Johannes 18:28-40
Wij hebben hier een bericht van Christus' terechtstelling voor Pilatus, den Romeinsen stadhouder in het praetorium, (een Grieks woord van Latijnsen oorsprong) het huis van den praetor, of rechthuis. Daarheen haastten zij Hem voort ten einde Hem veroordeeld te krijgen door het Romeinse hof, en ter dood gebracht door de Romeinse macht. Zijn dood besloten hebbende, namen zij dezen maatregel:
1. Opdat Hij aldus wettelijk en regelmatig ter dood gebracht zou worden, overeenkomstig de tegenwoordige inrichting hunner regering sedert zij ene provincie van het Romeinse rijk waren geworden, niet gestenigd in een volksoploop, zoals Stefanus, maar ter dood gebracht naar de tegenwoordige formaliteiten van het recht. Aldus werd Hij behandeld als een kwaaddoener, zonde voor ons gemaakt zijnde.
2. Opdat Hij des te veiliger ter dood gebracht zou worden. Indien zij de Romeinse regering voor de zaak konden winnen, die het volk in ontzag wist te houden, dan was er weinig of geen gevaar voor een oproer.
3. Opdat Zijn dood smadelijker zou zijn. De kruisdood, in zwang bij de Romeinen, de smadelijkste en schandelijkste zijnde, wilden zij, door Hem dien dood te laten sterven, een onuitroeibaar merk van schande op Hem plaatsen, om zodoende Zijn roem en Zijn invloed voor altijd te vernietigen. Daarom bleven zij bij hun geroep van: Kruis hem.
4. Opdat Hij met te minder smaad en schande voor hen zelven ter dood gebracht zou worden. Het was iets hatelijks om iemand ter dood te brengen, die zoveel goeds in de wereld had gedaan, en daarom wilden zij de blaam er van op de Romeinse regering werpen, ten einde deze dan zoveel te minder aangenaam of welgevallig zou zijn aan het volk, en zich zelven aldus tegen verwijt te vrijwaren. Zo zijn velen meer bevreesd voor de ergernis ener slechte daad, dan voor de zonde er van, Handelingen 5:28. Twee dingen zijn hier op te merken betreffende de vervolging:
a. Hun staatkunde en hun ijver: het was `s morgens vroeg. Sommigen denken ongeveer twee of drie uren na middernacht, anderen omstreeks vijf of zes uur in den morgen, wanneer de meeste mensen nog te bed lagen, en zo zou er dan des te minder gevaar zijn van tegenstand van de zijde des volks, of van hen, die voor Christus waren, terwijl zij toen ook hun agenten hadden uitgezonden om diegenen bijeen te roepen, op wie zij invloed konden uitoefenen om vijandige kreten tegen Hem aan te heffen. Zie, hoe hun hart hierop gezet was, en hoe heftig zij waren in de vervolging. Nu zij Hem in handen hadden, willen zij geen tijd verliezen om Hem aan het kruis te hebben, liever ontzegden zij zich hun natuurlijke rust, dan niet allen mogelijken spoed met de zaak te maken. Zie Micha 2:1.
b. Hun bijgelovigheid en lage veinzerij. De overpriesters en de ouderlingen waren wel met den gevangene medegegaan ten einde de zaak voortgang te doen hebben, maar zij gingen niet in het rechthuis, omdat het het huis was van een onbesneden heiden, opdat zij niet verontreinigd zouden worden, zij bleven buiten staan, opdat zij het pascha eten mochten, niet het paaslam, want dat was den avond tevoren gegeten, maar den paasmaaltijd van het offer, dat op den vijftienden dag geofferd werd op de Chagigah, zoals zij het noemden, de runderen voor het paasoffer, waarvan gesproken wordt in Deuteronomium 16:2, 2 Kronieken 30:24, 35:8, 9. Daarvan moesten zij eten, en daarom wilden zij niet in het rechthuis gaan, uit vreze van een heiden aan te raken, en daardoor, niet volgens de wet, maar volgens de inzetting der ouden, verontreinigd te worden. Hieromtrent hebben zij gewetensbezwaar, maar het bezwaarde hun geweten niet om alle wetten van recht en billijkheid met voeten te treden, ten einde Christus tot den dood toe te kunnen vervolgen. Zij zegen den mug uit en gingen den kameel doorzwelgen. Laat ons nu zien wat er in het rechthuis voorviel. Wij hebben:
I. Pilatus' samenspreking met de vervolgers. Zij werden het eerst geroepen, en gaven op wat zij tegen den gevangene hadden te zeggen, zoals dit betaamde, vers 29-32.
