Klaagliederen 2:10-22
Terecht worden dit klaagliederen genoemd, en aandoenlijke klaagliederen zijn het, de volmaakte uiting van smart, klachten en geween en anders niets, als de inhoud van Ezechiëls rol, Ezechiël 2:10.
I. Hier worden voorbeelden van klaagzangen gegeven, die naar het leven getekend zijn.
1. De rechters en overheden, die gewoon waren in plechtige kleding te verschijnen, hebben die ter zijde gelegd, of liever zij zijn er van beroofd, en hebben zich rouwgewaad aangedaan, vers 10, de oudsten zitten nu niet langer in de stoelen des gerichts, de stoelen van het huis Davids, maar zij zitten op de aarde, daar zij geen stoel hebben om in te rusten, of ten teken van smart, zoals Jobs vrienden "met hem op de aarde zaten", Job 2:13. Zij doen hun mond niet open in de poort, om hun mening te zeggen, zoals gewoonlijk, maar zij zwijgen stil, overweldigd door smart, en niet wetende, wat te zeggen. "Zij werpen stof op hun hoofd en hebben zakken aangegord, zoals in diepen rouw, zij hebben macht en rijkdom verloren, en dat was de oorzaak van hun smart"." Ploratur lachrymis anissa pecunia veris. -Oprecht zijn de tranen, die vergoten worden over verloren goed".
2. De jonge dochters, die gewoon waren zich zo rijk te kleden, en met "uitgestrekten hals te gaan, Jesaja 3:16, zijn nu vernederd: De jonge dochters van Jeruzalem laten haar hoofd ter aarde hangen, nu leren zij de smart kennen, zij allen, die ze schenen te tarten, en altijd vrolijk gestemd waren."
3. De profeet zelf geeft het voorbeeld aan de treurenden, vers 11. Zijn ogen zijn verteerd door tranen, hij heeft geweend, totdat hij niet meer kon, hij heeft zijn ogen bijna uitgeweend, zij zijn bijna blind van het wenen. Ook zijn de innerlijke bewegingen van zijn smart niet minder dan de uiterlijke. "Zijn ingewand wordt beroerd, zoals, toen hij deze rampen zag komen", Jeremia 4:19, 20, wat hem er nu van ontslaan moest, zo zou men denken, maar zelfs hij, voor wie zij geen verrassing waren voelde ze als een ondragelijke smart, in zo'n mate, dat zijn leven ter aarde is uitgeschud, hij had een gevoel, alsof hij tot water werd, al zijn ingewanden waren als gesmolten en opgelost, als in Psalm 22:14. Jeremia zelf werd beter behandeld dan zijn buren, beter dan hij vroeger behandeld was door zijn eigen landslieden, ja, hun verderf was zijn verlossing, hun gevangenschap zijn bevrijding, hij werd begunstigd door dezelfde personen, die hen tot gevangenen maakten, en toch zinken zijn bijzondere belangen in `t niet bij zijn belangstelling in de algemene belangen, en beweent hij "de breuke van de dochter Zijns volks" met evenveel gevoel alsof hij zelf het meest te lijden had gehad van dat gemeenschappelijke onheil. De oordelen Gods over land en volk moeten door ons beweend worden, al ontkomen wij zelf er nagenoeg geheel aan.
II. Hier wordt aangespoord om te wenen: Hun hart schreeuwde tot de Heere, vers 18. Sommigen vrezen, dat het niet de kreet van oprecht berouw, maar van bitter beklag was, hun hart was vervuld met smart, tot berstens toe, en zij gaven daaraan lucht in smartkreten en jammerklachten, waarbij zij gebruik maakten van Gods naam, toch willen wij liefderijk veronderstellen, dat velen van hen in oprechtheid tot God riepen, om barmhartigheid in hun ellende, en de profeet zegt hun daarmee voort te gaan: "O gij muur van de dochter Sions, `t zijn degenen, die op de muur staan, gij wachters op de muren," Jesaja 63:6, wanneer gij de vijand tegen de muur van rondom gelegerd ziet en dat hij er tegen optrekt, of "vanwege de muur, (die het onderwerp van de klachten is), vanwege de verbreking van de muur (hetgeen plaats vond een maand na de inneming van de stad), vanwege deze nieuwe ramp, moet de dochter Zions nog voortgaan te wenen". Dat was iets, waar Nehemia lang daarna ook over treurde, Nehemia 1:3, 4. "Laat dag en nacht tranen afvloeien als een beek, ween zonder ophouden, geef u geen rust van het wenen, uw oogappel houde niet op." Dit betekent
1. Dat de rampen zouden voortduren, en de oorzaken van de smart herhaaldelijk terugkomen en dat hun iedere dag en iederen nacht nieuwe reden gegeven zou worden om over zichzelf te wenen.
