Deuteronomium 12:5-32
Er is (voor zoveel ik mij herinner) in geheel de wet van Mozes geen gebod, dat hun met zoveel nadruk en zo herhaaldelijk ingeprent wordt als dit, hetwelk hen allen verplichtte om hun offers te brengen naar het ene altaar dat in de voorhof van de tabernakel was opgericht, en aldaar al de plechtigheden van de Godsdienst te verrichten, want ten opzichte van de zedelijke diensten mochten de mensen toen, evenals nu, overal bidden, zoals zij dan ook in hun synagogen gedaan hebben. Het gebod om dit te doen en het verbod van het tegendeel wordt hier telkens en nogmaals herhaald, zoals wij kinderen leren, en toch zijn wij er zeker van, dat er in de Schrift geen ijdele herhaling is, maar al die aandrang wordt gebruikt:
1. Vanwege de sterke neiging tot afgoderij en bijgeloof, die er in het hart des volks was, en het gevaar van verleid te worden door de vele verzoekingen, waardoor zij omringd waren.
2. Vanwege het grote nut, dat het waarnemen van dit gebod voor hen zijn zou, beide om te voorkomen dat er verdorven zeden en gewoonten in hun eredienst zouden ingevoerd worden, en om eenheid en broederlijke liefde onder hen te bevorderen en te bewaren, daar zij, allen in een plaats samenkomende, een van zin en een van hart zullen blijven.
3. Vanwege de betekenis van deze instelling. Zij moeten zich aan een plaats houden, ten teken van hun geloof in deze twee grote waarheden welke wij samengevoegd vinden in 1 Timotheus 2:5, dat er is een God, en een Middelaar Gods en van de mensen. Het diende niet alleen om het denkbeeld vast te houden van de eenheid van de Godheid, maar het was ook een aanduiding voor hen van de enige weg om tot God te naderen en gemeenschap met Hem te hebben in en door de Messias.
Laat ons nu die last, zo gewichtig en rijk van inhoud, onder geschikte hoofden brengen.
I. Er wordt hier beloofd, dat God, als zij in Kanaän gevestigd zullen zijn, en Hij hun rust zal gegeven hebben van al hun vijanden rondom, en zij zeker zullen wonen, een plaats zal verkiezen, die Hij tot het middelpunt hunner eenheid zal stellen, en waar zij al hun offeranden zullen moeten brengen, vers 10,11.
Merk op:
1. Dat, als zij aan een plaats gebonden moeten zijn, zij er niet in onzekerheid over gelaten zullen worden, maar stellig zullen weten waar die plaats is. Indien Christus bedoeld had om onder het Evangelie zodanig een plaats als zetel van macht te stellen zoals die waar Rome aanspraak op maakt, dan zouden wij hieromtrent niet zo ontbloot gelaten zijn van onderricht, als wij zijn, betreffende die bestemde plaats.
2. God laat het hun niet over om die plaats te kiezen, opdat er geen twist om zou ontstaan onder de stammen, die ieder voor hun eigen wereldlijk belang gestreden zouden hebben, om haar bij zich te zien, maar Hij behoudt zich de keus er van voor, gelijk ook de aanwijzing van de Verlosser en de inzetting van de sacramenten.
