Klaagliederen 2:1-9
Het is een zeer treurige voorstelling, die hier gegeven wordt van de toestand van Gods kerk, van Jakob en Israël, van Zion en Jeruzalem, maar de nadruk schijnt in deze verzen voortdurend gelegd te worden op de hand van God in deze rampen, waaronder zij zuchten. Het is niet zo zeer, dat die en die dingen gedaan zijn, maar, dat God ze gedaan heeft, die toornig blijkt te zijn tegen hen, Hij is het, die hen kastijdt, en hen kastijdt in toorn en verbolgenheid, Hij is hun vijand geworden, en strijdt tegen hen, en dat is gal en alsem in haar beproeving en haar ellende.
I. Er was eens een tijd, toen God Zich verheugde over Zijn kerk, en zich haar vriend betoonde, en voor haar optrad. Maar nu is Hij tegen haar misnoegd, Hij is vertoornd tegen haar en treedt tegen haar op en behandelt haar als een vijand. Dit wordt hier veelvuldig herhaald en bitter betreurd. Wat Hij gedaan heeft, heeft Hij in Zijn toorn gedaan, dat maakt de dag van heden tot een treurige dag voor ons, dat het de dag is Zijns toorns, vers I, en wederom, vers 2, het is in zijn verbolgenheid, en, vers 3, in ontsteking des toorns, dat Hij nedergeworpen en afgehouwen heeft, en vers 6, in de gramschap Zijns toorns. Hun, die Gods gunst weten te waarderen, schijnt niets vreselijker dan Zijn toorn, een straf uit liefde is gemakkelijk te dragen, maar verwijten uit liefde slaan diepe wonden. Het is Gods toorn, die ontstoken is tegen Jakob als een vlammend vuur, vers 3, en het is een verterend vuur, het verteert rondom, het verteert al haar eer en al haar goed. Dat is de grimmigheid die Hij heeft uitgestort als een vuur, vers 4, ais het vuur en de zwavel, die op Sodom en Gomorra regenden, maar het was hun zonde, die het vuur aanstak. God is zo'n teder vader voor Zijn kinderen, dat wij verzekerd kunnen zijn, dat Hij nooit tegen hen vertoornd is dan wanneer zij Hem tergen, en Hem reden geven om toornig te zijn, en ook is Zijn toorn niet groter dan de oorzaak er van. Gods verbond met hen betekende dat "zo zij Zijn stem gehoorzaamden, Hij de vijand van hun vijanden zou zijn," Exodus 23:22, en dat was Hij ook geweest, zolang zij zich aan Hem hielden, maar nu is Hij hun vijand, ten minste Hij is als een vijand, vers 5. Hij heeft Zijn boog gespannen als een vijand, vers 4. Hij stond met Zijn rechterhand uitgestrekt tegen hen, en een getrokken zwaard er in als een vijand. In werkelijkheid is God geen vijand voor Zijn volk, neen, zelfs niet als Hij vertoornd is tegen hen, en hen in Zijn toorn kastijdt. Wij kunnen ernstig misnoegd zijn tegen onze dierbaarste vrienden en verwanten, tegen wie wij toch in de verste verte geen vijandschap gevoelen. Maar soms is Hij als een vijand voor hen, als al Zijn leidingen met hen naar allen schijn de strekking hebben tot hun verderf, als alle dingen tegen hen schijnen te zijn en niets voor hen. Maar gezegend zij God, Christus is onze Vrede, onze Vredemaker, die de vijandschap gedood heeft, en in Hem kunnen wij welgezind zijn jegens onze wederpartij, en het is wijs van ons, als wij het doen, sinds het tevergeefs is met Hem te twisten, en Hij ons voordelige vredesvoorwaarden aanbiedt.
II. Er was eens een tijd, toen Gods kerk schitterde in glans en luister, en grote invloed had op de volken, maar nu heeft de Heere de dochter Zions bewolkt, vers 1, met een donkere wolk, die verschrikkelijk is voor haar, en door welke zij Zijn aangezicht niet zien kan, een dikke wolk (dat is eigenlijk de betekenis), een zwarte wolk, die al haar heerlijkheid verdonkert, en haar uitnemendheid verbergt, niet zo'n wolk als die, waaronder God hen door de woestijn leidde, of die, waarin God bezit nam van de tempel en die vervulde met Zijn heerlijkheid, neen, nu is die zijde van de wolk naar hen toegekeerd, die naar de Egyptenaars gekeerd was in de Rode Zee. "Hij heeft de heerlijkheid van Israël van de hemel op de aarde nedergeworpen, hun vorsten", 2 Samuël 1:19, de waarneming van hun godsdienst, de heerlijkheid des heiligdoms, al, wat hen aanbeval in de genegenheid en achting van hun naburen, en hen beminnelijk maakte, wat hen tot de hemel toe verhoogd had, was nu verwelkt en verdwenen, omdat God het bewolkt had. Hij heeft de gehelen hoorn Israëls afgehouwen, vers 3, al zijn schoonheid en majesteit, Psalm 132:11, al zijn overvloed en volheid, en al zijn macht en gezag. Zij hadden in hun trots de hoorn tegen God verhoogd, en daarom heeft God die met recht afgehouwen. Hij maakte hen machtig om weerstand en tegenstand te bieden aan hun vijanden, Hij heeft Zijn rechterhand achterwaarts getrokken, zodat zij niet in staat waren, de slag, die zij gaven, te doen aankomen, noch de slag, die hun gegeven werd, af te weren. Wat kan hun rechterhand doen tegen de vijand, als God die achterwaarts trekt, of doet verdorren, als die van Jerobeam? Aldus werd de heerlijkheid van Israël neergeworpen, toen het volk, beroemd om zijn moed, niet in staat was stand te houden, noch de dienst naar behoren waar te nemen.
