Leviticus 14:10-20
Om de reiniging van de melaatse te voltooien, moest hij op de achtste dag, nadat de vorige plechtigheden buiten het leger verricht waren en, naar het schijnt, voordat hij in zijn eigen woning was weergekeerd, aan de deur van de tent van de samenkomst komen met zijn offerande om daar voor het aangezicht des Heeren gesteld te worden, vers 11.
Merk hier op:
1. Dat de goedertierenheden Gods ons verplichten ons voor Hem te stellen, Romeinen 12:1.
2. Als God ons weer hersteld heeft tot de vrijheid van de inzettingen, nadat wij door ziekte, afstand, of anderszins, er van teruggehouden waren, dan moeten wij de eerste gelegenheid waarnemen om onze eerbied te betonen voor God en onze liefde voor Zijn heiligdom door een naarstig gebruik van die ons weergegeven vrijheid. Toen Christus de geraakte had genezen vond Hij hem spoedig daarna in de tempel, Johannes 5:14. Als Hizkia vraagt: "Wat is het teken, dat ik in des Heeren huis zal opgaan?" dan bedoelt hij: "Wat is het teken, dat ik uit mijn ziekte zal herstellen?" Hij geeft te kennen dat, zo God hem gezond maakt, zodat hij weer kan uitgaan het huis des Heeren de eerste plaats zal wezen, waar hij heen zal gaan.
3. Als wij ons voor de Heere stellen, dan moeten wij Hem onze offeranden aanbieden met onszelf, alles wat wij hebben en kunnen doen aan God toewijdende.
4. Beide wij en onze offeranden moeten voor het aangezicht des Heeren gesteld worden, door de priester, die ons gereinigd heeft, nameliJk onze Heere Jezus, want anders kunnen noch wij noch onze offeranden aangenomen worden.
De gereinigde melaatse moest drie lammeren brengen, met een spijsoffer, en een log olijfolie, of een halve pint van onze maat. (nu: zes tiende liter)
A. Het meeste van de plechtigheid, die bijzonder voor dit geval gebruikelijk was, bestond in het schuldoffer, waarvoor het eerst het lam geofferd moest worden, vers 12. En behalve de gewone ritus, waarmee het schuldoffer geofferd werd, moest iets van het bloed op het oor, de duim en de grote teen van de melaatse gedaan worden, die gereinigd stond te worden, vers 14. Het was dezelfde ceremonie als voor de wijding van de priesters, Hoofdstuk 8:23, 24. Het was hun een vernedering om te zien, dat voor hen dezelfde reiniging nodig was als voor die van een melaatse. De Joden zeggen dat de melaatse buiten de poort van de tabernakel stond, en de priester binnen de poort, en zo geschiedde dan de plechtigheid door de poort heen, te kennen gevende, dat het hem nu met andere Israëlieten weer toegestaan was om in de voorhoven van het huis des Heeren te komen, en hij er even welkom was als ooit tevoren, al is hij een melaatse geweest, en ofschoon de naam hem misschien zijn levenlang zal bijblijven, (zoals wij lezen van iemand, die waarschijnlijk door onze Heere Jezus gereinigd was, en toch daarna "Simon de melaatse" genoemd wordt, Mattheus 26:6), werd hij toch even vrijelijk toegelaten tot gemeenschap met God en de mensen als ooit tevoren. Nadat het bloed van het offer met de vinger van de priester op de uiterste lichaamsdelen gedaan was, het hele lichaam insluitende, werd iets van de olie, die hij gebracht had, eerst voor de Heere bewogen, en dan gesprenkeld, op dezelfde wijze, en op dezelfde plaatsen van het lichaam gedaan als het bloed. "Het bloed" (zegt de geleerde bisschop Patrick) "schijnt een teken geweest te zijn van vergeving, de olie, van genezing", want eerst vergeeft God onze ongerechtigheden, en dan geneest Hij onze krankheden, Psalm 103:3. Zie Jesaja 38:17. Overal waar het bloed van Christus toegepast wordt tot rechtvaardigmaking, wordt de olie van de Geest toegepast tot heiligmaking, want deze twee zijn onafscheidelijk en beide noodzakelijk voor onze aanneming door God. Ook zal onze vroegere melaatsheid, als zij geheeld is door berouw en bekering, geen hinderpaal zijn voor ons om tot die heerlijke voorrechten te worden toegelaten. Gereinigde melaatsen zijn even welkom bij het bloed en de olie als gewijde priesters. "Dit waart gij sommigen, maar gij zijt afgewassen." Als de melaatse besprengd werd, dan moest er bloed in het water zijn, vers 5, als hij gezalfd werd, dan moet er bloed in de olie zijn, om aan te duiden, dat al de vertroostingen en genade van de Geest, al Zijn reinigende, verwaardigende invloeden, te danken zijn aan de dood van Christus, het is alleen door Zijn bloed, dat wij geheiligd worden.
B. Behalve dit moet er nog een lam als zondoffer en een lam als brandoffer gebracht worden, vers 19, 20. Bij ieder van deze offers wordt gezegd: de priester zal verzoening voor hem doen.
a. Zijn zedelijke schuld zal worden weggenomen, de zonde, waarvoor hij met melaatsheid was bezocht, zal vergeven worden met al de zonden, waaraan hij zich in zijn staat van ziekte had schuldig gemaakt. De wegneming van uitwendig leed of benauwdheid is ons dubbel troostrijk, als God ons terzelfder tijd de verzekering geeft, dat onze zonden vergeven zijn. Als wij de verzoening gekregen hebben, dan hebben wij reden om ons te verblijden Romeinen 5:11.
b. Zijn ceremoniële onreinheid wordt weggenomen, die hem belet heeft om deel te nemen aan de heilige dingen. En dit wordt genoemd verzoening voor hem doen, omdat dit een beeld was van onze wederherstelling in de voorrechten van Gods kinderen, welke wij zuiver en alleen te danken hebben aan de grote verzoening. Als de verzoening voor hem gedaan is, dan zal hij rein zijn, beide in zijn eigen overtuiging en voor zijn naam onder zijn naburen, hij zal beide zijn eer en zijn vertroosting herkrijgen, en ware boetvaardigen verkrijgen recht op die beide, namelijk op welzijn en eer door hun deelhebben aan de verzoening. Het brandoffer was, behalve nog de verzoening, die er door gedaan werd, een dankbare erkentenis van Gods goedertierenheid over hem, en hoe meer direct de hand Gods was in de ziekte en de genezing beide, hoe meer reden hij had om Hem eer en heerlijkheid toe te brengen, en aldus, gelijk onze Heiland zegt, "te offeren hetgeen Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis," Markus 1:44.