Richteren 5:24-31
Hier eindigt Debora haar triomfzang.
I. Met de lof van Jael, haar zusterheldin wier kloeke daad de overwinning had voltooid en gekroond. Zij had tevoren melding van haar gemaakt, vers 6, als één die haar land gediend zou hebben, zo dit in haar macht ware geweest, nu juicht zij haar toe als een, die het bewonderenswaardig wèl had gediend toen het in haar macht was. Haar poëzie is het schoonst en bloemrijkst in het laatste gedeelte van haar lied. Met hoeveel eer spreekt zij van Jael, vers 24, die aan vrede met de God van Israël de voorkeur gaf boven vrede met de koning van Kanaän, en hoewel van geboorte geen Israëlietische (niet voor zover blijkt tenminste) toch hartelijk de zaak van Israël in dit moeilijk tijdsgewricht is toegedaan, haar leven even waarlijk in de waagschaal had gesteld, alsof zij op de hoogten des velds ware geweest, en kloekmoedig heeft gestreden voor hen voor wie zij zag, dat God streed! Gezegend zij boven de vrouwen Jael de huisvrouw van Heber de Keniet, gezegend zij ze boven de vrouwen in de tent. Indien zij, wier levenslot in de tent is, in een geringe, enge sfeer van werkzaamheid, God er in dienen naar haar vermogen, dan zullen zij haar loon geenszins verliezen. Jael in de tent verkrijgt even rijk een zegen, als Barak in het veld.
Niets is beschamender, smartelijker en schandelijker dan teleurstelling, en Debora beschrijft hier op zeer sierlijke wijze twee grote teleurstellingen, waarvan de schande typisch was van des zondaars eeuwige beschaming.
1. Sisera vond een doodsvijand toen hij dacht een getrouwe vriendin te vinden.
a. Jael betoonde hem de goedheid van een vriendin, en wellicht heeft zij op dat ogenblik ook niets anders dan vriendelijkheid bedoeld, totdat God door een onmiddellijke werking of aandrift in haar hart (en op zo'n aandrift moest in die tijd wel acht geslagen worden, omdat zij zo sterk een getuigenis met zich bracht van God te zijn, dat men er gerust op aan kon, terwijl men thans nooit zo iets mag of kan geloven of beweren) haar neigde om geheel anders te handen, vers 25. Hij vroeg haar slechts om schoon water om zijn dorst te lessen, maar niet alleen om haar bedrevenheid als huisvrouw en huishoudster te tonen, doch om hem haar achting te bewijzen, gaf zij hem melk, en bracht boter, dat is: (zeggen sommige Schriftverklaarders) melk waaruit de boter genomen was, wij noemen het karnemelk. Nu (zeggen anderen) het was melk, waar de boter nog in was, wij noemen het room. Wèlke soort van melk het nu ook moge geweest zijn, waarschijnlijk was het de beste, die zij in huis had, en om haar aangenaam en smakelijk te doen uitzien, bracht zij ze in een herenschaal, die zij zo noemde, de fraaiste, die zij had, en die zij gewoonlijk niet op haar eigen tafel gebruikte. Dit bevestigde Sisera's mening van haar vriendschap en bracht hem des te dieper in slaap. Maar,
b. Zij bleek toen zijn doodsvijand te zijn, en bracht hem de dodelijken slag toe, het is keurig beschreven, vers 26, 27.