1. De rechter vraagt naar de beschuldiging. Omdat zij niet in het rechthuis wilden komen, ging hij tot hen uit om met hen te spreken. Beschouwen wij Pilatus als rechter, of overheidspersoon, dan zien wij hier drie prijzenswaardige dingen in hem.
a. Zijne naarstigheid in het behandelen van zaken. Indien het voor een goede zaak geweest ware, dan zou het zeer loffelijk in hem geweest zijn, dat hij bereid was om reeds zo vroeg naar de rechtszaal geroepen te worden. Mannen, die een openbaar ambt bekleden, moeten niet op hun eigen gemak bedacht zijn.
b. Zijne inschikkelijkheid om met terzijdestelling van zijne waardigheid, zich naar buiten te begeven, ten einde aan hun gemoedsbezwaren tegemoet te komen. Hij had kunnen zeggen: "Als zij te nauwgezet of te kieskeurig zijn om bij mij binnen te komen, zo laat hen gaan zoals zij gekomen zijn", zoals wij zouden zeggen: "Indien de klager de burgerlijke beleefdheid jegens den rechter niet wil inachtnemen, dan moet zijne klacht niet gehoord of aangenomen worden". Maar Pilatus dringt daar niet op aan, hij heeft geduld met hen, en gaat tot hen uit, want als het ten goede is, dan behoren wij allen alles te worden. Zijn vasthouden aan den regel der gerechtigheid door naar de beschuldiging te vragen, daar hij wel veronderstelde, dat de vervolging uit kwaadwilligheid geschiedde: Wat beschuldiging brengt gij tegen dezen mens? Welke misdaad legt gij hem ten laste, en welke bewijzen hebt gij er voor? Het was reeds ene wet der natuur, voordat Valerius Publicola het tot een Romeinse wet maakte, dat Ne quis indicta causa condemnetur -niemand veroordeeld moet worden zonder gehoord te zijn, zie Handelingen 25:16, 17. Het is onredelijk iemand gevangen te zetten, zonder dat in het bevelschrift daartoe ene reden er voor is opgegeven, en nog veel meer onredelijk is het, om iemand voor ene rechtbank te roepen zonder ene acte van beschuldiging.
2. De vervolgers eisen recht tegen Hem op de algemene onderstelling, dat Hij een misdadiger was, terwijl zij niets in het bijzonder aanvoeren en nog veel minder bewijzen, waarom Hij den dood of de banden waardig zou zijn, vers 30. Indien deze geen boosdoener ware, zo zouden wij hem u niet overgeleverd hebben om veroordeeld te worden. Dit toont aan, dat zij:
a. Zeer ruw en onbeleefd waren jegens Pilatus, zich als boosaardige lieden voordeden, die het gezag minachtten. Terwijl Pilatus zich zo inschikkelijk betoonde jegens hen, dat hij tot hen uitging om met hen te spreken, waren zij in een uiterst kwade luim jegens hem. Hij deed hun vragen, die zo redelijk mogelijk waren, maar als die vragen zo dwaas of ongerijmd mogelijk geweest waren, dan zouden zij hem met niet meer minachting hebben kunnen antwoorden.
b. Zeer boosaardig jegens den Heere Jezus, terecht of ten onrechte, zij willen nu eenmaal dat Hij een boosdoener is, en als zodanig behandeld zal worden. Wij moeten iemand voor onschuldig houden, zoo- lang het niet bewezen is, dat hij schuldig is, maar zij willen Hem voor schuldig houden, die bewijzen kon onschuldig te zijn. Zij kunnen niet zeggen: "Hij is een verrader, een moordenaar, een verstoorder van den vrede", maar zij zeggen: hij is een kwaaddoener. Hij is een kwaaddoener, die het land doorging goed doende! Laat hen geroepen worden, die Hij heeft genezen, gespijzigd en onderwezen, die Hij heeft verlost van duivelen, en opgewekt heeft van de doden, en laat hun gevraagd worden, of Hij al of niet een kwaaddoener is. Het is niets nieuws, dat de grootste weldoeners gebrandmerkt worden en in minachting gebracht als de grootste kwaaddoeners.
c. Als zeer verwaand en hoogmoedig met een hogen dunk van hun eigen oordeel en rechtvaardigheid, alsof hun overleveren van iemand als een kwaaddoener voor den burgerlijken magistraat genoegzamen grond opleverde voor een rechterlijk vonnis! Kan men zich groter hoogmoed denken?
3. De rechter verwijst Hem naar hun eigen hof, vers 31: Neemt gij hem, en oordeelt hem naar uwe wet, valt er m ij niet mede lastig. Sommigen denken, dat Pilatus hun hiermede ene beleefdheid bewees, daar hij er de macht mede erkende, die hun nog overig was gebleven en hun toestond die macht uit te oefenen. Zij konden nog lijfstraffen opleggen, zoals het geselen in hun synagogen, of zij de doodstraf mochten toepassen is onzeker. "Maar, zegt Pilatus, "gaat zo ver als uwe wet het u toelaat, en zo gij verder mocht gaan, zal dit door de vingers worden gezien". Dit zei hij omdat hij den Joden wel aangenaam wilde zijn, maar hun niet den dienst wilde bewijzen, dien zij van hem begeerden. Anderen denken, dat hij dit zei om hen te bespotten, en hen te smaden wegens hun tegenwoordigen staat van zwakheid en afhankelijkheid. Zij wilden de enige rechters zijn van zijne schuld. "Welnu", zegt Pilatus, "indien dit uwe bedoeling is, gaat dan voort zoals gij zijt begonnen, naar uwe wet hebt gij hem schuldig bevonden, veroordeelt hem dan zo gij durft, naar uwe wet". Niets is ongerijmder, of verdient meer op de kaak gesteld te worden, dan dat diegene de wet willen stellen en op hun wijsheid snoeven, die zich in een zwakken en afhankelijken toestand bevinden, en wier lot het is, dat hun de wet voorgeschreven wordt. Sommigen denken, dat Pilatus zich hier ongunstig uitlaat over de wet van Mozes, als hun vergunnende wat de Romeinse wet hun volstrekt niet vergunde-namelijk iemand ongehoord te veroordelen. "Uwe wet kan zo iets wel toelaten, maar de onze niet." Alzo werd door hun verdorvenheid de wet van God gelasterd, en zo gaat het ook met Zijn Evangelie.