2. Dat zij geneigd zouden zijn om, trapsgewijze, ongevoelig en verdoofd te worden onder Gods hand, en behoefte te hebben om steeds zwaarder beproefd te worden, totdat hun trotse en harde harten volkomen vernederd en verzacht waren.
III. Hier wordt reden tot klachten gegeven, en de rampen, die beweend moeten worden, worden in `t bijzonder en treffend beschreven.
1. Zij sterven bij menigten van honger, een zeer smartelijk oordeel, en meelijwekkend is het lot van hen, die er onder vallen. God had hen enige tijd tevoren gekastijd door gebrek aan levensmiddelen, ontstaan door gebrek aan regen, Jeremia 14:1, en door die lagere trap van het oordeel waren zij niet tot berouw gebracht, en daarom bracht God het nu in volle kracht over hen, door een nauwe insluiting, want
a. De kinderen stierven van honger in de armen hunner voeders, Het kindje en de zuigeling wier onschuld en hulpeloosheid hun recht geeft om het eerste geholpen te worden, zinken op de straten in onmacht, vers 11, als de verslagenen vers 12, daar er geen voedsel voor hen te vinden is, die verhongeren sterven even zeker als die doorstoken zijn. Zij liggen lange tijd tegen hun arme moeders te schreeuwen om brood voor hun voeding en wijn voor de dorst, want zij zijn in zulke weelde groot gebracht en hadden ze nu nodig zodat tenslotte hun ziel zich uitschudt in de schoot hunner moeders, en daar blazen zij de laatste adem uit. Dit wordt herhaald, vers 19 :zij zijn in onmacht gevallen van honger, vooraan op alle straten. Toch is dit nog het ergste niet:
b. Sommige kleine kinderen werden door de hand hunner moeders gedood, om gegeten te worden. vers 20. Zulk een schaarste van levensmiddelen was er, dat de vrouwen haar vrucht aten, haar eigen kinderen, en wel zulke, die men op de handen draagt, zoals gedreigd was in Deuteronomium 28:53. Hetzelfde vond plaats bij het beleg van Samaria, 2 Koningen 6:29. Tot zo'n uiterste, ja, tot zo'n barbaarsheid werden zij gebracht door de honger. Laat ons, in onze overvloed, God danken, dat wij geschikt voedsel hebben, niet alleen voor ons zelf, maar ook voor onze kinderen.
2. Bij menigten vallen zij door het zwaard dat zowel de een als de ander verteert, vooral in de hand van zulke wrede vijanden als de Chaldeën.
a. Zij spaarden niemand, ook niet de aanzienlijkste, zelfs de profeet en de priester, die, naar men menen zou, voor alle anderen, de bescherming des hemels en verering op aarde mochten verwachten, worden gedood, niet buiten op het slagveld, waar zij niet op hun plaats zijn, zoals Hofni en Pinehas, maar in het heiligdom des Heeren, de plaats hunner werkzaamheden en die zij hoopten, dat hun tot een schuilplaats zou zijn. b. Zij ontzagen geen leeftijd, ook niet hen, die om hun tedere leeftijd en om hun bejaardheid niet in staat waren het zwaard te voeren, want zelfs zij zijn door het zwaard gevallen. De jeugd, die nog niet verplicht is de wapens te dragen, en de ouderdom, die van die plicht ontslagen is, liggen op de aarde op de straten, totdat een vriendelijke hand zich ontfermt en ze begraaft.
c. Zij ontzagen geen geslacht: "Mijn jongelingen en mijne jonkvrouwen zijn door het zwaard gevallen." Bij de meest barbaarse militaire executiën, waarvan wij ooit lazen, werden de maagden gespaard en buit gemaakt, Numeri 31:18, Richteren 5:30, maar hier werden de maagden even goed over de kling gejaagd als de jongelingen.
