Leviticus 6:14-23
Het spijsoffer was òf hetgeen geofferd werd door het volk, òf hetgeen geofferd werd door de priesters bij hun wijding.
1. Wat nu het gewone spijsoffer betreft: slechts een handvol er van moest op het altaar verbrand worden, al het overige was de priesters als hun voedsel gegeven. De wet van het brandoffer legde de priesters veel zorg en arbeid op, maar gaf hun weinig voordeel, want het vlees werd geheel verbrand, en de priesters hadden niets anders dan de huid. Om hun nu vergoeding te doen, was het grootste deel van het spijsoffer voor hen. Het verbranden van een handvol er van op het altaar, vers 15, was tevoren bevolen, Hoofdstuk 2:2, 9. Hier wordt het overige er van bestemd voor de priesters, de dienaren van Gods huis: het is hun deel, dat Ik gegeven heb van Mijn vuuroffers, vers 17. Het is de wil van God dat Zijn dienstknechten goed voorzien zullen worden met het brood van hun bescheiden deel, en wat hun gegeven wordt, neemt Hij aan als geofferd aan Hemzelf, zo het met een eenvoudig oog gedaan wordt. Alle Christenen, die geestelijke priesters zijn, delen zelf in de geestelijke offers die zij offeren. Het is niet God, die door of van hen winst verkrijgt, de handvol, verbrand op het altaar, was niet de moeite waard om over te spreken, in vergelijking met het deel van de priester, wij zelf hebben winst en voordeel van onze Godsdienstige handelingen. Laat God al de wierook hebben, en dan zullen de priesters de meelbloem en de olie hebben, waar wij aan God de lof en de eer van geven, daar kunnen wij voor onszelf de vertroosting en het voordeel van nemen.
2. De wetten betreffende het eten er van waren:
a. Dat het ongedesemd gegeten moest worden vers 16. In hetgeen aan God geofferd werd moest geen zuurdesem zijn, en de priesters moeten het hebben, zoals het altaar het heeft en niet anders. Aldus moeten wij de feesten des Heeren houden in de ongezuurde broden van de oprechtheid en van de waarheid.
b. Het moet gegeten worden in de voorhof van de tent van de samenkomst-hier de heilige plaats genoemd-in een vertrek, dat aan de zijde van het voorhof daarvoor was ingericht. Het was een grote misdaad om iets er van buiten de voorhof te brengen. Zelfs het eten er van was een heilige ritus, waarmee zij God moesten eren, en daarom moest het op Godsdienstige wijze gedaan worden, en met heilige eerbied, welke bewaard werd door het tot de heilige plaats te bepalen.
c. Alleen die van het mannelijk geslacht waren mochten er van eten, vers 18. Van de minder heilige dingen, zoals de eerstelingen van de vruchten, de tienden, de schouder en borst van de dankoffers, mochten de dochters van de priesters eten, want die dingen mochten buiten de voorhof gebracht worden, maar dit was een heiligheid van de heiligheden, waarvan, daar het alleen in de tabernakel gegeten werd, alleen de zonen mochten eten.
d. Alleen de priesters, die rein waren, mochten er van eten: al wat die zal aanroeren zal heilig zijn, vers 18. Heilige dingen voor heilige mensen. Sommigen lezen dit: "alles wat het aanroert zal heilig zijn," al het gereedschap van de tafel waaraan deze heilige dingen gegeten werden, moeten daarvoor zijn afgezonderd, en daarna nooit voor gewone dingen gebruikt worden.
2. Wat aangaat het spijsoffer van de wijding dat voor de priesters zelf geofferd werd, dit moest geheel verbrand worden, het zal niet worden gegeten, vers 23. Dit komt hier als een uitzondering op de voorafgaande wet. Het schijnt dat deze wet van het spijsoffer van de wijding niet alleen de hogepriester verplichtte het te offeren, en alleen op de dag wanneer hij gezalfd werd, en zo ook zijn opvolgers op de dag wanneer zij gezalfd werden, maar de Joodse schrijvers zeggen, dat door deze wet iedere priester verplicht was om op de dag van zijn indiensttreding dit spijsoffer te offeren, en dat de hogepriester verplicht was om het op elke dag van zijn leven te offeren, van de dag af waarop hij gezalfd werd, en dat het geofferd moest worden bij het spijsoffer, dat met het morgen- en avondoffer gepaard ging, omdat hier gezegd wordt, dat het een gedurig spijsoffer is, vers 20. Josefus zegt: "De hogepriester offerde tweemaal daags op zijn eigen kosten en dit was zijn offer." Zij, die door God boven anderen bevorderd werden in waardigheid en macht, moeten bedenken dat Hij van hen meer verwacht dan van anderen, en dat zij iedere gelegenheid moeten aangrijpen om Hem te dienen, werk voor Hem te doen. Het spijsoffer van de priester moest gebakken worden als om het te eten, en toch moest het geheel verbrand worden. Hoewel de priester, die diende, betaald moest worden voor zijn dienen van het volk, was er toch geen reden, waarom hij betaald moest worden voor zijn dienen van de hogepriester, die de vader was van het gezin van de priesters, en wie dus alle priesters gaarne om niet moesten willen dienen. Ook was het niet betamelijk, dat de priesters zouden eten van de offeranden van een priester, want, gelijk de zonden van het volk in typische zin overgebracht werden op de priesters, hetgeen aangeduid werd door hun eten van de offeranden van het volk, Hosea 4:8, zó moesten de zonden van de priesters op typische wijze overgebracht worden op het altaar, dat daarom hun offeranden moest eten. Wij allen, leraren en gemeente, zijn verloren, als wij zelf onze ongerechtigheid moeten dragen, en wij zouden hoop noch troost kunnen hebben, indien God niet ons aller ongerechtigheid gelegd had op Zijn geliefde Zoon, en Hij is beide de priester en het altaar.