4. Zij ontkennen enigerlei macht te hebben als rechters en (daar het zo zijn moet) willen zij zich tevreden stellen met slechts vervolgers te zijn. Zij worden nu minder onbeschaamd en meer gedwee, en erkennen: Het is ons niet geoorloofd iemand te doden, al kunnen wij ook geringer straffen opleggen, en deze is een kwaaddoener, wiens bloed wij willen".
a. Sommigen denken, dat zij de macht over leven en dood slechts verloren hadden door hun eigen onverschilligheid en hun lafhartig toegeven aan de ongerechtigheid van hun tijd. Zo verklaart Dr. Lightfoot ouk exesti: het is niet in onze macht over iemand het doodvonnis uit te spreken, want zo wij het wèl doen, zal er onmiddellijk een volksopstand komen.
b. Anderen denken, dat die macht hun ontnomen was door de Romeinen, omdat zij er geen goed gebruik van hadden gemaakt, of omdat het als een te groot vertrouwen werd aangezien, om aan een overwonnen en onderworpen volk te kunnen geven. Hun erkenning hiervan bedoelden zij als ene beleefdheid jegens Pilatus, om hun vorige lompheid goed te maken, vers 30, maar het komt neer op een volle erkenning en bewijs, dat de scepter van Juda was geweken, en dat dus nu de Messias was gekomen, Genesis 49:10. Indien de Joden de macht niet hebben om iemand te doden, waar is dan de scepter? Toch vragen zij niet: "Waar is de Silo?"
c. Het was echter ene leiding van Gods voorzienigheid, dat zij of de macht niet hadden om iemand ter dood te brengen, of wel weigerden die macht bij deze gelegenheid uit te oefenen, Opdat het woord van Jezus vervuld werd, dat Hij gezegd had, betekenende hoedanigen dood Hij sterven zou, vers 32. Merk op: a. In het algemeen, dat zelfs diegenen, die Christus' woorden zo gaarne wilden verijdelen, tegen hun bedoeling in, door de alles-besturende hand van God, er toe medewerkten om ze te vervullen. Geen der woorden van Christus zal ter aarde vallen, Hij kan noch misleiden noch misleid worden. De overpriesters vervolgden Hem als een misdadiger, maar hun geest werd daarbij zo geleid door God, dat zij er toe bijdroegen om te bewijzen, dat Hij waar was en waarheid sprak. Hadden zij andere maatregelen genomen, dan hadden zij, naar wij zouden denken, kunnen maken dat Zijne voorzeggingen niet uitkwamen. Zij hebben het echter zo niet gemeend. Zie Jesaja 10:7. b. Die woorden van Christus inzonderheid zijn vervuld geworden, die Hij gesproken had betreffende Zijn dood. Door de weigering der Joden om Hem te oordelen naar hun wet zijn twee woorden van Christus betreffende Zijn dood vervuld geworden. Ten eerste. Hij had gezegd, dat Hij den heidenen overgeleverd zou worden, en dat zij Hem zouden doden, Mattheus 20:19, Markus 10:33, Lukas 18:22, 32, 33, en hiermede is dat woord vervuld. Ten tweede. Hij had gezegd, dat Hij gekruisigd zou worden, Mattheus 20:19, 26:2, verhoogd worden, Johannes 3:14, 12:32. Indien zij Hem nu geoordeeld hadden naar hun wet, dan zou Hij gestenigd zijn geworden, verbranding, worging en onthoofding zijn in sommige gevallen onder de Joden gebruikt geworden, maar nooit kruisiging. Het was dus noodzakelijk, dat Christus door de Romeinen ter dood gebracht zou worden, opdat Hij, aan een hout gehangen zijnde. een vloek voor ons gemaakt zou worden, Galaten 3:13, en opdat Zijne handen en voeten doorgraven zouden worden. Gelijk de Romeinse macht er toe had medegewerkt, dat Hij te Bethlehem geboren werd, zo heeft zij Hem nu aan het kruis doen sterven, en beide zaken geschiedden opdat de Schriften vervuld werden. Zo is het ook ons betreffende bepaald, hoewel niet aan ons ontdekt, welken dood wij zullen sterven, hetgeen ons van alle ontrustende gedachten hierover moest bevrijden. "Wat, en wanneer, en hoe Gij het verordineerd hebt, o Heere".