d. Dit was van de Heere, Hij liet toe, dat het zwaard van de Chaldeën alles zonder onderscheid verteerde: Gij hebt ze in de dag Uws toorns gedood, want God is het, die kan doden en levend maken, en in het leven sparen, als het Hem behaagt. Maar wat volgt, klinkt zeer hard: Gij hebt ze geslacht en niet verschoond, want Zijn ziel werd verdrietig over de arbeid van Israël. De vijanden die hen zo wreed behandelden. Hij had ze beide, gemonsterd en last gegeven, vers 22 : Gij hebt, als tot een dag eens gezetter hoogtijds, mijn verschrikkingen van rondom geroepen, d.i. de Chaldeën, die zo'n schrik voor mij zijn", Jeruzalem was nu even vol van vijanden, als ooit van feestgangers op een plechtigen vierdag, zodat zij door hun getal overweldigd werden, en niemand ontkwam of overbleef, Jeruzalem was tot een slachthuis geworden. De moeders worden tot in haar ziel gegriefd, als zij zien, dat haar kinderen, waarvoor zij zoveel zorg hebben gedragen, en zoveel smart geleden, zo onmenselijk behandeld, zo plotseling afgesneden worden, terwijl er zoveel tijd nodig is om ze groot te brengen: "Die ik op de handen gedragen en opgetogen heb, die heeft mijn vijand omgebracht," alsof zij voorden beul waren groot gebracht, als schapen voor de slachter, Hosea 9:13. Zion, dat voor hen allen een moeder was, betreurde het, als zij zag, dat die in haar hoven waren opgegroeid, en onder het toezicht van de woorden Gods, ten slachtoffer vielen.
3. Hun valse profeten bedrogen hen, vers 14. Dat was iets, waarover Jeremia lang geleden reeds geklaagd had, en dat hij met grote smart had opgemerkt, Jeremia 14:13 :"Ach, Heere Heere, zie de profeten zeggen hun: Gij zult geen zwaard zien, en hier voegt hij het tussen zijn klaagliederen: Uw profeten hebben uw ijdelheid en ongerijmdheid gezien, zij beweerden voor u te zullen vragen, en dan aan u te zullen bekend maken, wat (Joas wil en eis was, de gezichten des Almachtigen te zullen zien, en dan Zijn woorden te zullen spreken, maar het was alles ijdelheid en dwaasheid, hun gezichten waren alle de vrucht van hun verbeelding, en als zij dachten, dat zij iets zagen, was het slechte een voortbrengsel van een verdwaasd verstand en een verhitte verbeelding, zoals bleek uit alles wat zij profeteerden, en dat ijdel en onbeschaamd was: ja, het is hoogst waarschijnlijk, dat zij zelf wel wisten, dat hun vermeende gezichten, bedrog waren, en geveinsd, en dat zij er gebruik van maakten, om een schonen schijn voor het volk te geven aan hun opzettelijk bedrog, om invloed op hen te krijgen". Het zijn uw profeten, niet Gods profeten, Hij heeft ze niet gezonden, ze waren ook geen profeten naar Zijn hart, maar het volk maakte ze tot profeten, zei hun, wat zij zeggen meesten, zodat zij profeten waren naar hun hart.
a. Profeten moeten het volk op zijn gebreken wijzen, en zijn zonden voorhouden, om hen tot berouw te brengen, en zo hun verderf te voorkomen, maar deze profeten wisten, dat zij daardoor de genegenheid en de bijdragen des volks verliezen zouden, en zij wisten ook, dat zij hun hoorders geen verwijten konden doen, zonder zich zelf meteen te berispen, en daardoor hebben zij uw ongerechtigheid niet geopenbaard, zij zagen ze zelf niet of, als zij het al deden, zagen zij er zo weinig kwaad en gevaar in, dat zij er hun niet mee lastig wilden vallen, hoewel dat een middel had kunnen worden, om hun ongerechtigheid weg te nemen en zo doende hun gevangenschap af te wenden.
b. Profeten behoren het volk te waarschuwen voor de oordelen Gods, die over hen komen zullen, maar deze profeten hebben hun ijdele lasten gezien, de boodschappen, die zij hun brachten, en die beweerden van God afkomstig te zijn, waren vals, en valselijk aan God toegeschreven en dat wisten zij, zodat zij, door hen in die vleselijke zekerheid te sussen, de oorzaak waren van die ballingschap, die zij hadden kunnen voorkomen, door de waarheid te zeggen.
