Leviticus 10:3-7
Wij kunnen ons wel voorstellen dat, toen Nadab en Abihu aldus door de dood getroffen werden, allen, die hen omringden, met schrik en ontzetting waren vervuld, dat ieders gelaat zowel als het hunne, verbleekte en bestierf, ontsteltenis en verwarring zich van hen meester maakten. Maar, hoe het nu ook met de overigen gesteld was, Mozes bleef kalm, en wist wat hij zei en deed, daar hij niet, zoals David in een soortgelijk geval, misnoegd was, 2 Samuël 6:8. Maar hoewel het hem zeer gevoelig trof, en een smartelijke verstoring was van de grootste blijdschap, die hij ooit gesmaakt heeft, kon hij toch zijn ziel in zijn lijdzaamheid blijven bezitten, en droeg hij zorg om goede orde te houden en betamelijker eerbied in het heiligdom.
I. Hij poogt Aaron tot bedaring en kalmte te brengen, en hem onder deze treurige omstandigheden in een goede gemoedsstemming te houden, vers 3. Mozes was een broeder in de benauwdheid geboren, en heeft ons door zijn voorbeeld geleerd, om met gepaste raad en vertroosting de kleinmoedigen te vertroosten en de zwakken te ondersteunen.
Merk hier op:
1. Wat Mozes bij deze gelegenheid tot zijn arme broeder sprak. Dit is het wat de Heere gesproken heeft. De meest kalmerende overwegingen onder de beproevingen zijn die, welke ontleend zijn aan het woord Gods. Zo en zo heeft de Heere gesproken, en het betaamt ons niet het tegen te spreken. Bij alle leidingen van Gods voorzienigheid is het goed op de vervulling van de Schrift er in te letten, Gods woord en Gods werken met elkaar te vergelijken, en als wij dat doen, dan zullen wij er een bewonderenswaardige harmonie in vinden, en zien dat zij elkaar verklaren en ophelderen. Maar:
a. Waar heeft God dit gesproken? Die eigen woorden vinden wij niet, maar naar die strekking heeft Hij gezegd in Exodus 19:22, Daartoe zullen ook de priesters, die tot de Heere naderen, zich heiligen, dat de Heere niet tegen hen uitbreke. Ja, geheel de strekking en het oogmerk van Zijn wet gaven te kennen dat Hij, een heilig God zijnde en een oppermachtig Heer, altijd met heiligheid en eerbied aangebeden moet worden en in nauwkeurige overeenstemming met Zijn eigen bepaling, en het is op hun gevaar zo zij met onbedachtzaamheid te werk gaan. Zeer veel is hieromtrent gezegd, zoals in Exodus 29:43, 44, 34:14, Leviticus 8:35.
b. Wat was het dat God sprak? Het is dit, (moge de Heere door Zijn genade het tot ons aller hart spreken!) "In degenen, die tot mij naderen, wie zij ook zijn mogen, zal Ik geheiligd worden, en voor het aangezicht van al het volk zal Ik verheerlijkt worden."
Merk op:
Ten eerste. Telkenmale als wij God aanbidden, naderen wij tot Hem als geestelijke priesters. Deze gedachte behoort ons zeer eerbiedig en ernstig te maken in al onze handelingen van de Godsvrucht, dat wij daarin tot God naderen en ons voor Zijn aangezicht stellen.
Ten tweede. Het is ons aller zorg en belang om, als wij tot God naderen, Hem te heiligen, dat is: Hem de lof te geven van Zijn heiligheid, en elke oefening van de Godsvrucht te verrichten als degenen, die weten dat de God, met wie wij te doen hebben, een heilig God is, een God van vlekkeloze reinheid en alles overtreffende volmaaktheid, Jesaja 8:13. Ten derde. Als wij God heiligen, dan verheerlijken wij Hem, want Zijn heiligheid is Zijn heerlijkheid, en als wij Hem heiligen in onze plechtige vergaderingen, dan verheerlijken wij Hem voor het aangezicht van al het volk, belijdende ons geloof in Zijn heerlijkheid en begerende dat ook anderen er mee aangedaan zullen worden.