3. Hij wijst thans de plaats niet aan, zoals Hij de bergen Gerizim en Ebal heeft aangewezen voor het uitspreken van de zegen en de vloek, Hoofdstuk 11:29, maar behoudt zich voor dit later te doen, opdat zij alzo nog verdere instructies van de hemel zullen verwachten en een leiding door God, nadat Mozes weggenomen zal zijn. De plaats, die God zal verkiezen, wordt gezegd de plaats te zijn, waar Hij Zijn naam zal stellen, dat is: die Hij de Zijne zal noemen waar Zijn eer zal wonen, waar Hij zich aan Zijn volk zal openbaren, en zich bekend zal maken, zoals de mensen doen door hun namen, en waar Zijn naam beide geloofd en aangeroepen zal worden. Zij zal Zijn woning zijn, waar Hij, als Koning van Israël, Zijn hof zal houden, en gevonden zal worden van allen die Hem eerbiedig zoeken. De ark was het teken van Gods tegenwoordigheid, en waar die gesteld werd, daar stelde God Zijn naam en dat was Zijn woning, zij bevatte de tafelen van de wet, want niemand moet verwachten gunsten van Gods hand te ontvangen, dan zij, die bereid zijn de wet uit Zijn mond te ontvangen De plaats, die God het eerst verkoos om er de ark te doen wonen, was Silo, en nadat die plaats deze eer verkondigd had, vinden wij de ark te Kirjathjearim en in andere plaatsen, maar eindelijk werd zij in Davids tijd vastgesteld te Jeruzalem, en betreffende Salomo's tempel had God meer uitdrukkelijk dan van enige andere plaats gezegd: Ik heb Mij deze plaats verloren tot een offerhuis, 2 Kronieken 7:12. Vergelijk 2 Kronieken 6:5. Thans onder het evangelie, hebben wij geen tempel, die het goud heiligt, geen altaar, dat de gave heiligt, maar alleen Christus, en wat betreft de plaatsen van de aanbidding, de profeten hebben voorzegd, dat aan alle plaats het geestelijk reukwerk toegebracht zal worden Maleachi 1:11. En onze Heiland heeft verklaard dat diegenen aangenomen zullen worden als ware aanbidders, die God in geest en waarheid aanbidden, zonder dat hetzij deze berg of Jeruzalem, daarbij in aanmerking komt, Johannes 4:21.
II. Er wordt hun geboden al hun brandoffers en slachtofferen te brengen naar de plaats, die God verkiezen zal, vers 6. En wederom, vers 11, daarhenen zult gij brengen alles wat Ik u gebied, en vers 14, daar zult gij uw brandoffers offeren, en vers 27, het vlees en het bloed zult gij bereiden op het altaar des Heeren, uws Gods. En hoewel zij van hun dankoffers, die hier hun slachtoffers genoemd worden, het vlees moeten eten, moest toch het bloed op het altaar worden uitgestort. Hierin werd hen geleerd dat brandoffers en slachtoffers niet om henzelf door God begeerd of aangenomen werden, noch om enigerlei innerlijke waarde er van als natuurlijke uitdrukkingen van hulde en aanbidding, maar dat zij hun kracht zuiver en alleen aan het altaar ontleenden, waarop zij geofferd werden, daar het een type was van Christus, terwijl gebeden en lofzeggingen, daar die veel meer noodzakelijk en kostelijk waren, iedere dag door het volk van God, aan alle plaatsen, waar zij zich bevonden geofferd werden. Een Godvruchtig Israëliet kon God eren, gemeenschap met Hem onderhouden, en genade van Hem verkrijgen, al had hij misschien maandenlang geen gelegenheid om een offer op Zijn altaar te brengen. Maar dit betekent de verplichting voor ons, Christenen, om al onze geestelijke offeranden aan God op te offeren in de naam van Jezus Christus, slechts op aanneming hopende door Zijn middelaarschap, 1 Petrus 2:5.
III. Hun wordt geboden een feestmaal te houden van hun heilige dingen voor het aangezicht des Heeren en met heilige vreugde. Zij moeten niet alleen de offeranden op het altaar brengen, die aan God geofferd moesten worden, maar zij moeten naar de plaats des altaars ook al die dingen brengen, die hun door de wet bevolen waren te eten en te drinken tot eer van God, ten teken van gemeenschap met Hem, vers 6. Hun tienden, hefoffers hunner hand, dat is: hun eerstelingen, hun geloften en hun vrijwillige offeren, al die dingen, welke op Godsdienstige wijze gebruikt moesten worden, hetzij door henzelf of door de priesters en de Levieten, moeten gebracht worden naar de plaats, die God zal verkiezen, zoals alle inkomsten van de kroon, uit alle delen des koninkrijks naar de schatkist gebracht worden. En aldaar zult gijlieden voor het aangezicht des Heeren, uws Gods, eten en vrolijk zijn, vers 7. En wederom, vers 12, gijlieden zult vrolijk zijn voor het aangezicht des Heeren, uws Gods, gijlieden en uw zonen en uw dochters.
Merk hier op:
1. Dat hetgeen wij doen in de dienst van God en tot Zijn eer, tot ons eigen voordeel en welzijn strekt, indien wij het niet door onze zonde beletten. Zij, die aan God offeren, zijn welkom om voor Zijn aangezicht te eten, een feestmaal te houden van hun offers, Hij houdt avondmaal met ons, en wij met Hem, Openbaring 3:20. Als wij God verheerlijken, stichten wij onszelf, beschaven en ontwikkelen wij ons door Gods genade door de toeneming van onze kennis en ons geloof, de opwekking van Godvruchtige neigingen, en de bevestiging van goede gewoonten en besluiten, en aldus wordt de ziel gevoed.