4. Hun naburen lachten hen uit: "Allen die over de weg gaan, klappen met de handen over u". Jeruzalem had een grote rol gespeeld, een groten naam en grote macht gehad over de volken, zij was de afgunst en de schrik van allen om haar heen, en, toen de stad aldus vernederd was, juichten zij allen over haar val (zoals mensen in zo'n geval geneigd zijn te doen), zij floten en schudden het hoofd, daar het hun aangenaam was, te zien, hoezeer zij vervallen was van haar vroegere grootheid. "Is dit die stad, zeiden zij, waarvan men zei, dat zij volkomen van schoonheid was?" Psalm 50:2. Hoe is zij nu volkomen van wanstaltigheid! Waar is nu al haar schoonheid? Is dit de stad, "die een vreugde van de gehele aarde genoemd werd", Psalm 48:3, die meer dan enige andere plaats zich verheugde in de overvloedige gaven en genade van God, en waarin de hele aarde zich verblijdde? Waar is nu al haar vreugde en al haar heerlijkheid? Het is grote zonde om aldus te spotten met de ellende van anderen, en maakt de beproeving van de beproefden veel zwaarder.
5. Hun vijanden juichten over hen, vers 16. Die Jeruzalem en haar vrede kwalijk gezind waren geven nu lucht aan hun spijt en boosheid, die zij vroeger verbergden, nu sperren zij hun mond op, zij fluiten en knersen met de tanden in verachting en verontwaardiging, zij juichen over hun zegepraal op haar, en over de rijken buit, die zij behaald hebben door zich van haar meester te maken: Wij hebben ze verslonden, het is ons werk, en de winst is voor ons, het is nu alles ons eigendom. Jeruzalem zal nooit meer gevleid en gevreesd worden, zoals zij geweest is. Dit is immers de dag, die wij lang verwacht hebben, wij hebben hem gevonden, wij hebben hem gezien, ha, ha! zo wilden wij het hebben. De vijanden van de kerk zijn geneigd, als zij een schok ontvangt, te denken, dat het haar ondergang is, en er over te juichen, alsof het al zo is, maar zij zullen zich bedrogen vinden, want de poorten van de hel zullen haar niet overweldigen.
6. In dit alles toonde God zelf Zich als hun vijand: "De Heere heeft gedaan wat Hij gedacht had." De verstoorders van Jeruzalem konden geen macht tegen haar hebben, indien hun die niet van boven gegeven ware. Zij zijn slechts het zwaard in Gods hand, Hij is het, die ze heeft geslacht en niet verschoond. In deze twist tussen Hem en ons, hebben wij niet de gewone bewijzen van Zijn erbarmen met ons ondervonden. "Hij heeft de vijand over u verblijd, zie Job 30:11, Hij heeft de hoorn uwer tegenpartijders verhoogd," Hij heeft hun reden gegeven om trots te zijn. Dat is werkelijk de ergste verzwaring van hun jammer, dat God hun vijand geworden is, en toch is het de krachtigste aansporing om er geduldig onder te zijn, wij moeten ons wel onderwerpen aan wat God doet, want,
a. Het is de uitvoering van Zijn plan: "De Heere heeft gedaan wat Hij gedacht had, het is volbracht met verstand en overleg, niet haastig, of na een plotseling besluit, het is het kwaad, dat Hij tegen hen geformeerd heeft", Jeremia 18:11, en wij kunnen verzekerd zijn, dat het nauwkeurig aan het doel beantwoordt, zoals het geformeerd is. Wat God tegen Zijn volk bedenkt, is voor hun nut bedoeld, en in `t eind zal men bevinden, dat het zo is.
b. Het is de vervulling van Zijn voorspellingen, het is de vervulling van de Schrift, "Hij heeft nu Zijn woord vervuld, dat Hij bevolen had van oude dagen." Toen Hij hun door Mozes Zijn wet gaf, zei Hij hun, welke oordelen zij zich zeker op de hals zouden halen, als zij die wet overtraden, en nu zij zich hadden schuldig gemaakt aan overtreding van die wet, had Hij het gedreigde vonnis uitgevoerd, overeenkomstig Leviticus 26:16, enz, Deuteronomium 28:15. In al Gods leidingen met Zijn kerk, is het goed kennis te nemen van de vervulling van Zijn woord, want er is een nauwkeurige overeenstemming tussen de oordelen van Gods hand en de oordelen van Zijn mond, en wanneer zij vergeleken worden, zullen zij elkaar verklaren en ophelderen.