III. Er was eens een tijd, toen Jeruzalem en de steden van Juda sterk en wel verdedigd, de inwoners vertrouwen inboezemden en door de vijand als onneembaar met rust gelaten werden. Maar nu heeft de Heere ze in Zijn toorn verslonden, zij zijn verdwenen, de kastelen en grensvestingen zijn genomen, en de invallers ontmoeten geen tegenstand, de statige bouwwerken, die hun kracht en schoonheid waren, zijn neergehaald en verwoest.
1. De Heere heeft in Zijn toorn alle de woningen Jakobs verslonden, vers 2, beide de steden en de dorpen, zij zijn verbrand, of anderszins verstoord, zo geheel verwoest, dat zij verslonden schijnen te zijn, en er niets meer van teruggevonden wordt. Hij heeft verslonden en niet verschoond. Men zou gedacht hebben, dat het jammer was, dat zulke rijke huizen, zo goed gebouwd en zo goed gemeubeld, geheel verwoest werden, en dat er enige verschoning gebruikt had moeten worden met de arme inwoners, die aldus verdreven, en gedwongen werden om een woonplaats te zoeken, maar Gods gewone barmhartigheid scheen te ontbreken, Hij heeft Israël verslonden zoals een leeuw zijn prooi verslindt, vers 5.
2. Niet alleen de gewone huizen, maar zijn paleizen, alle haar paleizen, de woningen van de vorsten en aanzienlijken, vers 5, hoewel die zeer statig en rijk, sterk en wel bewaakt waren. Als Gods oordelen met een bepaalde opdracht komen, maken zij paleizen en hutten met de grond gelijk, en verslinden ze met evenveel gemak. Als paleizen bevlekt zijn door zonde, zoals de hun, dan moeten ze verwachten bezocht te zullen worden door een vloek, die ze zal verteren, met zijn houten en zijn stenen, Zacheria 5:4.
3. Hij heeft niet alleen hun woonplaatsen, maar ook hun vastigheden, hun kastelen, sterkten en versterkte steden verdorven. Deze heeft Hij afgebroken in Zijn verbolgenheid en gemaakt, dat zij de aarde raken, zullen zij Zijn oordelen ook in de weg staan, en hun voortgang belemmeren? Neen, zij moeten vallen als bladeren in de herfst, zij moeten tot op de fondamenten afgebroken, en met de grond gelijk gemaakt worden, vers 2. En wederom, veraf 5:Hij heeft zijn vastigheden verdorven, want hoe konden zij bestaan tegen God? "En zo heeft Hij bij de dochter van Juda het klagen en kermen vermenigvuldigd, want zij moesten wel in vreselijke ontsteltenis zijn, toen zij zagen, dat al wat hun verdediging uitmaakte weg was". Dit wordt opnieuw gezegd, vers 6-9. En om de paleizen te verslinden, heeft Hij de muren harer paleizen in des vijands hand overgegeven, die ze beschermden, en als die afgebroken zijn, is het met de paleizen zelf spoedig gedaan. De muren van de paleizen kunnen ze niet beschermen, tenzij God zelf er een muur van vuur om heen bouwt. Dat deed God in Zijn toorn, en toch heeft Hij het met overleg gedaan. Het is het gevolg van voorafgaand overleg, het is gedaan door wijze en onveranderlijke beschikkingen, want de Heere "heeft gedacht te verderven de muur van de dochter Zions," Hij bracht het Chaldeeuwse leger opzettelijk voor deze strafoefening. De verwoestingen, die God in Zijn kerk aanricht, zijn alle naar Zijn raad, "Hij zal volbrengen, wat over ons bescheiden is, ook hetgeen het meest onaangenaam voor ons is. Maar, als het zover is, heeft Hij het richtsnoer getogen, om nauwkeurig de maat vast te stellen, tot hiertoe zal de verwoesting gaan en verder niet, er zal niet meer afgesneden worden, dan wat er voor bestemd is. Of, het richtsnoer van de woestigheid wordt bedoeld", Jesaja 34:11, om alles gelijk te maken, want Hij zal Zijn werk voortzetten, Hij heeft Zijn hand niet afgewend, dat Hij ze niet verslonden, Zijn rechterhand, die Hij tegen Zijn volk uitstrekte als een vijand vers 4. Zover, als het doel reikt zal ook de uitvoering gaan, en Zijn hand zal Zijn raad volkomen uitvoeren, en niet afgewend worden. "Daarom heeft Hij de voormuur en de muur, waarover het volk zich verheugd had, en waarop zij zich misschien vrolijk gemaakt hadden, treurig gemaakt, en zij zijn verzwakt, de muur en de voormuur, of de borstwering er op, vielen tezamen, en werden aan elkanders troost overgelaten". Haar poorten zijn in een oogwenk verdwenen, zodat men denken zou, dat zij door hun eigen gewicht in de aarde verzoeken waren, en "Hij heeft haar grendelen verdorven en verbroken, die grendelen van Jeruzalems poorten, die Hij vroeger sterk gemaakt had", Psalm 147:13. Poorten en grendelen zullen ons niet helpen, als God Zijn bescherming aan ons onttrokken heeft.