2. Dat dit werk voor God met heilige vreugde gedaan moet worden. Zij zullen eten en vrolijk zijn, vers 7. En wederom in vers 12 en vers 18.
a. Terwijl zij nu voor het aangezicht des Heeren waren, moesten zij vrolijk zijn, vers 12. Het is de wil van God, dat wij Hem dienen met blijdschap, niemand heeft Hem meer mishaagd dan zij, die Zijn altaar bedekten met tranen, Maleachi 2:13. Zie welk een goede Meester wij dienen, die het ons ten plicht stelt te zingen bij ons werk. Zelfs de kinderen en de dienstknechten en dienstmaagden moeten met hen vrolijk zijn voor Gods aangezicht, opdat de Godsdienstoefeningen hun een genoegen, en geen verdrietige taak zal zijn.
b. Zij moeten het aangenaam gevoel meedragen van het genot, dat zij gesmaakt hebben in gemeenschap met God, zij moeten vrolijk zijn over alles waaraan zij hun hand geslagen hebben, vers 7. Zij moeten iets van de vertroosting, die zij gesmaakt hebben in het werk van de Godsdienst, meedragen en er van genieten onder hun gewone bezigheden, en aldus versterkt zijnde in hun ziel, moeten zij alles wat zij doen van harte en blijmoedig doen. En deze heilige, Godvruchtige blijdschap in God en Zijn goedheid zal het beste voorbehoedmiddel wezen tegen de zonde en de strik van ijdele en vleselijke vrolijkheid, en tegen de droefheid van de wereld.
IV. Hun wordt bevolen vriendelijk te zijn voor de Levieten. Zullen zij met vrolijkheid een feestmaal gaan houden, dan moeten de Levieten met hen aanzitten, en zich met hen verblijden, vers 12, en wederom in vers 18, en een algemene waarschuwing in vers 19. Wacht u dat gij de Leviet niet verlaat al uw dagen. Er waren Levieten, die het altaar dienden als hulp van de priesters, en deze moesten niet verlaten worden, dat is: bij de dienst door hen verricht, moeten zij altijd blijven, geen ander altaar moet opgericht worden, dan dat hetwelk door God geboden was, want dat zou wezen de Levieten te verlaten. Maar dit schijnt hier gesproken van de Levieten, die verspreid waren in het land om het volk te onderwijzen in de wet van God en hen bij te staan in hun oefeningen van de Godsvrucht, want het is de Leviet, die in uw poorten is, welke zij in eer moeten houden. Het is een grote zegen om Levieten onder ons te hebben in onze poorten, opdat wij de wet uit hun mond zullen horen, en opdat zij ons bij feestmaaltijden beteugelen, indien wij ons aan overdaad zouden willen schuldig maken. En het is de plicht van de gemeente vriendelijk te zijn voor haar leraren, die haar onderwijzen en een goed voorbeeld geven. Zolang wij leven, zullen wij hun hulp nodig hebben totdat wij komen in de wereld waar de inzettingen opgehouden hebben, en daarom moeten wij zolang als wij leven de Levieten niet verlaten. De reden, hiervoor gegeven is: want de Leviet heeft geen deel noch erve met ulieden, vers 12, zodat hij niet rijk kan worden door landbouw of koophandel, laat hem daarom delen in de gerieflijkheden van uw rijkdom. Zij moeten de Levieten hun tienden en offeranden geven, die vastgesteld zijn door de wet, omdat zij geen andere middelen van bestaan hadden.