II. Pilatus' gesprek met den gevangene, vers 33 en verder. waar wij hebben:
1. De ondervraging van den gevangene. Na zijne samenspreking met de overpriesters aan de deur, ging Pilatus de rechtszaal binnen en beval, dat Jezus voor hem gebracht zou worden. Hij wilde Hem niet ondervragen in tegenwoordigheid der schare, daar het rumoer stoornis teweeg zou brengen, maar beval, dat Hij in het rechthuis gebracht zou worden, want Hij maakte geen bezwaar om onder de heidenen te gaan. Door de zonde zijn wij aan het oordeel Gods onderworpen en voor Zijn rechterstoel gebracht, en daarom is Christus, zonde en een vloek voor ons gemaakt zijnde, als een misdadiger voor een rechtbank gesteld. Pilatus trad met Hem in het gericht, opdat God niet met ons in het gericht zou treden.
2. Zijn verhoor. De andere evangelisten zeggen ons, dat Zijne beschuldigers Hem ten laste hebben gelegd, dat Hij het volk verkeerde en verbood den keizer schattingen te geven, en deswege wordt Hij nu ondervraagd. a. Er wordt Hem ene vraag gesteld met het doel Hem te verstrikken en iets te vinden, waarop ene beschuldiging gegrond kon worden: "Zijt gij de koning der Joden? ho basileus -die koning der Joden, van wie zoveel gesproken en die zolang verwacht werd-Messias, de Vorst-zijt gij dat? Geeft gij voor dit te zijn? Noemt gij u aldus, en wilt gij daarvoor gehouden worden?" Want hij was er ver af te denken, dat Hij het wezenlijk was. Sommigen denken, dat Pilatus met een gebaar van spot en minachting deze vraag deed: "Hoe! zijt gij een koning, gij met uw gering voorkomen, gij een koning! Zijt gij de koning der Joden, door wie gij aldus gehaat en vervolgd wordt? -Zijt gij koning de jure - naar recht, terwijl de keizer slechts koning de facto is, feitelijk slechts?" Daar het niet bewezen kon worden, dat Hij dit ooit gezegd had, wilde hij Hem nu nopen het te zeggen, ten einde dan volgens Zijn eigen bekentenis met Hem te handelen.
b. Christus beantwoordt deze vraag met ene wedervraag, niet ter ontwijking, maar als een wenk aan Pilatus om wel te bedenken wat hij deed en op welken grond hij handelde, vers 34:"Zegt gij dit van uzelven, uit een vermoeden, dat in uw eigen hart opkomt, of hebben het u anderen van Mij gezegd? en vraagt gij dit slechts om hun genoegen te doen? a. Het is duidelijk, dat gij gene reden hebt om dit van uzelven te zeggen." Pilatus was door zijn ambt verplicht om voor de belangen van het Romeinse bewind te waken, maar hij kon niet zeggen, dat er voor dat bewind enigerlei gevaar was van benadeeld te worden door iets, wat onze Heere Jezus ooit gezegd of gedaan had. Hij is nooit in wereldlijke pracht of praal opgetreden, Hij heeft zich nooit wereldlijke macht of gezag aangematigd, heeft nooit als rechter of scheidsman gehandeld, nooit waren Hem verraderlijke beginselen of praktijken verweten, noch iets dat ook maar een schaduw van verdenking tegen Hem kon doen ontstaan. b. "Indien anderen u dit van Mij zeggen om u tegen Mij te vertoornen, dan behoort gij te overwegen wie het zijn, en naar welke beginselen zij handelen, en of zij, die Mij als een vijand des keizers voorstellen, dit in werkelijkheid niet zelven zijn, en dit dus slechts als een voorwendsel gebruiken, om er hun boosaardigheid onder te verbergen, want indien dit zo is, dan moet die zaak wèl overwogen worden door een rechter, die wezenlijk recht wil doen". Ja meer, indien Pilatus deze zaak zo grondig had willen onderzoeken als zijn plicht was, dan zou hij bevonden hebben, dat de ware reden, waarom de overpriesters in zulk een woede tegen Jezus ontstoken waren, juist was, dat Hij geen aards koninkrijk wilde oprichten tegenover de macht der Romeinen, indien Hij dit had willen doen, indien Hij wonderen had willen verrichten om de Joden van het juk der Romeinen te bevrijden, zoals Mozes om hen uit te voeren uit Egypte, dan zouden zij, wel verre van zich met de Romeinen tegen Hem te verbinden, Hem tot hun koning gemaakt hebben, en onder Hem tegen de Romeinen gestreden hebben. Daar Hij echter niet aan deze hun verwachting heeft beantwoord, beschuldigden zij Hem van hetgeen, waaraan zij zelven, gelijk algemeen bekend was, schuldig waren- ontevredenheid met en boze bedoelingen tegen het tegenwoordige bewind. Kon zodanige beschuldiging dan door hem ondersteund worden?
