Leviticus 10:8-11
Aaron had nauwkeurig acht gegeven op hetgeen de Heere door de dienst van Mozes tot hem gezegd had, en nu doet God hem de eer aan om onmiddellijk tot hem te spreken, vers 8 de Heere sprak tot Aaron, en dit te meer, omdat Aaron hetgeen nu tot hem gezegd werd, wellicht van Mozes niet goed zou hebben opgenomen, alsof hij hem verdacht van een vraat en wijnzuiper te zijn, zo geneigd zijn wij om waarschuwingen voor beschuldigingen te houden, en daarom zegt God zelf het tot hem: Wijn en sterke drank zult gij niet drinken, gij noch uw zonen met u, als gij gaan zult in de tent van de samenkomst, opdat gij niet sterft, vers 9. Waarschijnlijk hebben zij er de slechte uitwerking van gezien bij Nadab en Abihu, en daarom moeten zij er zich door gewaarschuwd achten. Let hier op:
1. Het verbod zelf: Wijn en sterke drank zult gij niet drinken. Op andere tijden was hun dit veroorloofd, (er werd niet geëist dat iedere priester een Nazireër zou zijn) maar gedurende de tijd van hun bediening was het hun verboden. Dit was een van de wetten van Ezechiëls tempel, Ezechiël 44:21, en zo wordt ook van Evangeliedienaren geëist, "niet genegen te zijn tot de wijn," 1 Timotheus 3:3. Dronkenschap is slecht bij iedereen, maar zij is inzonderheid ergerlijk en verderflijk in leraren, die van alle mensen het helderste hoofd en het reinste hart moeten hebben.
2. De strafbedreiging, gevoegd bij dit verbod: Opdat gij niet sterft, opdat gij niet sterft, als gij dronken zijt, "en u die dag onvoorziens overkome," Lukas 21:34. Of, "Opdat gij niet doet hetgeen u blootstelt om door de hand Gods afgesneden te worden." Het doodsgevaar, waarin wij voortdurend verkeren, moet er ons toe brengen om nuchter te zijn, 1 Petrus 4:7. Het is te betreuren, dat dit gebruikt wordt om loszinnigheid te steunen, zoals geschiedt door hen, die zeggen: Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij.
3. De redenen, aangeduid voor dit verbod. Zij moeten nuchter zijn, want anders kunnen zij hun ambtsplichten niet naar behoren vervullen, zij zullen in gevaar zijn "van te dwalen van de wijn," Jesaja 28:7. Zij moeten er voor zorgen nuchter te blijven:
a. Om bij hun dienstwerk zelf te kunnen onderscheiden tussen hetgeen heilig en hetgeen onheilig is en dit nooit met elkaar verwarren, vers 10. Het betaamt de dienstknechten des Heeren verschil te maken tussen heilig en onheilig, zowel ten opzichte van personen als van zaken "het kostelijke van het snode uit te trekken," Jeremia 15:19.
b. Opdat zij in staat zullen zijn het volk te leren, vers 11, want dat behoorde tot het werk van de priesters, Deuteronomium 33:10, en zij die zich aan dronkenschap overgeven, zijn zeer ongeschikt om het volk Gods inzettingen te leren, omdat zij, die naar het vlees leven, geen bevindelijke kennis kunnen hebben van de dingen Gods, de dingen van de Geest, en ook omdat zulke leraren met de ene hand afbreken, wat zij met de andere hand hebben opgebouwd.