V. Hun wordt veroorloofd gewoon vlees te eten maar niet het vlees hunner offeranden in hun eigen huizen, waar zij ook zouden wonen. Wat op de een of andere wijze Gode gewijd was, moeten zij niet tehuis eten, vers 13, 17, maar hetgeen niet aldus gewijd was, mogen zij slachten en eten naar hun welgevallen, vers 15. En dit verlof wordt herhaald in vers 20-22. Zolang zij in de woestijn waren, schijnen zij geen vlees gegeten te hebben dan van de beesten die tot offers dienden, behalve van die welke aan de deur van de tent van de samenkomst geslacht waren, en waarvan een deel aan God werd aangeboden ten dankoffer, Leviticus 17:3, 4. Maar toen zij naar Kanaän kwamen, waar zij op grote afstand van de tabernakel moesten wonen, mochten zij voor hun eigen gebruik naar hun welgevallen slachten van hun schapen en runderen, zonder een deel ervan naar het altaar te brengen. Dit verlof is zeer stellig en nadrukkelijk, en herhaald, opdat Satan geen aanleiding zou nemen uit de wet, die hun verbood het vlees van hun offers in hun eigen huizen te eten, om hun harde gedachten omtrent God in te blazen, zoals hij dit onze eerste ouders gedaan heeft, alsof God hun het genot niet gunde van wat Hij hun gegeven had, en daarom: naar alle lust uwer ziel zult gij slachten en vlees eten. Er is een natuurlijke, geregelde lust, die het geoorloofd is met soberheid en matigheid te bevredigen, geen al te groot genoegen vindende in die bevrediging, noch ontrust zijnde als er eens niet aan voldaan kan worden. De onreinen, die niet van de heilige dingen mochten eten, mochten toch wel van hetzelfde soort van vlees eten, als het slechts tot gewoon voedsel diende. Het verschil tussen reine en onreine personen was onaantastbaar en bedoeld om de eer in stand te houden van hun heilige feestmaaltijden, en moest dus niet gelden voor hun gewone maaltijden.
Aan dit verlof is een dubbele beperking verbonden.
1. Zij moeten eten naar de zegen, die God hun gaf, vers 15. Het is niet alleen onze wijsheid, maar onze plicht om naar ons inkomen te leven, en niet boven ons vermogen. Gelijk het van de ene kant onrecht is om op te leggen wat uitgegeven moest worden, zo is het nog veel meer onrecht om meer uit te geven dan wij hebben, want wat het onze niet is, moet wel van iemand anders zijn, die dus hierdoor beroofd of benadeeld wordt. En dit, zeg ik, is nog veel meer onrecht, omdat het gemakkelijker is later uit te delen wat onrechtmatig opgelegd werd, en aldus enigermate het onrecht te herstellen, dan om aan vrouw en kinderen en schuldeisers terug te betalen wat onrechtmatig werd uitgegeven. Laat tussen deze twee uitersten de wijsheid een middenweg vinden, en laat dan waakzaamheid en vastberadenheid op die middenweg blijven.
2. Zij moeten geen bloed eten, vers 16 en wederom, vers 23, alleen houdt vast, dat gij het bloed niet eet, vers 24, gij zult dat niet eten en vers 25, gij zult dat niet eten, opdat het u welga. Als zij het bloed niet naar het altaar konden brengen, om daar voor het aangezicht des Heeren te worden uitgestort als Hem toebehorende, dan moeten zij het op de aarde uitstorten als niet behorende aan hen, omdat het het leven was en dus behoorde aan Hem die het leven geeft, en als verzoening Hem behoorde, aan wie het leven verbeurd is. Bisschop Patrick denkt dat een van de redenen, waarom hun het eten van bloed zo streng was verboden, was het bijgeloof te voorkomen van de oude afgodendienaars ten opzichte van het bloed hunner offers, waarin hun demonen naar zij dachten, zich verlustigden, en zij verbeeldden zich, dat zij, door er van te eten, gemeenschap met hen kregen. VI. Hun wordt verboden hun eigen verdorven gewoonten uit de woestijn, of de verdorven gewoonten van degenen, die voor hen het land Kanaän bewoonden, aan te houden.