c. Pilatus vertoornt zich over dat antwoord, vers 35. Dit is een direct antwoord op Christus' vraag in vers 34. Christus had hem gevraagd, of hij van zich zelven sprak. "Neen", zegt hij: "Ben ik een Jood, dat gij mij verdenkt van in het complot tegen u te zijn? Ik weet niets van den Messias, en begeer niets van hem te weten, en daarom stel ik ook geen belang in den twist over wie al of niet de Messias is, dat alles is mij volkomen om het even." Let er op met welk een minachting Pilatus vraagt: Ben ik een Jood? De Joden waren in menig opzicht een achtenswaardig volk, maar het verbond huns Gods verdorven hebbende, heeft Hij hen verachtelijk en onwaard gemaakt voor het ganse volk, Maleachi 2:8, 9, zodat een man van eer en verstand het ene schande achtte om voor een Jood gehouden te worden. Zo moeten goede namen dikwijls lijden om den wille der slechte mensen, die ze dragen. Het is treurig dat een Turk, van oneerlijkheid verdacht zijnde, zou vragen: "Wat! houdt gij mij voor een Christen?" Christus had hem gevraagd, of anderen dit van Hem gezegd hadden. "Ja", antwoordt hij, "en wel die van uw eigen volk, die, naar men zou denken, gunstig voor u gestemd moesten zijn, en de overpriesters, op wier getuigenis, in verbum sacerdotis -op het woord eens priesters, acht geslagen moet worden, en daarom heb ik niets anders te doen dan op hun beschuldiging af te gaan." Aldus lijdt Christus nog in Zijn Godsdienst door hen, die van Zijn eigen volk zijn, door de priesters, die voorgeven tot Hem in betrekking te staan, maar wier leven niet in overeenstemming is met hun belijdenis. Christus had geweigerd te antwoorden op de vraag: Zijt gij de koning der Joden? en daarom doet Pilatus Hem een andere, meer algemene vraag: "Wat hebt gij gedaan?" "Welken hoon of belediging hebt gij uw volk, en inzonderheid den overpriesters aangedaan, dat zij zo heftig verbitterd zijn tegen u? Al die rook kan toch niet ontstaan zijn zonder enig vuur, wat is het?"
d. In Zijn nu volgend antwoord geeft Christus een vollediger en meer direct bescheid op de vorige vraag van Pilatus: Zijt gij een koning? verklarende in welken zin Hij Koning was, niet zulk een koning, dat Hij in enig opzicht gevaarlijk zou zijn voor de Romeinse regering, geen wereldlijk koning, want Zijne belangen werden niet op wereldlijke wijze ondersteund, vers 36. Let op: a. De verklaring van den aard en de inrichting van Christus' koninkrijk: het is niet van deze wereld. Het wordt ontkennenderwijs uitgedrukt, om de vergissingen, die daaromtrent in omloop waren, te herstellen, maar de bevestiging ligt er in opgesloten: het is het koninkrijk der hemelen, en behoort tot een andere wereld. Christus is een Koning en heeft een koninkrijk, maar niet van deze wereld. Ten eerste. Zijn oorsprong is niet van deze wereld, de koninkrijken der mensen komen op uit de zee en de aarde, Daniël 7:3, Openbaring 13:1, 11, maar "de heilige stad daalt neer van God uit den hemel", Openbaring 21:2. Zijn koninkrijk is n iet door erfopvolging, op verkiezing, of verovering, maar door de onmiddellijke en bijzondere aanwijzing en bestemming van Gods wil en raad. Ten tweede, Zijn aard is niet wereldlijk, het is het koninkrijk binnen in de mensen, opgericht in hun hart en geweten, Romeinen 14:17, zijne schatten zijn geestelijk, zijne macht is geestelijk, en al zijne heerlijkheid is gans inwendig. De staatsdienaren in Christus' koninkrijk hebben niet den geest der wereld, 1 Corinthiërs 2:12. Ten derde. Zijne wachters en ondersteuners zijn niet wereldlijk, zijne wapenen zijn geestelijk. Het behoeft noch gebruikt wereldlijke macht om zich te handhaven en uit te breiden, en is op generlei wijze koningen of landschappen schade aanbrengende, het staat op generlei wijze de voorrechten der vorsten in den weg, en tast den eigendom hunner onderdanen niet aan. Het heeft de strekking niet om in nationale instellingen ten opzichte van wereldlijke aangelegenheden verandering te brengen, en is aan geen koninkrijk vijandig behalve aan dat der zonde en van Satan. Ten vierde. Zijne strekking en bedoeling zijn niet wereldlijk. Christus had de pracht en macht van de groten der aarde niet op het oog, en Hij vergunde ook Zijn discipelen niet daarnaar te streven. Ten vijfde. Zijne onderdanen zijn wel in de wereld, maar niet van de wereld, zij worden geroepen en verkoren uit de wereld, zijn geboren van, en bestemd voor, een andere wereld, zij zijn noch de leerlingen noch de lievelingen der wereld, zij worden noch geregeerd door hare wijsheid, noch verrijkt door hare schatten. b. Een bewijs van den geestelijken aard van Christus' koninkrijk gegeven. Indien Hij een oppositie bedoeld had tegen de regering, Hij zou met haar eigen wapenen tegen haar gestreden hebben, en Hij zou geweld met geweld gekeerd hebben, maar Hij heeft dit niet gedaan: Indien Mijn koninkrijk van deze wereld ware, zo zouden Mijne dienaars gestreden hebben, opdat Ik den Joden niet ware overgeleverd, en Mijn rijk niet door hen te gronde gericht ware. Maar ten eerste. Zijne volgelingen hebben niet willen strijden, er was geen oproer, er was geen poging gedaan om Hem te verlossen, hoewel de stad nu vol van Galileërs was, Zijne vrienden en landslieden, en over het algemeen waren zij gewapend, maar het vreedzame gedrag Zijner discipelen bij deze gelegenheid was voldoende om den mond te stoppen aan de onwetendheid der dwaze mensen. Hij heeft hun niet geboden te strijden, ja Hij verbood het hun, hetgeen een bewijs was, dat Hij van geen aardse hulp afhankelijk was (want Hij zou legioenen van engelen tot Zijn dienst hebben kunnen ontbieden, hetgeen aantoont, dat Zijn koninkrijk van boven was), en het was ook een bewijs, dat Hij voor geen wereldlijken tegenstand vreesde, want Hij was zeer gewillig om aan de Joden overgeleverd te worden, wetende dat hetgeen een wereldlijk koninkrijk zou verderven en te gronde richten, het Zijne zou bevorderen en bevestigen. Terecht besluit Hij dus met te zeggen: Mijn koninkrijk is niet van hier, in de wereld, maar niet van de wereld.
