Leviticus 10:1-2
Hier is:
I. De grote zonde, waaraan Nadab en Abihu zich schuldig hadden gemaakt, en een grote zonde moeten wij haar noemen, hoe klein zij ook in onze ogen moge wezen, want het is blijkbaar, door de straf, die er op volgde, dat zij zeer verbitterend was voor de God des hemels, wiens oordeel, daarvan zijn wij zeker, naar waarheid is. Maar wat was hun zonde? Al wat er hier van gezegd wordt is, dat zij vreemd vuur brachten voor het aangezicht des Heeren, hetwelk Hij hun niet geboden had, vers 1 en hetzelfde lezen wij in Numeri 3:4.
1. Het blijkt niet dat zij toen orders hadden om reukwerk te branden. Het is waar, hun wijding was de dag tevoren voltooid, en het behoorde tot hun werk als priesters om dienst te doen aan het reukaltaar, maar het schijnt dat geheel de dienst op deze plechtige dag van de inwijding door Aaron zelf verricht moest worden, want hij slachtte de offers, Hoofdstuk 9:8, 15, 18, en zijn zonen moesten hem slechts daarbij dienen, vers 9, 12, 18, daarom zijn alleen Mozes en Aaron in de tabernakel gegaan vers 23. Maar Nadab en Abihu waren zo trots op de eer, waartoe zij bevorderd waren, en zo eerzuchtig, om er terstond het hoogste en eerwaardigste werk van te verrichten, dat zij, hoewel de dienst op die dag buitengewoon was, en alles op de bijzondere, nauwkeurige aanwijzing van Mozes geschiedde, zonder orders te ontvangen of er hem zelfs verlof voor te vragen, hun wierookvaten namen en wilden ingaan in de tabernakel- aan de deur waarvan zij dachten nu lang genoeg gewacht te hebben-om er reukwerk te branden. En hun brengen van vreemd vuur is hetzelfde als het aansteken van vreemd reukwerk, hetgeen uitdrukkelijk verboden is, Exodus 30:9. Wij kunnen veronderstellen dat Mozes het reukwerk in bewaring had, dat voor dit doel bereid was. Exodus 39:38, en daar zij dit deden zonder zijn verlof, hadden zij ook het reukwerk niet, dat geofferd had moeten worden, maar gewoon reukwerk, zodat de rook van hun reukwerk van een vreemd vuur kwam. God had de priesters voorzeker bevolen reukwerk te branden, maar op dat ogenblik was het wat Hij niet geboden had en zo was hun misdaad gelijk aan die van Uzzia, de koning, 2 Kronieken 26:16. De priesters moesten reukofferen, alleen als zij door het lot waren aangewezen, Lukas 1:9, op die dag was dit niet het geval.
2. Zich vermeten hebbend om zonder orders hun eigen reukwerk te branden, was het geen wonder dat zij nog een andere grove fout begingen, en, inplaats van vuur te nemen van het altaar, dat kortelings van het aangezicht des Heeren was ontstoken en van nu voortaan gebruikt moest worden, beide voor offers en voor reukwerk, Openbaring 8:5, namen zij gewoon vuur, waarschijnlijk van dat, waarop het vlees van het dankoffer gekookt werd, en daar maakten zij gebruik van om reukwerk te branden. Daar het geen heilig vuur was, wordt het vreemd vuur genoemd, en hoewel niet uitdrukkelijk verboden, was het misdadig genoeg omdat God het niet had geboden. Want (gelijk bisschop Hall hier juist opmerkt) "Het is gevaarlijk om in de eredienst Gods af te wijken van Zijn eigen inzettingen, wij hebben met een God te doen, die wijs is om Zijn eigen aanbidding voor te schrijven, rechtvaardig om te eisen wat Hij voorgeschreven heeft, en machtig om te straffen wat Hij niet heeft voorgeschreven."
3. Reukwerk moest altijd slechts door een priester worden aangestoken, maar hier wilden zij beide ingaan om het te doen.
4. Zij deden het roekeloos, overijld. Zij grepen hun wierookvaten, zoals sommigen het woord lezen, op lichtzinnige, zorgeloze wijze, zonder ernst of eerbied. Toen al het volk op hun aangezichten vielen voor de heerlijkheid des Heeren, dachten zij dat de waardigheid van hun ambt hen vrijstelde van zich dus te vernederen. De gemeenzaamheid, waarin zij toegelaten waren, bracht minachting bij hen teweeg van de majesteit Gods: en nu zij priesters waren, verbeeldden zij zich te mogen doen wat zij wilden.