IV. Hier wordt troost gezocht en gegeven om de oorzaak van deze klachten weg te nemen.
1. Er wordt naar gezocht en gevraagd, vers 13. De profeet wenst passende en aannemelijke woorden te vinden voor dit geval, om haar die te zeggen: Wat zal ik bij u vergelijken, dat ik u trooste, gij jonkvrouwe, dochter Zions? Wij behoren te pogen hen te troosten, wier rampen wij beklagen, en als onze hartstochten er de oorzaak van zijn, moet onze wijsheid ze zo goed mogelijk zien te herstellen, wij moeten er ons op toeleggen ons medelijden met onze beproefde vrienden om te zetten in vertroostingen. Nu worden hier de twee meest gewone middelen tot vertroosting, in geval van beproeving getoetst, maar als onbruikbaar ter zijde gelegd. Gewoonlijk trachten wij onze vrienden te troosten, door hun te zeggen,
a. Dat hun geval niets bijzonder en niet het eerste van die aard is, er zijn er velen, wier smart groter is en zwaarder op hen drukt dan de hun, maar in Jeruzalems geval gaat dit niet op: "Wat zal ik bij u vergelijken, dat ik u trooste?" Welke stad, welk land is er, welks lot met het uw te vergelijken is? Wat getuigen zal ik u brengen, om een voorbeeld te noemen, dat uw tegenwoordige rampzaliger toestand nabij komt? Helaas, er is er geen, er is geen smart gelijk de uwe, omdat er niemand is, wiens eer gelijk de uw was.
b. Wij zeggen hun, dat hun geval niet hopeloos is, maar gemakkelijk te genezen, maar ook dat kan hier, menselijkerwijs gesproken, niet waarschijnlijk worden genoemd, want "uw breuke is zo groot als de zee," als de breuk, die de zee soms in het land maakt, en zij kan niet gedicht worden, maar wordt al groter en groter. Gij zijt gewond, en wie kan u helen? Geen wijsheid of macht van mensen kan de verwoestingen van zo'n verbroken en vernietigden staat herstellen. Het is daarom doelloos een van deze gewone versterkende middelen toe te dienen, daarom,
2. Is de geneeswijze, die hier voorgeschreven wordt, dat zij tot God moet gaan, en haar zaak in een berouwvol gebed aan Hem opdragen, en met aandrang bidden en in `t gebed volharden: "Maak u op, verhef u uit het stof, uit uw moedeloosheid, maak geschrei des nachts waak in het gebed, kniel, als anderen slapen, en val God lastig, om barmhartigheid: in het begin van de nachtwaken, van elk van de vier nachtwaken laat uw ogen ze voorkomen", Psalm 119:148, stort dan uw hart uit voor het aangezicht des Heeren gelijk water, wees vrijmoedig en met uw beste hart in `t gebed, wees oprecht en ernstig in het gebed, open uw hart, leg uw zaak bloot voor de Heere, hef uw handen tot Hem op in heilig verlangen en verwachting, roep Hem aan voor de ziel uwer kinderen. Die arme schapen, wat hebben zij gedaan? 2 Samuël 24:17. Spreek tot Hem, spreek tot Hem deze woorden, vers 20 : Zie Heere, aanschouw toch aan wie gij alzo gedaan hebt, met wie Gij aldus gehandeld hebt. Zijn zij niet de Uwen, het zaad van Abraham, Uw vriend, en van Jakob, Uw uitverkorene? Heere, heb medelijden met en gedenk aan hun lot!" Gebed is een balsem voor ieder zeer, ook het pijnlijkste, een middel tegen iedere ziekte, ook de smartelijkste. En het doel van het gebed is niet om van de wijsheid en de wil van God iets voor te schrijven, maar om er ons aan te onderwerpen, onze zaak aan Hem op te dragen, en ze dan aan Hem over te laten. "Heere, zie en aanschouw, en Uw wil geschiede."