7. Zoals het zondoffer, waaromtrent (
Leviticus 6:29) dezelfde bepalingen gemaakt werden, alzo zal ook het schuldoffer zijn, een wet zal hiervoor zijn, daar zij tot elkaar in het nauwste verband staan, omdat zij alleen de verzoening bedoelen, het vlees zal dan ook hier, zoals bij het zondoffer (
Leviticus 6:26), van de priester zijn, die daarmee verzoening gedaan, de verzoening door het offer bewerkt zal hebben. 1)
1) Hieruit volgt zonneklaar, dat aan de slachting van het dier de handoplegging door hem, die het offer bracht, voorafging, want deze wordt vroeger (Leviticus 4:4,15,24,29,33) voor het zondoffer, met de instelling waarvan die van het schuldoffer één zijn zal, uitdrukkelijk gevorderd. Meerdere geleerden hechten voor de beide offerdaden aan de handoplegging niet meer deze betekenis, dat daardoor de doodsschuld of de verplichting van de offeraar voor zijn zonde de dood te ondergaan op het offerdier overgedragen wordt, zoals wij hier boven (op het voorbeeld van Kurtz) gedaan hebben; maar zij zien daarin een overdragen van de zonde zelf, waardoor het dier als tot werkelijke zonde wordt, en wel niet alleen op het bloed, als zetel van de ziel, maar ook op het gehele dier, zodat nu ook vlees en vet daarvan met de zonde beladen zijn. In verband daarmee vatten zij dan het eten van het offervlees door de dienstdoende priester als een daad op, welke mee behoort tot de verzoening, welke hij doen moet (Leviticus 5:6,10,13); tot volkomen verwijdering of uitdelging van schuld, was namelijk ook dat bevorderlijk geweest, dat hij, de priester, de zonde in het vlees verteerde, en haar zo krachtens de heiligheid, die omwille van zijn ambt, zijn deel was, vernietigde, waarom Mozes dan ook (Leviticus 10:16) zich vertoornt, dat Eleazar en Ithamar het vlees van een als zondoffer geofferde bok niet gegeten, maar verbrand hadden. Maar tegen deze beschouwing kunnen wij inbrengen, dat het vlees van zond- en schuldoffers in de wet zelf uitdrukkelijk voor iets zeer heiligs verklaard wordt, en men alzo onmogelijk kan beweren, dat de zonde door handoplegging dit is ingelijfd geworden, dat deze zonde ook na de bloedsprenkeling nog aan het vlees gekleefd heeft, en dat zij eerst ten gevolge van het priesterlijke eten van het vlees door de priesterlijke heiligheid is overwonnen en uitgedelgd. Integendeel schijnt het juist de voorstelling van zulk een incorporatie van de zonde te zijn, welke Mozes daar als de oorzaak op de voorgrond plaatst, waarom Eleazar en Ithamar zich hadden laten weerhouden dat vlees te eten, welke dwaling hij bestrijden wil door de stelling, dat dit vlees zeer heilig is..
Maar deze mening lag hun daarom zo voor de hand, omdat men in Egypte van de offers, van de God Typhon, als vertegenwoordiger van al het schadelijke in de wegstervende natuur gebracht, geloofde, dat zij de op hem overgebrachte zonde en schuld hadden ingezogen en men derhalve een afschrik van deze had. Waarvoor nu, naar onze mening, die reeds bij Philo wordt aangetroffen, het eten van het vlees van de zond- en schuldoffers dienen moest, kan men zien in de aanmerking zie Leviticus 4:12 en zie Leviticus 10:17. In de drie volgende verzen 8-10 worden achtereenvolgens nog enige bepalingen opgenoemd, hoe te handelen met de overblijfselenvan de brand- en spijsoffers, welke bepalingen echter tot 6:8-18 behoren, maar om haar verband tot hetgeen 6:6, 7 gezegd is, nu volgen..