e. Op Pilatus' verdere vraag antwoordt onze Heiland meer direct, vers 37, maar wij hebben a. Pilatus' duidelijke vraag: Zijt gij dan een koning? Gij spreekt van een koninkrijk, dat gij hebt, zijt gij dan in enigerlei opzicht een koning? Met welk recht maakt gij daar aanspraak op? Verklaar u nader". b. De goede belijdenis, die onze Heere Jezus voor Pontius Pilatus betuigd heeft, 1 Timotheus 6:13, in antwoord hierop: Gij zegt dat Ik een Koning ben. Dat is: Het is zoals gij zegt, Ik ben een Koning, want hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik der waarheid getuigenis geven zou. Ten eerste. Hij erkent een Koning te zijn, hoewel niet in den zin, dien Pilatus hieraan hechtte. De Messias was verwacht in de hoedanigheid van een Koning, Messias de Vorst. Voor Kajafas erkend hebbende, dat Hij de Christus was, wilde Hij voor Pilatus niet loochenen, dat Hij een Koning was, opdat Hij niet den schijn zou hebben van met zich zelven in tegenspraak te zijn. Hoewel Christus de gestaltenis eens dienstknechts had aangenomen, heeft Hij toch toen zelfs met recht op de eer en het gezag eens Konings aanspraak gemaakt. Ten tweede. Hij verklaart zich nader, en toont aan op wat wijze Hij Koning is, daar Hij gekomen is om der waarheid getuigenis te geven, Hij heerst in het hart der mensen door de kracht der waarheid. Indien Hij bedoeld had zich als wereldlijk vorst te verklaren, Hij zou gezegd hebben: "Hiertoe ben Ik geboren, en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, om over de volken te heersen, koningen te overwinnen en van hun koninkrijken bezit te nemen. Neen, Hij is gekomen om te getuigen, te getuigen voor God, die de wereld gemaakt heeft, en tegen de zonde, die de wereld verderft, en door dit woord van Zijn getuigenis richt Hij Zijn koninkrijk op en houdt het in stand. Het was voorzegd, dat Hij een Getuige der volken zou zijn, en, als zodanig een Vorst en Gebieder der volken, Jesaja 55:4. Christus' koninkrijk was niet van deze wereld, waarin de waarheid ontbreekt, Jesaja 58:15. Qui nescit dissimulare, nescit regnare, Die niet kan veinzen, kan niet regeren, maar van die wereld, waarin de waarheid eeuwiglijk regeert. Christus' boodschap in de wereld en Zijn werk in de wereld waren getuigenis te geven van de waarheid.
1. Om haar te openbaren, aan de wereld datgene te ontdekken, wat anders niet bekend zou geweest zijn omtrent God en Zijn wil, en Zijn welbehagen in de mensen, Hoofdstuk 1:18, 17:26.
2. Om haar te bevestigen, Romeinen 15:8. Door Zijne wonderen heeft Hij getuigd van de waarheid van den Godsdienst, de waarheid der Goddelijke openbaring en van Gods volmaaktheden en voorzienigheid en van de waarheid van Zijne belofte en Zijn verbond, opdat door Hem alle mensen zouden geloven. Door dit nu te doen is Hij een Koning en richt Hij een koninkrijk op.
a. De grondslag en de macht, de geest en het wezen van Christus' koninkrijk is waarheid, Goddelijke waarheid. Toen Hij zei: Ik ben de Waarheid, heeft Hij in wezenlijkheid en bedoeling gezegd: Ik ben een Koning. Hij overwint door het overtuigend bewijs der waarheid, Hij heerst door de gebiedende macht der waarheid, en in Zijne majesteit rijdt Hij voorspoediglijk van wege de waarheid, Psalm 45:5 1). Het is met Zijne waarheid, dat Hij de volken zal richten, Psalm 96:13. Het is de scepter van Zijn koninkrijk, Hij trekt met mensenzelen, met waarheid, die ons geopenbaard is en door ons ontvangen is in liefde, en alzo leidt Hij alle gedachten gevangen tot de gehoorzaamheid. Hij is als een licht in de wereld gekomen, en is, als de zon, tot heerschappij des dags.