Ten vierde. Indien God niet door ons geheiligd en verheerlijkt wordt dan zal Hij aan ons geheiligd en verheerlijkt worden. Hij zal wrake doen aan hen, die Zijn heilige naam onteren door zich oneerbiedig jegens Hem te betonen. Wordt Hem die hulde niet door ons bewezen, dan zal dit aan ons worden bezocht. Maar wat heeft dit met het onderhavige geval van doen? Wat was hierin om Aaron tot kalmte te brengen?
Twee dingen.
Ten eerste. Het moet hem tot zwijgen brengen, dat zijn zonen de dood verdiend hadden, want zij zijn aldus uitgeroeid uit het midden van hun volk, omdat zij God niet geheiligd en verheerlijkt hebben. Over de daden van noodzakelijke gerechtigheid moet, hoe hard zij de betrokken personen ook mogen treffen niet geklaagd worden, wij moeten ons er aan onderwerpen.
Ten tweede:
1. Het moet hem tevreden maken, dat de dood van zijn zonen strekte tot eer van God, en dat Zijn onpartijdige gerechtigheid er door alle eeuwen om aangebeden zal worden.
2. De goede uitwerking, die het op hem had: Aaron zweeg stil, dat is: hij onderwierp zich geduldig aan de heilige wil van God in deze treurige beschikking, hij was stom en opende zijn mond niet, want de Heere had het gedaan. Hij stond gereed om iets te zeggen, bij wijze van klacht, (zoals zij, die bitter bedroefd zijn gewoonlijk lucht geven aan hun smart) maar hij heeft zich wijselijk bedwongen, hij legde zijn hand op zijn mond, en zei niets, vrezende anders te zullen zondigen met zijn tong nu zijn hart heet was in zijn binnenste. Als God ons, of de onzen, kastijdt om onze zonde, dan is het onze plicht om stil te zijn onder de kastijding, niet met God te twisten, Zijn rechtvaardigheid niet in twijfel te trekken, of Hem dwaasheid toe te schrijven, maar te berusten in al wat God doet, de straf van de ongerechtigheid niet slechts dragende, maar aannemende, en te zeggen met Eli, in een geval, niet zeer ongelijk aan dit onderhavige geval: "Hij is de Heere, Hij doe wat goed is in zijn ogen," 1 Samuël 3:18. "Indien onze kinderen tegen God gezondigd hebben" (zoals Bildad het geval stelt, Job 8:4), "en Hij hen om hun overtreding weggeworpen heeft," zal het ons wel een diepe smart zijn te denken, dat de kinderen van onze liefde de kinderen zijn van Gods toorn, maar dan hebben wij toch met eerbied de gerechtigheid Gods te aanbidden, maar geen bedenkingen in te brengen tegen zijn wijze van handelen. De krachtigste argumenten om een Godvruchtig gemoed tot rust te brengen onder beproevingen, zijn die welke ontleend zijn aan Gods heerlijkheid, dit heeft ook Aaron tot stilzwijgen gebracht. Het is waar: door deze strenge strafoefening leed hij een zwaar en smartelijk verlies, maar Mozes heeft hem getoond dat God er door wint in heerlijkheid, en daarom heeft hij er geen woord tegen in te brengen, als God geheiligd wordt, is Aaron tevreden. Verre zij het van hem om zijn zonen meer te eren dan God, of te wensen dat Gods naam, of huis, of wet aan smaad of minachting zou worden blootgesteld, door de bewaring van de eer en de goede naam van zijn gezin. Neen, evenals in de zaak van het gouden kalf, heeft Levi "zijn broeders niet gekend en zijn zonen niet geacht," en daarom "zullen zij Jakob Uw rechten leren, en Israël Uw wet," Deuteronomium 33:9, 10. Leraren en hun gezin worden soms bezocht door zware beproevingen, opdat zij voor de gelovigen voorbeelden zullen zijn van lijdzaamheid en onderworpenheid aan God, en anderen kunnen vertroosten met de vertroosting waarmee zij zelf vertroost zijn geworden.