5. Vanwege de wet, die bij deze gelegenheid gegeven werd, vers 8, is er reden om te vermoeden dat zij dronken waren toen zij dit deden. Zij hadden maaltijden gehouden van het dankoffer en het drankoffer, dat daarmee gepaard ging, en zo was hun hoofd licht, of tenminste was "hun hart vrolijk van de wijn, zodat zij dronken waren en de inzetting vergaten," Spreuken 31:5, en zich aan dit wangedrag schuldig maakten.
6. Ongetwijfeld was het gedaan in vermetelheid, met opgeheven hand, want zo het in onwetendheid gedaan was, dan zouden zij het voorrecht hebben gehad van de kortelings vastgestelde wet, zelfs voor de priesters, om een zondoffer te brengen, Hoofdstuk 4:2, 3. "Maar de ziel, die iets gedaan zal hebben met opgeheven hand, in minachting van Gods majesteit, gezag en gerechtigheid, die ziel zal uitgeroeid worden uit het midden van haar volk," Numeri 15:30.
II. De ontzettende straf van deze zonde, vers 2. Er ging een vuur uit van het aangezicht des Heeren en verteerde hen. Dat vuur, dat de offeraars verteerde, kwam langs dezelfde weg als dat, wat de offers verteerde, Hoofdstuk 9:24, waardoor aangetoond werd welke gerechtigheid geoefend zou zijn aan al het schuldige volk, indien de oneindige goedertierenheid geen rantsoen had gevonden en aangenomen. En indien door dat vuur het volk met zoveel ontzag en eerbied was bevangen, hoeveel te meer niet door dit!
Merk op:
1. Zij stierven. Zou het niet hebben kunnen volstaan zo zij slechts, evenals Uzzia, met melaatsheid waren geslagen, of, gelijk Zacharias, met stomheid, en die beide bij het reukaltaar? Neen, zij werden beide gedood. De bezolding van deze zonde was de dood.
2. Zij stierven plotseling, in het bedrijven van hun zonde, en hadden niet eens zoveel tijd dat zij konden uitroepen: "Heere, wees ons genadig!" Hoewel God lankmoedig is over ons, gaat Hij soms toch snel te werk in het straffen van de zondaars, het vonnis wordt spoedig voltrokken. Vermetele zondaars brengen een haastig verderf over zich, en rechtvaardig wordt hun zelfs een plaats van berouw ontzegd.
3. Zij stierven voor het aangezicht des Heeren, dat is: vóór de voorhang, die het verzoendeksel bedekte, want zelfs de genade zal niet dulden dat haar eer beledigd wordt. Van veroordeelde zondaars wordt gezegd, "dat zij gepijnigd worden voor het Lam," Openbaring 14:10, waarmee te kennen wordt gegeven, dat Hij voor hen niet tussenbeide treedt.
4. Zij stierven door vuur, daar zij door vuur hadden gezondigd. Zij minachtten het vuur dat van het aangezicht des Heeren kwam om de offers te verteren, en dachten dat ander vuur in elk opzicht even goed was, en nu heeft God hen rechtvaardig de kracht doen gevoelen van dat vuur, waarvoor zij geen eerbied hebben gehad. Aldus zullen zij, die niet gelouterd willen worden door het vuur van de Goddelijke genade, ongetwijfeld verteerd worden door het vuur van de Goddelijke toorn. Het vuur heeft hen niet tot as verbrand, zoals het de offers tot as had verbrand, het had zelfs hun kleren niet geschroeid, vers 5, maar als de bliksem heeft het hen in een oogwenk doodgeslagen. Door deze verschillende uitwerkingen van hetzelfde vuur wilde God tonen, dat het geen gewoon vuur was, maar aangestoken was door "de adem des Heeren," Jesaja 30:33.
5. Twee maal wordt er in de Schrift nota van genomen, dat zij "kinderloos gestorven zijn" Numeri 3:4, en 1 Kronieken 24:2. Door hun verwatenheid hadden zij Gods naam gesmaad, en God heeft rechtvaardig hun naam uitgedelgd, en die eer in het stof gelegd, waarop zij zo trots zijn geweest.