IV. Er was eens een tijd, toen hun regering bloeide, hun vorsten in aanzien stonden, hun koninkrijk groot was onder de volken, en de weegschaal van de macht naar hun zijde overhelde, maar nu is alles anders: Hij heeft het koninkrijk en zijn vorsten ontheiligd, vers 2. Eerst hadden zij zich zelf ontheiligd door hun afgoderij, en daarna behandelde God hen als zodanig, Hij wierp hen op de mesthoop, de geschiktste plaats voor hen. Hij had hun heerlijkheid, die als heilig beschouwd werd, (wat wij majesteit noemen) overgegeven om vertreden en ontheiligd te worden, en het is geen wonder, dat de koning en de priester, wier persoon altijd als eerwaardig en onschendbaar beschouwd werd, door iedereen veracht worden, als God in de gramschap Zijns toorns, de koning en de priester smadelijk verworpen heeft, vers 6. Hij heeft hen verlaten, Hij oordeelt, dat zij niet langer de eer waard zijn van het verbond des priesterschaps en des koninkrijks, maar, dat zij beide verbeurd hebben, en dan wordt Zedekia, de koning, met verachting behandeld, en Seraja, de hoofdpriester, als een misdadiger ter dood gebracht. De kroon is hun van `t hoofd gevallen, want haar koning en haar vorsten zijn onder de heidenen, vers 9, zij worden gehoond en behandeld, niet als gewone mensen, maar als mensen van de laagste soort, zonder enige achting voor hun persoon. Het is rechtvaardig van God om door Zijn oordelen te verlagen, die zichzelf verlaagd hebben door hun zonde.
V. Er was eens een tijd, toen de geboden Gods onder hen bewaard werden, in volle kracht en zuiverheid, en dat zij die tekenen van Gods tegenwoordigheid onder hen hadden, maar nu waren ze van hen weggenomen, dat deel van Israëls heerlijkheid, dat inderdaad zijn grootste heerlijkheid was, was verdwenen.
1. De ark was de voetbank van God, onder het verzoendeksel, tussen de cherubim, dit was het heiligste van alle symbolen van Gods tegenwoordigheid (zie werd Zijn voetbank genoemd, 1 Kronieken 28:2-Psalm 99:5, 132:1, daar rustte de "schechina," de wolk, en met het oog daarop werd Israël dikwijls beschermd en gered, maar nu gedacht Hij Zijn voetbank niet meer. Het schijnt, dat Hij toegelaten had, dat de ark zelf in handen van de Chaldeën gevallen was. Daar God vertoornd was, wierp Hij ze weg, want zij zal niet langer Zijn voetenbank zijn, de aarde zal het zijn, zoals zij geweest was voordat de ark het was, Jesaja 66:1. Van hoe weinig waarde zijn de tekenen van Zijn tegenwoordigheid, wanneer die tegenwoordigheid zelf er niet meer is! Ook was het niet voor `t eerst, dat God Zijn ark in de gevangenis gaf, Psalm 78:61. God en Zijn koninkrijk kunnen bestaan zonder die voetbank. 2. Zij, die de dienst hadden verricht van de heilige dingen, de begeerlijke dingen van de ogen in de tent van de dochter Zions, vers 4, waren reiner dan de sneeuw, witter dan melk geweest, Hoofdstuk 4:7, niemand was begeerlijker in de ogen van alle goede mensen geweest, dan die de dienst van de tabernakel waarnamen. Maar nu zijn zij gedood en hun bloed is met hun offeranden vermengd. Zo is de priester met de koning veracht. Als zij, die begeerlijk waren voor het oog in Zions tabernakel gedood zijn dan moet daarin de hand van God erkend worden, "Hij heeft het gedaan, en het gehele huis Israëls moet deze brand, die de Heere aangestoken heeft, bewenen, als in het geval van Nadab en Abihu", Leviticus 10:6.