II. Mozes geeft orders omtrent de dode lichamen. Het paste niet dat zij zouden blijven liggen waar zij gevallen zijn, maar hun eigen vader en hun broeders, de ontzette aanschouwers van dit treurige voorval, durfden zich niet aanbieden om hen op te heffen, zelfs niet eens om te zien, of er nog leven in hen was, zij moeten niet afgeleid worden van, noch ongeschikt gemaakt worden voor, het grote werk, dat hun te doen stond. "Laat de doden hun doden begraven," maar zij moeten voortgaan met hun dienst. "Laat de doden veeleer onbegraven blijven, indien er niemand anders is om het te doen, dan dat Gods werk ongedaan zou gelaten worden door hen, die Hij er toe geroepen heeft." Maar Mozes draagt zorg dat zij, hoewel gestorven door de hand van de gerechtigheid, in het bedrijven van zonde, toch op betamelijke wijze begraven worden, en zo geschiedde het, vers 4, 5.
1. Sommigen van hun naaste bloedverwanten, volle neven van hun vader, en die hier genoemd worden, worden gebruikt om deze dienst met tederheid en eerbied te verrichten. Zij waren slechts Levieten, en zouden niet in het heiligdom mogen komen, zelfs niet voor een gelegenheid als deze, indien zij er geen uitdrukkelijk bevel voor hadden ontvangen.
2. Zij droegen hen weg buiten het leger om begraven te worden, zó ver was het van hen, om hen in de plaats van de openbare eredienst, of in de voorhof er van, te begraven zoals het hedendaags gebruik is, hoewel zij daar gestorven waren, dat zij hen, noch iemand anders van hun doden binnen de grenzen van hun leger begroeven, gelijk ook later hun begraafplaatsen buiten hun steden lagen. De tabernakel was opgericht in het midden van het leger, zodat zij deze dode priesters niet naar hun graven konden dragen, zonder door een van de afdelingen van het leger te gaan, en ongetwijfeld was het volk er zeer diep door getroffen en aangedaan. De namen van Nadab en Abihu waren zeer groot en eerwaardig onder hen geworden, van niemand werd meer gesproken, niemands verschijning daarbuiten na de dagen van hun wijding meer verwacht, om de eerbewijzen en betuigingen van aanhankelijkheid van de menigte te ontvangen, waaraan het eigen is de opgaande zon te aanbidden, en na Mozes en Aaron, die oud waren en er wel spoedig niet meer zouden zijn werden Nadab en Abihu (die op de berg bij God waren geweest) Exodus 24:1 beschouwd als de grote gunstgenoten van de hemel en de hoop van hun volk. En hen nu plotseling, toen de tijding van de gebeurtenis nog nauwelijks hun oren had bereikt, dood te zien uitdragen, met de zichtbare tekenen van Gods wraak op hen als offers van de gerechtigheid Gods, nu konden zij wel niet anders dan uitroepen:" Wie zou kunnen bestaan voor het aangezicht van de Heere, deze heilige God?" 1 Samuël 6:20.
3. Zij droegen hen uit (en waarschijnlijk hebben zij hen ook begraven) in hun rokken, de kleren van hun priesterschap, waarmee zij zo kort tevoren bekleed werden, en waarop zij misschien wel al te trots waren. Aldus werd de onpartijdigheid van Gods gerechtigheid bekend gemaakt, zodat aan al het volk kond werd gedaan, dat zelfs priesterkleren de zondaar niet tegen Gods toorn kunnen beschermen. Als vanzelf moest toen ook wel de gedachte bij hen opkomen: "Indien zij niet vrij uitgaan als zij overtreden, kunnen wij dan verwachten ongestraft te blijven?" En daar de priesterkleren zo spoedig grafkleren werden, kon dit hun te kennen geven, dat de wet de dood werkt, en dat dit priesterschap in verloop van tijd opgeheven zou worden, en begraven in het graf van de Heere Jezus.
