderf van de mensen van dat geslacht, dat zij den tijd hunner bezoeking niet bekend hebben, Hoofd. 19:44. Maar het hart eens wijzen zal tijd en wijze weten, dat was de wijsheid van de kinderen van Issaschar, die ervaren waren in het verstand der tijden, 1 Kronieken 12:32. Hij voegt er bij: Waarom oordeelt gij ook van uzelven niet al waren u deze sterke alarmtekenen niet gegeven-hetgeen recht is? vers 57. Gij zijt niet alleen stompzinnig en achteloos in zaken, die van zuiver Goddelijke openbaring zijn, en let niet op de wenken, die u hierdoor gegeven worden, maar gij zijt dit ook ten opzichte van het licht en de wet der natuur." Het Christendom heeft de rede en de natuurlijke consciëntie aan zijne zijde, en, indien de mensen zich de vrijheid wilden veroorloven om "te oordelen wat recht is", dan zouden zij spoedig bevinden, dat al de wetten van Christus betreffende alle dingen, recht zijn, dat niets meer billijk is op zichzelf, of meer betamelijk voor ons, dan ons er aan te onderwerpen en er ons door te laten besturen en regeren. II. Laat hen zich haasten om met God verzoend te worden, eer het te laat is, vers 58, 59.
1. Voor onze tijdelijke zaken achten wij het verstandig om met hen, tegen wie wij niet bij machte zijn te strijden, een overeenkomst te treffen op de beste voorwaarden, die wij kunnen bedingen, eer het hiervoor te laat is, en wij aan de gestrengheid der wet worden overgegeven. Als gij heengaat met uwe wederpartij voor de overheid, waarop een beroep gedaan is, en gij weet dat hij het voordeel over u heeft, en gij gevaar loopt van veroordeeld te worden, dan weet gij dat het de voorzichtigste weg is om de zaak in der minne met hem te schikken, zo doe naarstigheid op den weg, om van hem verlost te worden, kwijtschelding te verkrijgen, opdat niet recht tegen u gesproken worde overeenkomstig de wet, een vonnis over u geveld en aan u voltrokken zal worden. Verstandige lieden laten hun twistgedingen niet tot het uiterste komen, maar trachten ze intijds bij te leggen.
2. Laat ons evenzo handelen ten opzichte van de zaken onzer ziel. Door de zonde hebben wij God tot onze wederpartij gemaakt, wij hebben Zijn ongenoegen tegen ons opgewekt, en Hij heeft zowel het recht als de macht aan Zijne zijde, zodat het gans doelloos is om de twistzaak met Hem voort te zetten, want zowel voor het gerecht als in den krijg zouden wij worden verslagen. Christus, aan wie al het oordeel is overgegeven, is de overheid voor wie wij ons haasten te verschijnen. Als wij een gerechtelijk onderzoek voor Hem moeten doorstaan, en er in volharden om ons te willen rechtvaardigen, dan zal de rechtszaak voorzeker in ons nadeel uitvallen, de Rechter zal ons den gerechtsdienaar overleveren, en wij zullen in de gevangenis der hel geworpen worden, de schuld zal tot den laatsten penning van ons worden ingevorderd, hoewel wij niet bij machte zijn haar te voldoen, zij zal voortdurend van ons worden geëist, totdat ook het laatste penningske betaald is, hetgeen in eeuwigheid niet zal geschieden. Christus' lijden was kort, maar de waardij er van maakt het tot een volkomen genoegdoening. In het lijden van veroordeelde zondaren moet hetgeen er in tekort komt in waardij, vergoed worden door den eindelozen duur. Laat ons dan naarstigheid doen om verlost te worden uit de handen van God als tegenpartij, en in Zijne handen te komen als Vader, en dat wel terwijl wij op den weg zijn, waarop hier den meesten nadruk gelegd wordt. Zolang wij leven zijn wij "op den weg", en nu is het onze tijd, om, door bekering en geloof, door Christus (die de Middelaar is, zowel als de Rechter) den twist ten einde te brengen, eer het te laat is. Aldus was God in Christus, de wereld met zich zelven verzoenende. Laat ons den arm des Heeren aangrijpen, die uitgestrekt is in genaderijke aanbieding om vrede te maken, en wij zullen vrede maken, Jesaja 27:4, 5, want wij kunnen niet tezamen wandelen tenzij wij overeengekomen zijn.