3. De tempel was Gods tabernakel (zoals de tabernakel, in zijn tijd, Zijn tempel genoemd werd) Psalm 27:4), en deze heeft Hij met geweld afgerukt, vers 6, de pinnen ervan heeft Hij uitgerukt en de touwen afgesneden, het zal niet langer een tabernakel zijn, veel minder de Zijne, Hij heeft hem uitgerekt, zoals de hovenier zijn hut of schat wegneemt, als hij klaar is en er niets meer te doen heeft, Hij rukt hem uit, even gemakkelijk, even vlug, en met even weinig spijt en weerzin alsof het maar "een hutje in de wijngaard of een nachthutje in de komhommerhof" was, Jesaja 1:8, en als "een hut, die de hoeder maakt," Job 27:18. Als de mensen Gods tabernakel ontheiligen, is het rechtvaardig van God die van hen weg te nemen. Met recht had God geweigerd hun "verbodsdagen te rieken," Amos 5:21, zij hadden Hem getergd. Zich aan hen te onttrekken, het was dus geen wonder, dat Hij Zijn vergaderplaats verdorven heeft, wat zouden zij met de plaats doen, als de dienst een gruwel geworden is? Hij heeft Zijn heiligdom te niet gedaan, het is door zonde verontreinigd, het ene dat Hij haat, en daarom haat Hij zelfs Zijn heiligdom, waarin Hij Zich verheugd had en dat "Hij Zijn ruste tot in eeuwigheid genoemd had," Psalm 132:14. Aldus had Hij gedaan aan Silo. Nu hebben de vijanden in het huis des Heeren een stem verheven van feestviering en van Godslastering, als de tempelliederen en muziek op de dag eens gezette hoogtijd, Psalm 74:4. Sommigen verstaan onder de vergaderplaatsen, vers 6, niet alleen de tempel, maar ook de synagogen, en de profetenscholen, die de vijand verbrand had, Psalm 74:8.
4. De hoogtijden en sabbatten waren zorgvuldig waargenomen, en het volk was er voortdurend aan herinnerd, maar nu heeft de Heere ze doen vergeten, niet alleen in het land, onder hen, die ver weg woonden, maar ook in Zion zelf, want er was niemand overgebleven om er aan te denken, en ook waren de plaatsen er niet meer, waar zij plachten waargenomen te worden. Nu Zion in puinhopen lag, werd er geen verschil gemaakt tussen de Sabbat en andere dagen, iedere dag was een dag van rouw, zodat alle hoogtijden vergeten waren. Het is rechtvaardig hen van de weldaad en de troost van de sabbatten te beroven, die ze niet naar eis gewaardeerd, en niet nauwgezet waargenomen hebben, maar ze hebben ontheiligd, wat een van de zonden was, waarvan de Joden dikwijls beschuldigd werden. Zij, die de dagen van de Zoon des mensen gezien hebben, en verzuimd, zullen begeren een dier dagen te zien, en het zal hun niet vergund worden, Lukas 17:22.
5. Het altaar, dat hun gaven geheiligd had, is nu verstoten, want God zal hun gaven niet meer aannemen, noch geëerd worden door hun offeranden, vers 7. Het altaar was de tafel des Heeren, maar God wil niet langer onder hen wonen, Hij wil hen niet onthalen, noch met hen aanzitten.
6. Zij waren gezegend geweest met profeten en leraars van de wet, maar er is geen wet meer, zij wordt niet meer gelezen door het volk, en niet meer uitgelegd door de schriftgeleerden, de tafelen van de wet zijn met de ark verdwenen, het boek van de wet is hun ontnomen, en het bezit er van is aan het volk verboden. Wat zouden zij met bijbels doen, die zich niet verbeterd hebben, toen zij er hadden. Haar profeten vinden ook geen gezicht van de Heere, God antwoordt ze niet meer, noch door profeten, -noch door dromen, wat ook het droeve lot van Saul was, 1 Samuël 28:15. Zij hadden Gods profeten vervolgd, en de gezichten, die zij van de Heere ontvingen, veracht, en daarom is het rechtvaardig van God te zeggen, dat zij profeten, noch gezichten meer zullen hebben. Laat hen naar de profeten gaan, die hen gevleid en bedrogen hadden met gezichten naar hun eigen hart, want zij zullen er geen van God hebben, om hen te troosten, of hun te zeggen hoe lang nog. Die Gods profeten mishandelen, zullen verliezen, en rechtvaardiglijk.