III. Hij geeft bevelen over de rouw: 1. Dat de priesters geen rouw mogen bedrijven. Aaron en zijn twee overgebleven zonen moeten, hoewel bedroefd van hart, geen uitwendige tekenen van smart tonen bij deze gelegenheid, ja zij mogen geen enkele stap buiten de deur van de tabernakel doen om de lijken te volgen, vers 7. Later was het de hogepriester verboden om, voor welke vriend het ook zij, al was het ook vader of moeder, rouwplechtigheden waar te nemen, Hoofdstuk 21:11 maar aan de mindere priesters wordt vergund om over hun naaste bloedverwanten rouw te bedrijven, Hoofdstuk 21:2, 3. Hier echter was het beide aan Aaron en aan zijn zonen verboden:
a. Omdat zij nu bezig waren aan een groot werk, waarvan volstrekt niet opgehouden mocht worden, Nehemia 6:3, en het was zeer tot eer van God, dat Zijn werk voorging boven de achting of de eerbied, die zij aan hun nabestaanden zouden betonen, dat alle werk of dienst achtergesteld werd bij hun bediening. Hierdoor moeten zij tonen meer waardering en liefde te hebben voor hun God en hun werk dan voor de beste vriend, die zij in de wereld hadden, zoals ook Christus gedaan heeft, Mattheus 12:47, 48. En ons wordt hiermede geleerd om, als wij God dienen in heilig werk, er zoveel mogelijk ons hart bij te hebben, ons door generlei wereldse gedachten, of zorgen, of hartstochten, te laten afleiden. Omdat
b. Hun broeders onmiddellijk door de hand Gods waren afgesneden wegens hun overtreding, en zo moeten zij niet over hen treuren, opdat zij niet de schijn zouden hebben de zonde goed te keuren, of de gerechtigheid Gods in het straffen er van af te keuren. Inplaats van hun eigen verlies te bewenen, moeten zij God heiligen in hun hart, Zijn vonnis goedkeuren en er de billijkheid van erkennen. De openbare belangen van Gods heerlijkheid behoren ons nader aan het hart te liggen dan onze bijzondere of persoonlijke genegenheden.
Merk op, hoe Mozes hen door ernstige bedreiging tot deze onderworpenheid brengt, als het ware de roede over hen opgeheven houdt om hun schreien te doen ophouden, vers 6. Opdat ook gij niet sterft, en grote toorn over de ganse vergadering kome, die in gevaar zou zijn om te moeten lijden om uw oneerbiedigheid, ongehoorzaamheid en onbedwongen hartstochtelijkheid, en wederom, vers 7, opdat gij niet sterft. Zie hier welk gebruik wij moeten maken van Gods oordelen over anderen, wij moeten er door aangespoord worden om dubbele wacht te houden over onszelf, opdat wij niet evenzo omkomen. De dood, inzonderheid de plotselinge dood, van anderen moet, inplaats van onze hartstochten in beweging te brengen, ons stemmen tot heiliger eerbied voor God, een omzichtig scheiden van alle zonde, en een ernstig verwachten van onze eigen dood. De reden, hiervoor gegeven is: want de zalfolie des Heeren is op u, de eer daarvan moet zorgvuldig bewaard worden, doordat gij de plicht van uw ambt goedsmoeds waarneemt. Zij, die door genade de zalving hebben ontvangen, behoren zich niet te ontroeren door de droefheid van de wereld, die de dood werkt. Het was voor Aaron en zijn zonen ongetwijfeld zeer hard en moeilijk om zich te bedwingen bij zo'n buitengewone gelegenheid, en zich van alle uiting van droefheid te moeten onthouden, maar verstand en genade hadden de overhand over de hartstocht, en zij droegen de beproeving met gehoorzaam geduld, zij deden naar het woord van Mozes, omdat zij wisten, dat het het woord van God was. Zalig zij, die aldus zelf onder Gods bestuur zijn, en daarom hun hartstochten kunnen beheersen.
2. Het volk moet rouw bedrijven. Uw broeders, het ganse huis Israëls, zullen deze brand, die de Heere aangestoken heeft, bewenen. De vergadering moet treuren, niet slechts om het verlies van hun priesters, maar inzonderheid om Gods misnoegen, dat er uit blijkt. Zij moeten de brand bewenen, die aangestoken was, opdat hij niet verder brande en vertere. Aaron en zijn zonen waren in gevaar om al te zeer ontroerd te zijn door deze beschikking van God, en daarom wordt het hun verboden te treuren, het huis Israëls was in gevaar om er al te weinig door aangedaan te zijn, en daarom wordt hun bevolen de brand te bewenen. Aldus moet de natuur altijd beheerst worden door de genade, al naar het nodig is haar te dwingen tot wat goed is, of te bedwingen in wat verkeerd is.