b. De onderdanen van dit koninkrijk zijn zij. die uit de waarheid zijn. Allen, die door Gods genade verlost zijn van de macht van den vader der leugen, en geneigd zijn om de waarheid te ontvangen, en zich aan haar macht en invloed te onderwerpen, zullen Christus' stem horen, zullen Zijne onderdanen worden, zullen Hem geloof en trouw betonen. Ieder, die een wezenlijk besef heeft van waren Godsdienst, zal den Christelijken Godsdienst ontvangen en behoort dan tot Zijn koninkrijk, door de kracht der waarheid maakt Hij Zijn volk gewillig, Psalm 110:3. Allen, die de waarheid liefhebben, zullen de stem van Christus horen, want grotere, betere, meer gewisse of meer lieflijke waarheden kunnen niet gevonden worden, dan die in Christus worden gevonden, van wie genade en waarheid zijn gekomen, zodat wij door Christus' stem te horen, weten dat wij uit de waarheid zijn, 1 Johannes 3:19.
f. Hierop doet Pilatus Hem nog ene vraag, maar wacht niet om het antwoord te ontvangen, vers 38. Hij zei tot Hem: Wat is waarheid? En terstond daarop ging hij wederom uit. a. Dit was voorzeker een goede vraag, en zij kon aan niemand beter gedaan worden, die beter dan Hij instaat was er antwoord op te geven. Waarheid is die parel van grote waarde, waarnaar het menselijk verstand verlangt, en die het zoekt, want het kan niet rusten dan in hetgeen is, of tenminste begrepen wordt waarheid te zijn. Als wij de Schriften onderzoeken, en de prediking des woords horen, dan moet het wezen met de vraag: Wat is waarheid? en met dit gebed: Leid mij in Uwe waarheid, in alle waarheid. Maar velen doen de vraag, die geen geduld of volharding genoeg hebben om met hun zoeken naar waarheid voort te gaan, of geen ootmoed en oprechtheid genoeg om haar aan te nemen, als zij haar gevonden hebben, 2 Timotheus 3:7. Aldus handelen velen met hun eigen geweten, zij doen de zo nodige vragen: "Wat ben ik?" "Wat heb ik gedaan?,' maar wachten niet op het antwoord. b. Het is niet zeker met welke bedoeling Pilatus de vraag heeft gedaan. Ten eerste. Hij sprak misschien als een leerling, als iemand, die begon gunstig over Christus te denken, en eerbied voor Hem te hebben, verlangend was te vernemen welke nieuwe denkbeelden Hij koesterde, en welke verbeteringen Hij in Godsdienst en wetenschap zou willen invoeren. Maar terwijl hij alzo begerig was om de een of ander nieuwe waarheid van Hem te horen, zoals Herodes begerig was een wonder of teken van Hem te zien, heeft het rumoer en het geschreeuw van het gepeupel der priesters aan zijne deur hem afgeleid, zodat hij het gesprek plotseling heeft afgebroken. Ten tweede. Sommigen denken, dat hij dit zei als rechter, de zaak, die voor hem gebracht was, nader onderzoekende. "Laat mij doordringen tot deze verborgenheid, en zeg mij wat de waarheid er van is, de wezenlijke staat van deze zaak". Ten derde. Anderen denken, dat hij dit zei als een spotter, op smadelijke, minachtende wijze: "Gij praat van waarheid, kunt gij mij zeggen wat waarheid is, kunt gij er mij ene bepaling, ene omschrijving van geven?" Aldus spot hij met het eeuwig Evangelie, de grote waarheid, die door de overpriesters gehaat en vervolgd werd, en waarvan Christus nu getuigde, en waarvoor Hij leed, en gelijk mensen zonder Godsdienst er behagen in scheppen met alle Godsdiensten den draak te steken, zo bespot hij nu beide zijden, en daarom antwoordt Christus hem nu niet. Antwoord den zot naar zijne dwaasheid niet, werp uwe paarlen niet voor de zwijnen. Maar, hoewel Christus aan Pilatus niet wilde zeggen wat waarheid is, aan Zijne discipelen heeft Hij het wèl gezegd, en door hen heeft Hij het ons gezegd, Hoofdstuk 14:6. III. Het resultaat van die beide samensprekingen met de vervolgers en met den gevangene, vers 38-40, in, twee dingen:
1. De rechter scheen zijn vriend en Hem gunstig gezind te zijn, want:
a. Hij verklaarde Hem openlijk voor onschuldig, vers 38. "In deze gehele zaak vind ik gene schuld in hem". Hij veronderstelt, dat er een geschil omtrent den Godsdienst kan wezen tussen Hem en hen, waarin Hij even goed gelijk kon hebben als zij, maar van enigerlei misdaad is hem niets gebleken. Deze plechtige verklaring van Christus' onschuld was: a. Ter rechtvaardiging en ere van den Heere Jezus. Hieruit blijkt, dat Hij, hoewel behandeld wordende alsof Hij de ergste boosdoener was, die behandeling nooit verdiend heeft. b. Ter verklaring van het doel van Zijn dood, dat Hij, naar het oordeel van den rechter zelven, niet gestorven is om enigerlei zonde van zich zelven, en dus gestorven is als een offer voor onze zonden, en dat, zelfs naar het oordeel der vervolgers zelven, een mens voor het volk moest sterven, Hoofdstuk 11:50. Deze is het, die geen onrecht gedaan heeft, en in wiens mond geen bedrog geweest is, Jesaja 53:9, die uitgeroeid moest worden, doch niet voor Hem zelven, Daniël 9:26.