Welk een groots aanzien heeft Jael, als zij met haar hamer de trotse man verplettert, die zolang de schrik van de machtigen is geweest, en hem verslagen ter helle doet neerdalen "met zijn ongerechtigheid op zijn beenderen " Ezechiël 32:27. Zij schijnt het met niet meer vrees of bezorgdheid gedaan te hebben, dan wanneer zij een plank of richel van haar tent had vastgespijkerd, zó overtuigd was zij van de Goddelijke hulp en bescherming. Wij lezen de zin: zij streek zijn hoofd af, waarschijnlijk met zijn eigen zwaard, dat zij, nu zijn hoofd doornageld was, van zijn zijde durfde nemen, maar niet eerder, uit vrees van hem te wekken. Omdat het echter niet nodig is geweest hem het hoofd af te houwen, en het ook niet in het geschiedverhaal wordt vermeld, denken velen dat hier gelezen moet worden Zij sloeg (de tentpin door zijn hoofd. Dat hoofd hetwelk trots opgeheven was tegen God en Israël, en waarin bloedige ontwerpen gesmeed waren tot verderf en ondergang van Gods volk, daar vindt Jael een weke plaats in, en daar drijft zij de tentpin door heen.
Hoe nietig en min een aanzien heeft Sisera, als hij aan Jaels voeten is gevallen. Aan de voeten van deze dienares van de Goddelijke gerechtigheid, kromde hij zich en viel, zijn worstelen om het leven baat niet, zij volgde haar slag op, totdat hij dood neerlag. Daar ligt nu het dode lichaam van die hoogmoedige, niet op het bed van eer, niet op de hoge plaatsen in het veld, met geen glorierijke wond, toegebracht door een glinsterend zwaard of een stalen boog maar in de hoek van een tent aan de voeten van een vrouw, met een smadelijke wond, veroorzaakt door een armzalige spijker, die door zijn hoofd geslagen is. Aldus is schande het lot van de hovaardigen. En het is een zeer levendige voorstelling van het verderf van deze zondaren, wier voorspoed hen doodt, hij vleit en liefkoost hen met melk en boter in een herenschaal, alsof hij hen gerust en gelukkig wilde maken, maar hij nagelt hun hoofd, en ook hun hart, aan de grond in aardsgezindheid, en doorsteekt hen met vele smarten, zijn vleierijen zijn noodlottig en doen hen verzieken in verderf en ondergang, 1 Timotheus 6:9, 10.
2. Aan Sisera's moeder werd de tijding gebracht van de val en het verderf van haar zoon, toen zij vol verwachting was van zijn glorierijke, triomfantelijke terugkeer, vers 28-30, waar wij hebben:
A. Haar vurige begeerte om haar zoon in triomf te zien weerkeren. Waarom vertoeft zijn wagen te komen? Zij zegt dit niet zozeer uit bezorgdheid om zijn veiligheid, of enige vrees voor mislukking (zij was zo zeker van zijn succes, dat die vrees niet bij haar opkwam) maar uit verlangen naar zijn eer en roem waarnaar zij in haar vrouwelijke zwakheid met hartstochtelijk ongeduld uitzag, knorrende en scheldende op de toevende wagen en klagende over zijn uitblijven, weinig denkende, dat haar ongelukkige zoon al voor enige tijd genoodzaakt was geweest die wagen te verlaten, waarop zij zo trots was geweest, en die zij nu waande zo achterlijk te zijn, zo traag en langzaam om aan te komen. "De wagens van zijn heerlijkheid waren nu de schande van zijn huis geworden,' Jesaja 22:18. Wachten wij ons van toe te geven aan zulke begeerten naar enigerlei tijdelijk goed, inzonderheid naar hetgeen onze ijdele eer voedt, want dat was het waar haar hart zo aan hing. Hartstochtelijk ongeduld in onze begeerten doet ons veel kwaad, maakt ons ieder tegenvallen ondraaglijk. Maar wèl moeten wij met vurigheid verlangen naar de wederkomst van Jezus Christus en naar de heerlijkheid van die dag. "Kom, Heere Jezus kom haastelijk," want hier kunnen wij niet teleurgesteld worden.