Maar waarom heeft de Heere zo streng met hen gehandeld? Waren zij niet de zonen van Aaron, de heilige des Heeren, neven van Mozes, de grote gunstgenoot van de hemel? Was niet de heilige zalfolie op hen gesprengd, als mannen, die God zich had afgezonderd? Waren zij gedurende de zeven dagen van hun wijding niet naarstig geweest in de dienst, hadden zij de wacht des Heeren niet waargenomen? En mocht dit alles dan niet hun roekeloosheid verzoenen? Kon het hun niet tot verontschuldiging dienen, dat zij jonge mannen waren, nog onervaren in deze dienst, dat het hun eerste overtreding was, gepleegd in een vervoering van blijdschap over hun verheffing? En behalve dat: nooit konden mensen minder gemist worden. Er was nu zeer veel werk voor de priesters aangewezen en de priesterschap was beperkt tot Aaron en zijn zaad, hij had slechts vier zonen, indien nu twee van hen sterven, dan zullen er geen handen genoeg zijn om de dienst van de tabernakel te verrichten, indien zij kinderloos sterven, dan zal het huis Aarons zwak en gering worden, en de priesterschap in gevaar komen van teniet te gaan wegens gebrek aan erfgenamen. Maar geen van al deze overwegingen zal dienen, hetzij om de misdaad te verontschuldigen of de misdadigers vrij te doen uitgaan.
Want: a. De zonde was zeer verzwaard. Het was een openbare geringachting van Mozes en van de Goddelijke wet door Mozes gegeven. Tot nu toe is uitdrukkelijk gezegd, betreffende alles wat gedaan was, dat zij het deden gelijk de Heere Mozes geboden had, in tegenstelling waarvan hier gezegd wordt, dat zij deden wat de Heere hun niet geboden had, maar het deden naar hun eigen zin en bedenksel. God was nu bezig Zijn volk gehoorzaamheid te leren en, gelijk het dienstknechten betaamt, alles te doen naar regel en wet. Als nu priesters regel en wet overtreden en ongehoorzaam zijn, was dit een terging van God, die geenszins ongestraft kan blijven. Het ambt, dat zij bekleedden maakte hun zonde uiterst zondig, want dat Aarons zonen, zijn oudste zonen, die door God verkoren waren om Zijn eigen dienaren te zijn, zich aan zo grote verwatenheid schuldig maakten, was iets dat niet geduld kon worden. Er lag in hun zonde minachting opgesloten van Gods heerlijkheid, die zich kort tevoren geopenbaard had in vuur, alsof dat vuur nodeloos was, zij hadden tevoren zelf even goed vuur.
b. Hun straf was een daad van noodzakelijke gerechtigheid bij deze eerste invoering van de ceremoniële eredienst. Er komt in de wet meermalen een bedreiging voor dat deze of die overtreders uit het midden van hun volk uitgeroeid zouden worden, en hier heeft God een voorbeeld gegeven van de tenuitvoerbrenging van die bedreiging. De wetten op de offeranden waren pas uitgevaardigd, opdat niemand nu in verzoeking zou komen om er lichtvaardig of geringschattend van te denken, omdat zij tot in zozeer kleine bijzonderheden schenen af te dalen, zijn zij, die de eerste overtreders er van waren, zo streng gestraft, ter waarschuwing van anderen, en om te tonen hoe ijverig God is ten opzichte van Zijn eredienst. Aldus heeft Hij "de wet groot gemaakt en haar verheerlijkt," Jesaja 42:21, en heeft Hij zijn priesters doen weten dat de waarschuwing, welke zo dikwijls in de wetten hen betreffende voorkomt, dat zij zo moeten doen, opdat zij niet sterven, geen ijdele vrees aanjaging was, maar een ernstige waarschuwing voor hun gevaar, indien zij het werk des Heeren met onachtzaamheid verrichtten. Ongetwijfeld heeft ook dit treffende voorbeeld van gerechtigheid reeds bij het begin gestrekt om later vele onregelmatigheden te voorkomen. Zo zijn ook Ananias en Saffira gestraft, toen zij zich hebben vermeten de Heilige Geest te liegen, het vuur dat zo kort tevoren was nedergedaald.
Eindelijk. Zoals het vervallen tot afgoderij van het volk, terstond nadat de zedelijke wet was gegeven, de zwakheid toont van de wet, en haar ongenoegzaamheid om de zonde weg te nemen, zo hebben de zonde en straf van deze priesters reeds bij de aanvang de onvolkomenheid van dat priesterschap in het licht gesteld, en zijn onmacht om tegen het vuur van Gods toorn te beschutten, behalve in zoverre het een type was van het priesterschap van Christus, in de uitoefening waarvan nooit enigerlei onregelmatigheid was of kon zijn.