1. Zij moeten de onbetamelijke gewoonten niet aanhouden, die zij in de woestijn hadden aangenomen, maar die toen door de vingers werden gezien uit aanmerking van het ongevestigde van hun toestand, vers 8, 9. Gij zult niet doen naar alles wat zij hier heden doen. Nooit was er een betere regeerder dan Mozes was, en men zou denken dat er nooit betere gelegenheid was om goede orde en tucht onder een volk te handhaven, dan nu onder het volk van Israël, toen zij zo dicht bij elkaar onder het oog van hun regeerder gelegerd waren, en toch schijnt er veel verkeerds te zijn geweest, en vele onregelmatigheden bij hen binnengeslopen te zijn. Wij moeten nooit verwachten een maatschappij of kerk volmaakt te zien, rein en recht zoals zij behoorde te wezen, voor wij in het hemelse Kanaän komen. Zij hadden offers en een openbare Godsverering, gerechtshoven en een burgerlijk bestuur, en te oordelen naar de steniging van de man, die gevonden werd hout lezende op de sabbatdag, werd er grote strengheid en striktheid gebruikt voor het in acht nemen van de gewichtigste zaken van de wet, maar daar zij dikwijls van plaats veranderden en altijd in onzekerheid waren, kon niemand van hen de plechtige feesten en de plechtigheden van de reiniging met die nauwkeurigheid waarnemen, welke door de wet werd vereist. En diegenen onder hen, die geneigd waren om verkeerd te doen, hadden gelegenheid om het onopgemerkt te doen, omdat hun veelvuldige reizen stoornis gaven in de bedeling van het recht. Maar, zegt Mozes, als gij in Kanaän komt, dan zult gij niet doen naar alles wat wij hier heden doen. Als het volk van God in ongevestigde toestand verkeert, dan kan wel iets toegelaten worden, dat op andere tijden niet mag worden geduld, of ontheffing worden verleend voor iets, dat op andere tijden streng gehandhaafd moet blijven. Een geval van noodzakelijkheid moet in aanmerking genomen worden, zolang de noodzakelijkheid duurt, maar in Kanaän moet niet gedaan worden, wat in de woestijn toegestaan werd. Terwijl men bezig is een huis te bouwen, laat men er zeer veel vuil en afval bij liggen, dat alles weggeruimd wordt als het huis gebouwd is. Mozes stond nu op het punt zijn leven en zijn regering neer te leggen, en het is hem een troost te voorzien, dat Israël beter zal wezen onder de volgende regering dan onder de zijne.
2. Zij moeten de Heere niet aanbidden met de plechtigheden, waarvan de volkeren van Kanaän gebruik hadden gemaakt in de dienst van hun goden, vers 29-32. Zij moeten niet eens navraag doen naar de vormen en de wijze van afgodenaanbidding. Welk goed zou het hun doen om deze diepten des Satans te kennen? Openbaring 2:24. Het is het beste om maar onbekend te blijven met hetgeen gevaar oplevert om er door besmet te worden. Zij moeten de zeden en gewoonten van de afgodendienaars niet invoeren:
a. Omdat het ongerijmd zou zijn om diegenen tot voorbeelden te nemen, die door God tot hun slaven en gevangenen waren gemaakt, en voor hun aangezicht verdelgd werden. De Kanaänieten hadden niet zoveel voorspoed gehad in de dienst hunner afgoden, dat de Israëlieten er lust door zouden krijgen om hun gewoonten aan te nemen. Diegenen zijn wel zeer ongelukkig verdwaasd, die in de weg van de zondaren willen wandelen, nadat zij hun einde gezien hebben.
b. Omdat sommigen van hun gewoonten uiterst wreed en onmenselijk waren, niet slechts het licht en de wet van de natuur vertraden, maar ook zelfs de natuurlijke liefde, zoals hun zonen en hun dochters met vuur te verbranden voor hun goden, vers 31, waarvan de vermelding reeds volstaat om die gewoonte hatelijk te maken, en ons met afschuw er voor te vervullen. c. Omdat hun afgodische zeden en gewoonten een verfoeisel waren voor de Heere, en de overbrenging er van in Zijn eredienst ook die zelfs tot een verfoeisel zou maken, en hetgeen, waarmee zij Hem behoorden te eren, en door hetwelk zij Zijn gunst hoopten te verkrijgen een belediging voor Hem zou zijn. De zaak staat voorwaar al zeer slecht, als het offer zelf een gruwel is, Spreuken 15:8. Daarom besluit hij in vers 32 met dezelfde waarschuwing betreffende de aanbidding van God, die hij hun tevoren had gegeven betreffende het woord van God Hoofdstuk 4:2. Gij zult er geen bedenkselen van uzelf aan toedoen, onder voorwendsel van de inzetting meer betekenisvol of meer glansrijk en prachtig te maken, noch ook daarvan afdoen onder voorwendsel van haar gemakkelijker en meer praktisch te maken, of van terzijde te laten wat wel gemist kan worden maar gij zult waarnemen te doen al hetgeen en niets anders dan dat God geboden heeft. Wij kunnen hopen in onze aanbidding Gode welbehaaglijk te wezen, als wij Zijn geboden waarnemen om te doen. God wil Zijn eigen werk op Zijn eigen wijze gedaan hebben.