Leviticus 9:23-24
Er wordt ons niet gezegd wat Mozes en Aaron in de tabernakel gingen doen, vers 23. Sommigen van de Joodse schrijvers zeggen: "Zij gingen er in om te bidden om de verschijning van de Goddelijke heerlijkheid." Zeer waarschijnlijk gingen zij er in opdat Mozes Aaron zou onderrichten hoe de dienst aldaar verricht moest worden-hoe de wierook gebrand, de lampen aangestoken, de toonbroden geschikt moesten worden, enz, en opdat Aaron zijn zonen hierin zou kunnen onderrichten. Maar toen zij naar buiten kwamen, hebben beide zich verenigd om het volk te zegenen, dat daar stond om op de beloofde verschijning van de heerlijkheid Gods te wachten, en nu was het (toen Mozes en Aaron samenstemden in gebed) dat zij verkregen wat zij verwachtten. Gods openbaringen van zichzelf, van Zijn heerlijkheid en Zijn genade, worden gewoonlijk geschonken op het gebed. Toen Christus bad, "werd de hemel geopend," Lukas 3:21. De heerlijkheid Gods verscheen niet terwijl de offeranden geofferd werden, maar terwijl de priesters baden (zoals in 2 Kronieken 5:13, toen zij God loofden) hetgeen aanduidt dat de gebeden en lofzeggingen van Gods geestelijke priesters Gode meer welbehaaglijk zijn dan alle brandoffers en slachtoffers.
Toen de plechtigheid volbracht, de zegen uitgesproken en de vergadering bij het einde van de dag op het punt was om uit elkaar te gaan, toen heeft God Zijn welbehagen betuigd, hetgeen hun zo'n blijdschap en voldoening gaf, dat het wel waardig was er op te wachten.
1. De heerlijkheid des Heeren verscheen al den volke, vers 23. Wat de verschijning er van was, of waarin zij bestond, wordt ons niet gezegd, ongetwijfeld was zij van zo'n aard dat er het blijk en bewijs van in lag opgesloten. De heerlijkheid des Heeren, die de tabernakel vervulde, Exodus 40:34, openbaarde zich nu aan de deur van de tabernakel voor hen, die daar waren vergaderd, zoals een vorst zich aan een verwachtende volksmenigte toont om haar genoegen te geven. Hiermede toonde God Zijn goedkeuring van hun gaven. Zij, die naarstig de eredienst Gods op de door Hem bepaalde wijze waarnemen, zullen zo'n gezicht verkrijgen op, Zijn heerlijkheid, dat hun dit een overvloedige blijdschap en voldoening zal wezen. Die in Gods huis wonen, kunnen met het oog van het geloof de lieflijkheid des Heeren aanschouwen.
2. Een vuur ging uit van het aangezicht des Heeren, en verteerde het offer, vers 24. De geleerde bisschop Patrick maakt hier de zeer waarschijnlijke gissing, dat Mozes en Aaron in de tabernakel bleven totdat het tijd was voor het avondoffer, dat door Aaron geofferd werd maar hier niet wordt vermeld, omdat dit een gewone zaak was, en dat dit het offer was, dat door het vuur, dat van het aangezicht des Heeren uitging, verteerd werd. Hetzij nu dit vuur van de hemel kwam, of uit het heilige der heiligen of van de zichtbare verschijning van Gods heerlijkheid, die al het volk gezien heeft, het was een duidelijk teken van Gods aanneming van hun dienst, Zijn welbehagen er in, zoals later van Salomo's offer, 2 Kronieken 7:1, en dat van Elia, 1 Koningen 18:38. Dit vuur heeft:
A. Het tegenwoordige offer verteerd, of zoals het Hebreeuwse woord eigenlijk is: opgegeten. En op tweeërlei wijze was dit een getuigenis van aanneming.
a. Het betekende dat Gods toorn van hen was afgewend. Gods toorn is een verterend vuur, dit vuur zou rechtvaardig op het volk hebben kunnen komen om hen te verteren vanwege hun zonden, maar dat het op het offer kwam en dat verteerde, betekende Gods aanneming er van, als een verzoening voor de zondaar. b. Het betekende dat God in verbond en gemeenschap met hen kwam, zij aten hun deel van het offer, en zo heeft Hij, als het ware "avondmaal met hen gehouden, en zij met Hem," Openbaring 3:20.
B. Dit vuur heeft, als het ware, bezit genomen van het altaar. Aldus was in Gods huis het vuur ontstoken, dat zou aanblijven zolang het huis staan bleef, zoals wij tevoren gelezen hebben, Hoofdstuk 6:13. Ook dit was een beeld of type van toekomende goederen: de Geest is in vuur op de apostelen nedergedaald, Handelingen 2:3, hun opdracht bekrachtigende, zoals het vuur, waarvan hier gesproken wordt, de opdracht van de priesters bekrachtigde. En de nederdaling van dit vuur in onze zielen om er Godvruchtige neigingen in te ontsteken naar God, en zo'n heilige ijver, dat het vlees met zijn lusten er door verteerd wordt is een stellig teken van Gods genadig welbehagen in ons en ons werk. Hetgeen het werk is van Zijn eigen genade in ons, strekt tot Gods eer en heerlijkheid. "Hieraan kennen wij dat wij in Hem blijven en Hij in ons, omdat Hij ons van Zijn Geest gegeven heeft," 1 Johannes 4:13. Van nu voortaan moeten al hun offers en hun reukwerk met dit vuur geofferd worden. Niets gaat tot God dan hetgeen van God komt. Wij moeten genade hebben, het heilige vuur van de God van genade, want anders kunnen wij "Hem niet welbehaaglijk dienen," Hebreeën 12:28. De priesters moesten het vuur brandende houden met een gestadige toevoer van brandstof, en die brandstof moet hout wezen, de reinste van alle brandstoffen. Zo moeten zij, aan wie God genade heeft gegeven, er zich voor wachten om de Geest uit te blussen.
Eindelijk. Er wordt ons hier gezegd, hoe het volk bewogen was door deze openbaring van Gods heerlijkheid en genade. Zij ontvingen haar:
a. Met de grootste blijdschap, zij juichten, aldus zichzelf en elkaar opwekkende tot een heilige vreugde in de verzekerdheid die zij nu hadden, dat God hun nabij was, waarvan gesproken wordt als van de grootheid van hun volk, Deuteronomium 4:7.
b. Met de diepste eerbied: zij vielen op hun aangezichten, in ootmoedige aanbidding van de majesteit van die God, die zich verwaardigde om zich aldus te openbaren. Het is een zondige vrees, die ons van God wegdrijft, maar een Godvruchtige vrees maakt, dat wij ons voor Hem neerbuigen. Voor het ogenblik werden zeer goede indrukken op hen teweeggebracht, maar spoedig verflauwden die indrukken, zoals het gewoonlijk gaat met die, welke teweeggebracht worden door wat zichtbaar is, maar de indrukken van het geloof zijn duurzaam.