B. Haar dwaze hoop en vertrouwen, dat hij eindelijk in zoveel te meer pracht en praal komen zal. Haar wijze staatsvrouwen antwoordden haar en dachten dat zij een zeer goede reden opgaven voor de vertraging, ja zij zelf gaf (in haar wijsheid, zegt de Chaldeër) spottend het antwoord: "Hebben zij geen voorspoed gehad? of zijn zij niet geslaagd?" vers 30. Ongetwijfeld zijn zij geslaagd en wat hen ophoudt is, dat zij de buit verdelen, die zo groot en rijk is, dat het verdelen er van een werk van tijd is." In de buit, waaraan te denken haar zulk een verlustiging is, valt op te merken: a. Hoe onbeschaamd deze vrouwen tot smaad en schande van haar sekse snoeven op de menigte van jonge maagden, die de krijgslieden zullen misbruiken en mishandelen.
b. Hoe kinderachtig zij zich vleien met de hoop van Sisera zelf in een veelvervigen mantel te zien, hoe bekoorlijk zal zo'n mantel wezen, een veelvervigen mantel aan beide zijden gestikt, of geborduurd, gestolen uit de garderobe van de een of andere aanzienlijke Israëlietische vrouw. De uitroep wordt herhaald, daar het iets is, dat meer dan wat het ook zij haar verbeelding gestreeld heeft: van verscheiden verf, aan beide zijden gestikt en daarom zeer rijk. Zulke stukken borduurwerk hoopten zij, dat Sisera voor zijn moeder en haar staatsvrouwen zou medebrengen. Zo onderhevig zijn wij er aan om onszelf te bedriegen met grote verwachtingen te koesteren van eer, en genot, en rijkdom in deze wereld, waardoor wij ons dan de schande en smart bereiden van de teleurstelling. En zo brengt God dikwijls verderf over Zijn vijanden, als zij het hoogst verheven zijn.
II. Zij besluit het alles met een gebed tot God:
1. Om het verderf van al Zijn vijanden. "Laat alzo smadelijk, alzo ellendig, al Uw vijanden omkomen, o Heere, vers 31. Laat allen, die hopen te juichen in Israëls verderf aldus teleurgesteld worden, "Doe hen allen als Sisera," Psalm 83:10. Ofschoon wij voor onze vijanden moeten bidden, is het toch onze plicht om te bidden tegen Gods vijanden, en als wij sommigen van Gods vijanden op merkwaardige wijze vernederd en naar de diepte zijn gebracht, dan is dit een aanmoediging voor ons om te bidden om de val van al de anderen. Debora was een profetes, en dit gebed was een voorzegging dat, te bestemder tijd, al Gods vijanden zullen omkomen, Psalm 92:10. Nooit heeft iemand zijn hart verhard en is voorspoedig geweest.
2. Voor de verhoging en het welvaren van al Zijn vrienden. "Maar laat hen die Hem liefhebben en van harte Zijn koninkrijk onder de mensen zijn toegedaan, wezen als de zon, wanneer zij opgaat in haar kracht, laat hen even helder en heerlijk schijnen in de ogen van de gehele wereld, zulke weldadige invloeden uitoefenen, evenzo buiten het bereik zijn van hun vijanden, die de zon vloeken als zij opgaat, omdat zij hen schroeit, laat hen vrolijk zijn als een held om het pad te lopen, Psalm 19:6. Laat hen, als brandende en schijnende lichten in hun plaats de nevelen van de duisternis verdrijven, met al meer en meer kracht en luister tot de volle dag toe, Spreuken 4:18. Zodanig zal de eer, en zodanig zal de blijdschap wezen van allen, die God in oprechtheid liefhebben, en zij zullen tot in eeuwigheid schijnen als de zon aan het uitspansel onzes Vaders.
De overwinning, bezongen door dit lied was van zo'n gelukkig gevolg voor Israël, dat zij gedurende een groot gedeelte van een eeuw de vrede genoten, waartoe zij de weg heeft gebaand. Het land was rustig veertig jaren, dat is: van deze overwinning af, tot aan het optreden van Gideon. En het zou wèl geweest zijn, indien, toen de kerken en de stammen rust hadden, zij opgebouwd waren, en in de vreze des Heeren hadden gewandeld.