a. Ter verzwaring van de zonde der Joden, die Hem met zoveel heftigheid vervolgden. Als een gevangene, na verhoord te zijn, vrijgesproken wordt door hen, die de bevoegde rechters zijn van de misdaad, waarvan hij beschuldigd werd, inzonderheid als er gene reden is om hen van partijdigheid ten zijnen gunste te verdenken, dan moet hij geloofd worden onschuldig te zijn, en dan behoren zijne beschuldigers daarmee in te stemmen. Maar, hoewel onze Heere Jezus als niet schuldig verklaard werd, is Hij toch als een kwaaddoener terneder geworpen, en dorstte men naar Zijn bloed.
b. Hij stelt een middel voor om Hem los te laten, vers 39:Gij hebt ene gewoonte, dat ik u op het pascha enen loslate. Wilt gij dan, dat ik u den koning der Joden loslate? Hij stelde dit voor, niet aan de overpriesters (hij wist wel, dat zij daar nooit in zouden toestemmen) maar aan de schare, het was een beroep op het volk, gelijk blijkt uit Mattheus 27:15. Waarschijnlijk had hij gehoord, dat deze Jezus nog zo kort tevoren door het gewone volk omstuwd was, die Hem hun blijde hosanna's toeriepen, Hij beschouwde Hem dus als den lieveling des volks, waardoor de afgunst der oversten werd opgewekt, en daarom twijfelde hij niet, of zij zouden Zijne loslating eisen. Dit zou dan de vervolgers tot zwijgen brengen, en zo zou alles wel zijn. a. Hij erkent deze hun gewoonte, misschien krachtens een verjaringsrecht ter ere van het pascha, dat ene gedachtenisviering was van hun verlossing. Maar het was een toevoegen aan Gods woorden, alsof Zijne inzetting niet volstond voor de waardige gedachtenisviering van deze verlossing, en hoewel ene daad van genade ene onrechtvaardigheid kon wezen jegens het publiek, Spreuken 17:15. b. Hij doet hun het aanbod om hun Jezus los te laten overeenkomstig het gebruik. Indien Pilatus de eerlijkheid en den moed had gehad, die den rechter betamen, hij zou geen onschuldige hebben genoemd als een mededinger met een bekend misdadiger, om die gunst te verwerven, indien hij gene schuld in Hem vond, dan was hij naar zijn geweten verplicht Hem te ontslaan. Maar hij wilde ene schikking treffen voor de zaak en aan allen behagen, meer geleid wordende door wereldlijke wijsheid dan door de voorschriften van recht en billijkheid.
2. Het volk bleek Hem vijandig te zijn, onverzoenlijk en onvermurwbaar tegen Hem gekant, vers 40. Zij dan riepen allen wederom: Niet dezen, maar Barabbas. Zie: a. Hoe woest en gewelddadig zij waren. Pilatus heeft hun de zaak op kalme wijze voorgeslagen, als iets dat wel waardig was om er rijpelijk over na te denken, maar zij kwamen driftig en hartstochtelijk tot een besluit, en gaven dit luidruchtig en in de grootste verwarring te kennen. De vijanden van Christus' heiligen Godsdienst schreeuwen er tegen, en zo hopen zij hem te overschreeuwen en, door hem in minachting te brengen, te vernietigen, getuige het geschreeuw te Efeziërs Handelingen 19:34. Doch zij, die alleen maar om zulk geschreeuw slechte gedachten koesteren omtrent personen en zaken, tonen al heel weinig standvastigheid of doorzicht te bezitten. Ja meer, er is alle reden om aan het verstand en de rechtvaardigheid te twijfelen van hen, die den bijstand van een volksoploop en volksgeschreeuw inroepen voor hun zaak.
b. Hoe dwaas en onzinnig zij waren, gelijk valt af te leiden uit het korte bericht, dat nopens den anderen kandidaat wordt gegeven: En Barabbas was een moordenaar, en daarom: a. Een overtreder van de wet van God, en toch zal hij gespaard worden veeleer, dan Hij, die den hoogmoed, de geldgierigheid en de tirannie van de priesters en ouderlingen heeft bestraft. Hoewel Barabbas een rover is, zal hij hen toch niet van den stoel van Mozes beroven, noch van de inzettingen der ouden, en dus doet het er niet toe. b. Hij was een vijand van de openbare veiligheid en den persoonlijken eigendom. Het geschreeuw ener stad is gewoonlijk tegen rovers gericht, Job 30:5, Men jouwde over hen als over een dief, maar hier wordt dit geschreeuw ten gunste van een dief aangeheven. Zo doen ook degenen, die aan hun zonden de voorkeur geven boven Christus. De zonde is een rover, iedere lage lust is een rover, en toch verkiest men ze boven Christus, die ons in waarheid zou verrijken.